is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1947, no 12, 13-12-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

f Aan ■den Heer behoort de aarde r en haar i volheid. k Psalm 24-1 /

fyd en Taak

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRISTELIJKE WERKGEMEENSCHAP 4

No. 12 Versdbijnt 50 maal per jaar 46ste jaargang van de Blijde Wereld

« Redactie Prof. Dr. W. Banning Ds. J. J. Buskes Jr. Ds. L. H. Ruitenberg Mr. G. E. V. Walsum Secr. der redaetie: J. G. Bomhoff, Roerstraat 48 111 A’dam»Z. Tel. 24386

Ab. bij vooruitbet. p.j. f 8 f 4.25. kwart, f 2.30 pl. f 0.15 ine. Losse nrs f 0.15, Postg. 21876, Gem. giro V 4500, Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, A’dam-C.

Be üreembe feomöt

' Er is één type van mensen, aan wie zowel de Adventstijd afs het Kerstgebeuren stellig voorbij gaat: dat der zelfverzekerden. Het kunnen de vereerders zijn van „het gezond verstand”, die afgerekend hebben met alle verrassing, risico, radicale veranderingen: die hun leven zélf in handen hebben genomen en het zaakje verstandig inrichten. Het kunnen ook de aanbidders zijn van dogmatische vastigheden, waarbinnen men. meent de Geest Gods te hebben besloten, zodat hun weg èn die van „God” voert van zekerheid, tot zekerheid, zonder katastrofe, verontrusting of gebroken hart. De zelfverzekerden verwachten niet meer, zij hebben; zij schreien niet meer in de verborgenheid van hun nood, zij weten; zij zien niet uit in gespannen liefde naar het komen van God... zij hebben Hem niet nodig, of hebben Hem binnen...

De weken voor Kerstmis, die men Advents' tijd noemt, krijgen alleen een stem voor degenen, die een diep gemis, een smartelijke leegte, een innerlijke onvoldaanheid, een geestelijke armoede kennen. Men zal daarmee als men weet van geestelij-ke kuisheid niet te koop lopen; men zal de vraag van binnen, juist omdat het een vraag is van het hart, niet uiten op’s levens markt. Maar men zal haar wel erkennen als zeer wezenlijk: i§ niet het wezen van de méns in de tijd, dat hij hunkert naar gemeenschap met de Eeuwigheid?

Wij zijn gewend, óp grond hiervan, de mens een zoeker, vrager, pelgrim te noemen. Hij vraagt naar God. Hij is op weg naar het heihge land, naar een toekomst, waarin alle smart zal zijn verdwenen, alle nood zal zijn gelenigd; waar de gerechtigheid én de vrede zullen wonen Pelgrimstocht der mensheid!” is de geschiedenis genoemd: omdat telkens het heimwee naar een land

van geluk de volkeren voortdrijft, doet dwalen en verdwalen. Men kan ook uit de Bijbel wel allerlei teksten aanhalen, die deze opvatting van de mens als God-zoeker en pelgrim schijnen te rechtvaardigen ... „gelijk een hert schreeuwt waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel naar U, o God.” Ik zou niet gaarne ontkennen, dat dit zoeken en worstelen een wezenstrek van de mens is.

Alleen: ik meen, dat het Evangelie de verkondiging is van de tegenovergestelde richting. Daar is het niet de mens die God zoekt, maar omgekeerd: God die de mens zoekt. dat zoeken is hèt bewijs van de Liefde, die weet dat zonder God een mens verdwaalt. Het komt mij nog altijd voor, dat als titel voor de geschiedenis beter te kiezen ware: „de Verdwalingen der mensheid”. Stuk voor stuk hebben de volkeren hun weg gezocht naar macht en geweld, daarbij gaande over millioenen doden en verdrukten; stuk voor stuk hebben zij rijkdom en welvaart gewonnen uit afpersing der onderworpenen, en daardoor is de weg der geschiedenis er één met eindeloos leed bezaaid. Met maar één uitzondering: de Joden, die door God zijn uitverkoren niet tot heersen met macht, maar om te zijn een volk, dat de Heilige dient. Ik weet wel, dat een optimistisch voorgeslacht zich uit-' putte in bewondering voor de verworvenheden der beschaving —■ ik 'wil deze ook niet ontkennen zonder meer. Maar ons geslacht, dat .de aardbevingen van twee wereldoorlogen doorleefde, en ziet dat de verworvenheid der beschaving óók betekent: de mogelijkheid van radicale zelfvernietiging heeft alle gemakkelijk optimisme zien breken en jubelt niet meer over de geschiedenis ... men voelt de keel dichtknijpen om het leed en het mateloze on-

recht, dat wij blijkbaar niet kunnen overwinneii^

Nu is dit het vreemde, onbegrepene en onultdenkbare van het Evangelie: tot déze mensheid die haar weg gaat door onrecht, misdaad, verdwazing tot de mensheid ook van 1947 wil God komen ... Niet dat zij God zoekt het tegendeel is waar. Wel, dat God haar zoekt. Om haar de weg te wijzen tot het ware leven, tot het ware behoud.

Zie nu, van deze centrale gedachte uit, de bekende verhalen: van de nederige geboorte in de stal, en al wat daarbij behoort. God vraagt om toegelaten te worden dat is de logisch onzinnige, toch diep ware verkondiging van de geboorte' van het kind. Logisch onzinnig: is dan de wereld niet van God? 'Wat behoeft Hij dan te vragen om toegelaten te worden? 'Wat onzinnig is voor menselijke logica, is waarheid voor goddelijke Liefde. Zij neemt niet niet geweld; Zij eist niet met macht. Zij vradgt, door onder de mensen te verkeren in de dienstknechtgestalte. Door te dienen, in-_ cognito, vraagt zij. of harten zich willen openen, of de wereld zich wil ontdoen van haar onrecht en waan. Zoals de zon vraagt door te schijnen, of wij ramen en deuren v/ijd open zetten. Dat is het vreemde komen van God tot ons, tot de wereld: het geschiedt in stilte, ergens in een verborgen hoekje van de grote wereld, in het gehate en vertrapte Jodenvolk; het geschiedt onopgemerkt ... tot ergens harten bewogei» worden om zich te geven aan de Gerechtigheid en de Liefde, opdat de wereld Gods wereld worde ...

De dagen van Advent zijn er, om onze ogen los te maken van de wirwar der actualiteiten, ze te richten op wat het wezen aller dingen leven is: de komende liefde Gods, ' opdat wij dan te scherper zouden zien wat onrecht, wat recht is; wat zwendel en bedrog, wat behoudende waarheid is. De oude ' mystieken spraken van de via purgativa, de weg der loutering, het zich losmaken van de dingen van .de dag en het tumult der‘zinnen. Wij hebben zo iets inderdaad nodig, om ons voor te bereiden tot het innerlijk verwachten, ftot de komst Gods. – Zalig wie leven in de verwachting. Omdat zij weten van hun armoede en leegheid. Tot hen kan komen de Liefde; die behoudt.

W. B.