is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1947, no 5, 25-10-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heerschappij der Ouwe Mannetjes

U zult het wel gemerkt hebben aan m’n geschrijf: ik ben kantoorman. Maar vandaag zal ik niet over mezelf praten, maar over m’n Baas. Daar gaat-ie dan O nee, hij gaat niet. Dat is te plat. Als ik over m’n baas ga praten, moet ik zijn taal gebruiken.

Het zij mij dus vergund, u aan hem voor te stellen. Daar zit hij, in dat glazen hokje in de hoek van de zaal. Nee, u hoeft nog niet dichterbij te komen, bekijk hem en z’n omgeving eerst goed.

Bekijk hem, bekijk z’n bureau en z’n stoel, de grafiek aan de wand en de prullebak. Want dit alles is karakteristiek voor m’n baas.

In de hoek hangen z’n regenjas en z’n gleufhoed, die naar zijn mening belangrijke bijdragen leveren tot zijn persoonlijkheid.

De prullebak staat rechts, dichtbij, zodat daarin geruisloos alle ontwerpen van zijn steeds bezige geest kunnen verdwijnen.

Zijn stoel is een toonbeeld van rechtlijnigheid. Zijn bureau: een telefoon, en bakje voor In en een bakje voor üit, ’n onpractisch inktstel en een stapel papier. Als enige persoonlijke zijsprong tussen al dit onpersoonlijke een foto van z’n vrouw en de jongens.

En nu hijzelf. Aanschouw hem, deze ridder van de derde stand, met z’n geweldige vulpen. Hij schijnt een ernstig en bedachtzaam man, ’n héér.

U gaat nu onzichtbaar met me mee, om getuige te zijn van het gesprek dat ik met ’m wil voeren. Ik' wil hem twee dingen vragen: de eerste vraag betreft het veranderen van het opbergsysteem van de brieven. Wat u daarmee te maken heeft? Daardoor zult u zijn werkmethode leren kennen. De tweede vraag is: salarisverhoging.

Hoewel het glazen hokje is gemaakt, om zonder tussen de menigte van de lagere

bedienden verloren te gaan, te zien of ze ook wat uitspoken, maakt hij van dat voordeel weinig gebruik. Meestal zit hij verdiept in z’n werk. Daarom, en ook omdat hij de Baas is, klop ik aan de deur. Hij schrikt op als m’n knokkel voor de tweede maal het hout raakt. Hoofdknik. Ik open de deur.

„Goeie morgen meneer!” „Morgen, Milo, wat is er van je dienst ?”

Zijn stoel wordt gedraaid. Hij trekt ’n gezicht alsof er heel wat komen gaat, en ik steek van wal. „Meneer, zou ik de brieven niet beter volgens onderwerp kunnen opbergen, in plaats v,an op de afzender? ledereen vraagt naar die brief over de Übalken of betonijzer, maar die firmanamen vergeten ze.” Hij zwijgt. Ik meen, dat ’n schepje erop geen kwaad kan. „Die verandering is in een wip klaar, meneer.” Het gezicht wordt nog ernstiger.

„Tsja, maar hoe zit dat met die onderwerpen?”

„Er zijn naar schatting vijftig verschillende artikelen, meneer. Dat is dus minder brieven per groep.”

„Je bergt ze nu alfabetisch op, volgens afzender? Tsja, ik heb er nooit over gedacht ” (Daar reik je jezelve geen efficiency-diploma mee uit. Baas ) Al die tijd heeft hij met de hand onder het hoofd gezeten. Nu komt het antwoord, want hij strijkt met de hand door het haar. „Nee, laat het maar zo ”

Laat het maar zo. Omdat, toen de brievenopbergerij zijn afdeling was, hij het altijd zo deed. En die volgorde, daterend uit een ver verleden is goed. Zo’n jongeman, ook al is hij op een na de belangrijkste bediende, die het brieven opbergen aan de jongste overdraagt, weet er niks Punt.

„Meneer, nog ’n vraag. Ik ben vijftien November drie jaar hier, enne ik heb trouwplannen ” „O ja! Nou je weet dat

je ieder jaar je vaste verhoging krijgt. Ik heb nooit klachten over je werk ” Dat betekent dat-ie tevreden is, maar dat kan de man blijkbaar niet over z’n lippen krijgen ,Ja, én trouwplannen Nou, ik zal zien wat ik voor je doen kan. Ik zal proberen, er een dubbele verhoging van te maken!”

Ik ben ’n beetje bleek geworden, en kan niet goed uit m’n woorden komen. Ik heb dit al eerder willen vragen. Nou, ik geloof best, dat-ie een duit in ’t zakje wil doen. Ik scharrel met een rooie kop naar de deur, mompel iets dat het midden houdt tussen „O, goeiemiddag en danku”, en verdwijn.

Nu weet u wie m’n baas is. Of ik ’n hekel aan henvheb? Nee. Niet persoonlijk. Maar toch heb ik al die kleinigheden laten zien, omdat jk de soort mensen, waartoe hij behoort, niet altijd begrijp.

Het is vreemd: Jaren geleden moet hij ook ’n jonge vent geweest zijn, zo eentje die van radicale veranderingen houdt.

Hij heeft waarschijnlijk enkele malen bij zijn baas gepleit voor verbeteringen.

Ik kan me zelfs indenken voorstellen is moeilijker dat-ie de trap af holde en moppen tapte.

Ik kan me voorstellen, dat-ie hier gestaan heeft, met kloppend hart. Want ook hij heeft, toen hij met het Liefste Meisje van de wereld liep te wandelen, over salarisverhoging gepraat.

Maar nu is hij Baas. Het deftige gezicht dat volgens hem bij die bezigheid vereist is, werd zijn masker.

Z’n idealen en z’n liefhebberijen is hij niet vergeten. Natuurlijk is er van z’n jongensdromen niet veel uitgekomen. En nu heeft hij al die gedachten opgeborgen in het hoekje van z’n herinnering. Waar hij kwajongensstreken-en-zo bewaart.

Ik heb geen hekel aan m’n baas, want hij

De onverdraagzamen

Het is ons gelukt. Door te liegen en te bedriegen. Met angst en pijn. En na heel veel tranen is het ons gelukt vijf jaar lang uit de handen der Germaanse „bevrijders” te blijven. Wij behoren tot de gelukkigen. Enige duizenden van de 140.000. De rest? Hoe bekend is hun gang: Hollandse Schouwburg, Westerbork, Poolse hel, gaskamer of verbrandingsoven.

Stel je voor, dat iemand mij in 1939 gezegd zou hebben, dat mijn oude vader, mijn broer en zijn gezin, mijn neven, nichten, ooms en tantes vergast of levend verbrand zouden worden. Zo maar, omdat de wieg van hun verre voorouders ergens aan de voet van de Sinaï of aan de oevers van de Jordaan stond. Stel je voor, dat iemand mij dat in 1939 gezegd zou hebben. Neen, ik hoef me dat niet voor te stellen, want niemand zou dat gezegd hebben. Niemand ... Maar nu is het 1947. En nu weet iedereen het. En iedereen vindt het o zo erg. Dagelijks merk je ’t nog, aan een blik, een gebaar, een enkel woord, hoe goed ze het begrijpen, de anderen. „Geen wonder, dat jij

zo verbitterd bent”, zeggen de goedwillenden. En ik knik gelaten. Natuurlijk, ik heb reden om verbitterd te zijn. Zij niet! Och, dat het in de veertiger jaren mogelijk was, dat babies, kinderen in de bloei van hun jeugd, jonge mannen en vrouwen, zwangeren, ouden en invaliden alleen maar, omdat ze tot het Joodse ras behoorden, bij millioenen op de wreedst denkbare wijze vermoord v/erden, dat kan voor hèn geen reden zijn om verbitterd te zijn. Die vreselijke oorlog is toch immers voorbij. Laten de doden de doden begraven, laten we barmhartig zijn tegenover de schuldige levenden en laten we vergoelijkend staan tegenover de machteloze verbitterden. En dan blijft er nog iets heel belangrijks onuitgesproken. Want ze vulden ook nog zeggen: Ondanks alles zitten we toch nog met dat vermaledijde Jodenprobleem. Een juiste voorstelling van dat probleem hebben ze gemeenlijk niet. Hoeft ook trouwens niet. Het behoort tegenwoordig tot de bon ton om over deze dingen mee te praten. Maar anti-Semiet zijn ze niet. O nee, kennen ze niet een Jood, die toch een fatsoenlijk mens is?

En dan zijn er de intellectuelen, die artikelen, brochures en boeken schrijven over het Joodse vraagstuk. Zij spreken niet over het Jodenvraagstuk, dat klinkt zo cru en het is misschien ook taalkundig niet juist. En

dan komen de oplossingen en raadgevingen: Een Joods Nationaal Tehuis in Palestina, Zionisme, assimilatie. En ieder artikel, iedere brochure en ieder boek maakt het „vraagstuk” ingewikkelder. Een vraagstuk, dat alleen bestaat bij de gratie der onverdraagzamen. De onverdraagzamen met wier luimen en eisen altijd rekening moet worden gehouden. De onverdraagzamen, die altijd gesust moeten worden met beloften en concessies. Daarom zoeken al die intellectuelen naar een oplossing om die onverdraagzamen tevreden te stellen. Alsof dat mogelijk is. En dan slinger ik deze boude bewering de wereld in: Er is geen Joods probleem. Er is een vraagstuk der onverdraagzamen. Laten de intellectuelen hun krachten proberen om daarvoor een oplossing te vinden. En laten ze zich niet met de Joden bemoeien. Die hebben altijd hun eigen boontjes moeten doppen en ze kunnen dat nog wel. Assimilatie? Goed, maar dat zal ik zelf besliss*èn. Zionist? Ook goed, maar ook dat zal ik zelf beslissen. Ik heb mijn keus gemaakt, allang vóór Hitler ons allen in dezelfde hoek dreef. Maar nu, nó, Hitler, laat ik mij niet weer in een bepaalde hoek drijven door de bemoeizuchtige betweters, de onverdraagzamen, ook van Joodse zijde.

M. KLEEREKOPER.