is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 43, 02-08-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Beschaamd en machteloos?

ledere Nederlander heeft ze aanschouwd en als hij nu de ogen sluit, dan ziet hij ze opnieuw: de strakgetrokken, verwaande gezichten van hoge Duitse militairen, hij hoort opnieuw de dreigende, dreunende stap van hun zware laarzen en hij kan weer navoelen de ontzettende haat, die hem beving als hij hoorde van de meedogenloze executies. „O, die Duitsers”, fluisterden wij.

Er moeten op dit ogenblik in Zuid-Celebes en in Java mensen rondlopen, die evenzeer van afschuw en machteloze haat vervuld zijn, wanneer ze aan ons, aan u en mij denken, want wij zijn Nederlanders en onze troepen

We wisten het al een tijdlang, maar hebben het ergste niet willen geloven. In „T. en T.” werd er op gezinspeeld in „Zwaar weer op til”. Sedert zijn er meer berichten binnen gekomen. We vernamen uit, ’*oor ons volkomen betrouwbare bron, over de terreur, die nu nog in Z.-Celebes heerst. De mensen daar durven zich niet beklagen, zelfs niet degenen, die in een parlement zetelen, waar hun immuniteit door ons is gegarandeerd. Ze kunnen ons niet meer vertrouwen.

Men kan zich van de feiten nu een enigszins helder beeld vormen. Op Java, waar toentertijd veel mensen uit Celebes vertoefden, wordt de Republiek uitgeroepen. Op Z.-Celebes, waar landgenoten weten binnen te komen uit Java, wil men hetzelfde. Laten we aanstonds aannemen, dat dit niet al te zachtzinnig is gegaan. Rampokkers en extremisten vinden elkaar in eenzelfde redeloze woede tegen alles, wat Nederlands of Nederlands gezind of zelfs maar welgesteld of alleen maar om welke duistere reden ook, antipathiek is. Doch dan komt het Nederlandse leger tot herstel der orde

Het was de orde van de dood. Tussen December 1946 en Februari 1947 zijn daar niet in veldslagen en oorlog, maar bij wijze van executie en straf een aantal mensen vermoord, waaromtrent de schattingen tussen 10.000 en 40.000 liggen. Hoe deze gruwelen geschied zijn, kunt u lezen b.v. in „Vrij Nederland” van 5 Juli 1947 (artikel van v. Randwijk) en in de „Stem van Nederland” van dezelfde datum (artikel van dr. v. Blankenstein). J

(Bevestiging van de meegedeelde feiten in „V.N.” van 12 Juli; daarna interpellatie van prof. Logemann in de Tweede Kamer;

protest van een aantal predikanten, dat ook door „T. en T.” zou opgenomen zijn, indien er geen „technische storing” was geweest, protest van „Kerk en Vrede” en van de Algemene Ned. Vredesactie.)

Ik geloof, dat we beide schrijvers, niet zonder ernstig tegenbewijs de naam kunnen ontzeggen van ernstige, verantwoordelijke journalisten te zijn. Uit de voorzichtige wijze, waarop zij hun gegevens op tafel leggen, kan de lezer ten overvloede opmaken, dat ze deze verslagen niet voor hun plezier hebben opgemaakt. Ik wens hier niet in te gaan op de gruwelijke détails, maar het ligt in de lijn van ons weekblad enkele voorzichtige kanttekeningen te maken:

le. Ziedaar dan de koloniale traditie! De hardvochtige onderwerping van Banda (1622) onder Jan Pietersz. Coen, de gevreesde hongertochten en het neerslaan van de onlusten in de Molukken onder Van Diemen (1632—1645) mogen dan lang geleden zijn, zo goed als de aanleg van de grote Postweg, waarvan ieder kind op school leert, dat dit werk „gepaard ging met onmenselijke wreedheid”, uit later tijd herinneren wij ons (maar ook de Indonesiër!) de opstand van Dipro Negoro pl.m. 1825, de Padri-oorlogen (1837), de Boni-opstand (1859—1860), de Atjeh-oorlog (1873—1908) en de Lombok-expeditie (1894), om over avonturen nu maar te zwijgen. Wij hebben daar telkens de orde hersteld, onze orde, d.w.z. de orde, die nodig was om onze koloniale politiek te voeren, d.w.z. om aan N.-Indië te kunnen verdienen. Ik ontken niet, dat deze orde vaak tevens tot welzijn der Inlandse bevolking strekte. Kromo, de eenvoudige weerloze Kromo werd soms nog geterroriseerd door zijn eigen inheemse vorsten. Maar laat men niet beweren, dat bescherming van de Inlanders het eerste object was der vaderlandse, hardhandige zorg. In Nieuw-Guinea roeiden koppensnellers sedert jaar en dag de kustbevolking uit, maar de Nederlandse regering wist van niets, totdat de exploitatie van N.-Guinea ter hand werd genomen. In het licht van deze feiten krijgt de aansporing van dr. Bruins Slot op de landdag te Hulshorst (Zondag 1 Juli) een sinistere klank: „Met honderdduizend man naar Djokjakarta oprukken en de koloniale politiek nastreven”. Misschien kan men zich voorstellen, dat de inheemse bevolking

niet zo nieuwsgierig was naar het slot der expeditie: men kan maar niet weten, of men als toeschouwer zo’n optocht overleeft. Ondertussen ons leger is weer op mars De Ned.-Indische regering heeft (reeds bij besluit van 9 April ! „Het valt nog geenszins te zeggen wanneer het rapport van de commissie tegemoet kan worden gezien” uit het antwoord van de minister aan prof. Logemann 22 Juli) een commissie ingesteld om de toestanden in Z.-Celebes te onderzoeken en te rapporteren, over wat daar gebeurd is. Het is goed, dat dit alsnog geschiedt, doch het is te laat. Doden worden daar niet levend van. Als het onderzoek echter plaats vindt, eerlijk en zonder onderscheid des persoons, kan het de familie en vrienden een geringe troost zijn, indien wij, zo nodig, schuld erkepnen, schadevergoeding toekennen en de schuldigen streng straffen. Hebt u er veel vertrouwen in? Hebben we niet de indruk, de onuitroeibare indruk, dat het leger onverwrikbaar en onverzettelijk zijn gang gaat. Een leger erkent pas ongelijk, als het verslagen is, geen moment eerder. Kapitein WesselinkJ, onder wiens bevel de troepen stonden welke aldaar hun luguber bedrijf hebben uitgeoefend, stond toentertijd toch ook onder gezag van de Ned.-Ind. regering. Was hij werkelijk zo naïef te menen, dat hij in de geest der regering handelde door te doen wat hij deed? Had hij er zelfs bevoegdheid en bekwaamheid toe? Een leger is er om te vechten en niet om te rechten, en een uniform is geen toga. Als er misdadigers opgespoord, als er getuigen verhoord, als er straffen uitgedeeld moeten worden, dan hoort dit door ambtenaren van justitie te geschieden, die er andere methodes, naar we hopen, op na houden, dan iemand uit een kampong uitpikken om extremisten aan te wijzen en bij weigering dood te schieten. Een man, die meent zich zoiets te kunnen veroorloven, meent ook, dat hij daarom niet gestraft kan worden. Hij heeft voor en na lak aan de wet en aan zijn burgerlijke regering. Ik durf niet te wedden, dat hij ongelijk krijgt.

3e. En daarmee komen we aan de moeilijkste vraag: de verhouding tussen leger en regering. Elk leger vertoont, krachtens zijn aard de neiging zich te emanciperen van zijn burgerlijke lastgevers. Als apparaat van een dictatuur is het in zijn soort onovertrefbaar. Duitse generaals vertoonden bitter weinig lust tot ongehoorzaamheid tegen hun korporaal en toen de wereldoorlog eenmaal in volle wreedheid losgebroken was en ook de democratieën.

wat in al zijn naaktheid voor ons had moeten verschijnen, thans door ons gezien wordt in het waas van goede en oprechte bedoelingen.

Verraad aan socialisme en christendom In „Vrij Nederland” heb ik geschreven, dat op het ogenblik, waarop het bevel om te schieten werd gegeven, zowel het christendom als het socialisme verraden werden. Men heeft mij gevraagd, of dit oordeel niet te fel is.

Laat ik op deze vraag dit antwoord geven. Niets doet mij twijfelen aan de eerlijkheid en de oprechtheid van de gezindheid der Regering.

Men kan het christendom en het socialisme verraden bewust en met boos opzet. Men kan het ook doen zonder het zichzelf bewust te zijn en met goede bedoelingen. Ik heb Minister Vos zijn beslissing, om in de Regering te blijven en haar te steunen.

horen toelichten en kwam diep onder de indruk van de ernst, waarmee hij deze beslissing genomen heeft. Zij was voor hem hard en bitter.

In de geschiedenis worden wij echter niet uitsluitend en zeker niet allereerst geoordeeld naar subjectieve bedoelingen, maar ook en voor alles naar onze daden en de gevolgen van die daden. Over de regeringspersonen oordeel ik niet. Dat komt mij niet toe. Ik ben er van overtuigd, dat zij niet minder christen en socialist begeren te zijn dan ik het begeer te zijn.

Het woord verraad heeft betrekking niet op de subjectieve gezindheid, maar op de objectieve feitelijkheid. In die zin zeg ik, waarachtig niet voor mijn plezier, want zij, die het deden, zijn mede-christenen en mede-socialisten, dat op 20 Juli christendom en socialisme verraden werden. Op het meest kritieke moment heeft ons volk gefaald in de vervulling van zijn historische roeping.

De gevolgen

De gevolgen zullen ontzettend zijn. Ook voor het christendom. De zendeling Ds. Hildering getuigt, dat de opmars van onze troepen betekent, dat het hart van de Indonesiër door wrevel geblokkeerd zal zijn en de Nederlandse arbeiders in zending en missie wel kunnen inpakken en wegblijven, want uit hun mond zal de Indonesiër het evangelie als blijde boodschap van verlossing, vrede en vrijheid zeker niet meer kunnen en willen horen. Zwijgen en lijdelijk toezien zal onze schuld alleen maar vergroten.

De schuld van 20 Juli is toch al niet te dragen.

V/at wij willen en hopen? Dat ons volk er in zal slagen onze Regering het halt toe te roepen.

Maar daarover willen wij in een volgend artikel iets zeggen, J. J. BUSKES Jr.