is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 50, 20-09-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naderhand geleden heeft buiten de orde. Wanneer ik de kruidenier een uitbrander geef die meel door de suiker heeft geknoeid, en de man toont mij bij wijze van repliek het overlijdensbericht van zijn zoon, sla ik een figuur, maar de kwestie van die suiker wordt daar niet anders van. „Opdracht” is typerend voor de onzuivere houding van de dichter in dezen. Het begint met een schuldbelijdenis: „Ik heb om u (de geliefde vrouw) mijn plicht verzaakt. Uit liefde heb ik kwaad gedaan.” Dat kan ik begrijpen, en ook dat de dichter deze vrouw, tegen wie hij desondanks geen wrok kan hebben, „Eva” noemt. Zij heeft hem verleid, maar zij is zijn vrouw. „Als Adam” heeft hij daarna voor zijn verkeerdheid moeten boeten. Maar staat er in-de Bijbel ergens, dat het paradijs na Adams val „verwoest” is? Of is dat maar zo’n dichterlijke vrijheid? En inderdaad is „Jobs gelovigheid beproefd totdat hij niets meer had”, maar was dat niet juist vanwege Jobs rechtvaardigheid? Waar blijft nu de schuldbekentenis van het begin? En die „jongelingen in het vuur”, vergis ik mij, of werden zij uit de vurige oven ook juist uitgered om hun beginseltrouw, en hun standvastigheid tegenover de onderdrukker?

Zo heeft de heer Buning zich onmerkbaar in de loop van het gedicht in de mooie rol gedraaid. Zien wij nu de verdere kwaliteiten van het vers ejps aan. „Zijn (Gods) onverbiddelijke dwang nam u”, ja, maar hoe kan men verdedigen dat het die dwang is die „alles met gezang lenigt?” Dat de dichter (in de 2e strofe) zijn smart als een goddelijke straf ervaart, is begrijpelijk maar een „gods oordeel” betekent heel iets anders; dat vuur was toch niet bedoeld om de echtheid van zijn liefde te toetsen? En „Sprak ik geen woord van smaad om u” is wel een mooie dichtregel, maar woorden van smaad spreekt men tégen of tót, en voor zover ik weet nimmer om iemand, ook al is dat niet zo welluidend. Een noodoplossing is ook de op het eerste gezicht vrijwel onverstaanbare slotregel van de eerste strofe. „Het zoete vleien van uw mond” (tóen) is oorzaak geweest dat nu alles de dichter „bitter smaakt”; maar dat moet men maar raden, en het gebruik van de verleden tijd („maakte”) in plaats van „maakt” of „heeft gemaakt” is hier gewoon een taalfout. Niet dat de dichter dat niet even goed en beter weet dan ik, maar hij vond weer dat het er zo precies niet op aankwam, en het paste anders niet in zijn versregel.

Even nonchalant en knoeierig is (we zijn nu eenmaal ergdenkend geworden!) de toepassing van het rijm. In de eerste twee strofen rijmen alleen de buitenste regels, de derde rijmt om-en-om, de vierde heeft rijm van de buitensten èn de binnensten, en juist wanneer men zich dan heeft ingesteld op een volledig rijmend gedicht, laat de slotstrofe (als afsluiting juist zo belangrijk!) ons weer in den steek.

Het mag een vitterig commentaar lijken op de uiting van een dodelijk bedroefd mens, al deze kleinigheden, die elk voor zich de buitenstaander niet veel zullen zeggen. Maar met elkaar typeren die kleinigheden een levenshouding. Ik wilde aan de ene kant, dat ik deze aankondiging had geschreven in het eerste enthousiasme; nü de critische bezinning eenmaal ingetreden is, kan de conclusie niet anders zijn dan tot „dit dor hout” ook thans nog slechts ten dele brandt; of misschien ge – brand hééft, maar al weer min of meer is uitgedoofd. Te groter het verlies voor onze poëzie.

M. H; VAN DER ZEYDE

Gen hoede vechtende kwalonqens2

Zal na deze stralende zomer Europa deze vreugde moeten bezuren met een winter, die bedenkelijk onze hongerwinter 1944/’45 zal benaderen, omdat het gras verschroeid en dus te veel vee afgeslacht is, de graanen de aardappeloogsten slecht zijn door de droogte? En omdat wij nog te weinig produceren aan steenkool, ijzer, afgewerkte producten, om aanvoer uit andere werelddelen te betalen?

Of zal het oude Europa toch nog weer een keer gered worden door het land der Onbegrensde Mogelijkheden, de U. S. A.? En zulen de schepen graan, met bevroren vlees, met margarine-grondstoffen af en aanvaren en ons gratis of op voorschot toch nog weer van het nodigste voorzien? Het land, der Zwarte Aarde is nog half verwoest sinds Hitlers horden in Rusland binnengedrongen en er weer uit verdreven zijn; en nadat de Japanse sprinkhanen Zuid-Oost-Azië kaal gegeten hebben, is er daar ook eer rijst- en vet-tekort, dan dat vandaar hulp te verwachten is. Neen, alleen Amerika, Australië en Zuid-Afrika hebben wat te bieden, maar die hebben het nu al een jaar of zes buiten Europa kunnen stellen en wij hebben weinig om in ruil aan te hieden. Het zal liefdadigheid of voorschot zijn als wij uit de nood geholpen worden.

Zal men dat kunnen en willen? Dat is vooral een vraag die t.z.t van het rijke Amerika gesteld moet worden.

Wil Amerika? Het heeft wimiddellijk na de bevrijding enorme massa’s naar Europa gestuurd om in de eerste nood te voorzien: De U.N.R.R.A., voor een groot deel door de Ver. Staten gefinancierd; maar die gratis hulp is nu afgelopen, en men kan de gevers geen ongelijk geven; vooral Oost-Europa en Italië, die het meest geprofiteerd hebben, toonden zich nu niet bepaald dankbaar. Maar er is een zakelijker reden, waarom de meest vérziende leiders van de U. S. A. voort willen gaan: als Europa een nieuwe honger-winter tegemoét zou gaan zou de chaos zo groot worden, dat alleen een fascistische of communistische dictatuur er wat orde in zou kunnen brengen. En dan zou de U. S. A. óf deze oorlog vergeefs gestreden hebben, óf Europa zou in handen vallen van een macht, die in staat zou zijn met de hulpmiddelen, waarover Europa nog altijd beschikt, in vijf, zes jaar een oorlogsmachinerie voort te brengen, die als het atoombom-geheim geen geheim meer zal zijn, de U. S. A. militair over het hoofd zou groeien. Dat willen de mensen met staatsmansblik, als Marshall, in ieder geval voorkomen. Maar er zijn ook kortzichtiger Amerikanen, zoals

b.v. het millioenenpubliek, waarvoor de journalist O’Donnell schrijft, als hij het heeft over de „horde vechtende kwajongens” in 'Europa, die maar eens heel duide-

lijk moeten horen, dat het nog zeer de vraag is, of de Amerikaanse belastingbetalers bereid zijn, jaarlijks 5è milliard in dat bodemloze vat te werpen; of zoals het Congreslid generaal Wood, die op het standpunt staat, dat het met Europa gedaan is, dat Amerika nog een 20 è, 30 millioen van de beste Engelsen, Hollanders en Belgen kan opnemen de rest van Europa maar in zijn eigen sop latende gaarkoken en zijn goede geld liever in Zuid-Amerika moet steken.

Een tweede vraag is, of de U. S. A. in Parijs voldoende kan helpen. Het ver%

langlijstje,* dat de zestien vergaderde Europese staten hebben opgesteld, bedraagt 29 milliard dollars, waarvan 8,8 nog dit jaar. De chef van het nieuwe planbureau van Marshall, Kennan, is de Zestien echter juist komen vertellen, dat de hoeveelheid, die Amerika in 1946 kon exporteren niet meer was dan ter waarde van $ 4 milliard en dat het dit jaar dus niet veel meer zal zijn. De Zestien zouden kunnen antwoorden, dat wat nu nodig is voor 85% voedsel of mest, machines, veevoeder en zaden voor een nieuwe voedsel-basis is, die dus in ieder geval nodig zijn en dat de overige 15% voor herstel van de productiecapaciteit ook niet overdreven is. Maar dan zullen de Amerikanen er zeer terecht op wijzen, dat het goedkoper is een stel armoedzaaiers in één tehuis, dan hen elk in hun eigen huisje te verzorgen en dat b.v. de Hollandse groente en de Noorse vis al bijna weer ligt te verrotten bij de veilingen door gebrek aan samenwerking.

Door deze Amerikaanse boodschap zijn de besprekingen in Parijs, die na de eerste fase van de gezamenlijke verlanglijst dreigden vast te lopen, over het dode punt heengekomen. De Italianen, die als de grootste armoedzaaiers, maar met een ijverige bevolking, van een gemeenschappelijke pot alleen maar hebben te winnen, hebben één West-Europese tolunie voorgesteld; de Fransen, die een fijne politieke neus hebben en begrepen, dat dit de kansen bij de gewone Amerikaanse volksvertegenwoordiger zeer zou verhogen, vielen dadelijk bij. Maar voor de Scandinavische landen was het een moeilijk ding: dollars graag, maar zich binden aan het Westen, met de Russische buurman vlak naast de deur, was rijkelijk griezelig, zodat zij zelfs tegen een studie-commissie al bezwaar hadden; de Zwitsers ook met een neutraliteits-complex en bovendien stevige O.W.ers in de. afgelopen jaren, steunden hen. Beslissend, met name ook voor Nederland en België, zou de houding der Engelsen zijn. Deze bleken eerst geheel vergeten dat zij met zo’n geestdrift de leidende rol hadden willen spelen bij de verdeling van de Marshali-doiiars; zij leggen zich niet graag vast tegenover het vasteland; zij dachten aan hun economische banden met de Dominions; zij zaten juist zo midden in hun eigen dollar-crisis en zagen die zozeer in het licht van hun eigen binnenlandse politiek, dat zij vergaten er op de lange termijn alleen samen met het herstel van het Europese vasteland uit te kunnen komen. Maar toen de zaak op hen dreigde te stranden en zij dachtemaan alle boze gevolgtrekkingen, die de Amerikanen daar weer over zouden maken, kozen zij eieren voor hun geld en bleken bereid tot serieuze studie van het vraagstuk. Hirschfeld als een echte Hollander meer vertrouwend op de ene vogel in de hand dan de tien in de lucht, heeft het compromis doen aanvaarden, dat men in ieder geval vast in kleinere groepen zal beginnen als in „Benelux” en „Sweeano”, — als de Scandinaviërs dat tenminste om de Russen durven — en de Grieks-Turkse tol-unie; hij heeft ook duidelijk gemaakt, dat het veel 'meer gaat om een aanpassing van economische mogelijkheden aan elkaar, dan om een afschaffing van douane-rechten, die naast de verboden en contingenteringen nauwelijks belangrijk meer zijn. Voor de groente komt er dus wel een oplossing. Zo