is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 28, 10-04-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder litterair. De vent heeft toch een hoop geschreven, dat zich prettig lezen laat, waar je plezier in hebben kan!” Dat wil ik niet tegenspreken, maar het gaat mij nu om de waardering van een kunstenaar. Vind je dus zijn verzen mooi, zijn roman belangrijk, zijn litteraire oordelen juist? .

„Och, móói, nee, dat is er misschien niet het woord voor. Maar uit alles wat hij schrijft komt je een grote eerlijkheid tegemoet, afkeer van de frase, afkeer van de mooie rol te spelen. Als hij iets vindt, dan zégt-ie het, terwijl een ander het misschien uit bangigheid of berekening voor zich zou houden.” En bedoel je te zeggen dat hij dan ook gelijk heeft met wat hij „vindt”?

„Och, dat is weer een andere kwestie. Soms wel en soms niet, waarschijnlijk. Wat je goed doet is de royaliteit van iemand, die zijn mening zegt. In dit muffe Holland...’ Dat was niet zo moeilijk voor hem, wel? Hij was in Indië opgegroeid, Hollands onderwijs had hij weinig gehad, hij woonde in België, in Parijs ...

„Goed, maar hij was toch Hollander door zijn taal. Hij kwam uit Indië met een grote cultuurhonger, hij wou alles lezen, hij wou zelf meedoen, hij was met Hollandse schrijvers bevriend; met Greshoff, met Ter Braak, met Roland Holst. Hij heeft het enthousiasme van de puber. En net als zo n puber zal hij er dan met zijn beweringen ook wel eens naast slaan.” Ja, dat is precies de indruk die ik óók heb: opgewonden, jongensachtig, parmantig en zelf overtuigd; egocentrisch, onhebbelijk.

praatgraag; dol op vriendjes om mee te bomen of plannen te maken, dol op „ouwe sokken” om tegen te keer te gaan. „In zijn laatste jaren...” J

Natuurlijk, in de laatste jaren van zijn leven was hij wel meer volwassen geworden. En als hij niet gestorven was, op die tragische 14e Mei 1940, dan was hij nu zeker een rijper en bezonnener mens. Maar, als hij dan weinig van de scheppende kunstenaar in zich had, als zijn inzichten nogal aanvechtbaar waren, en zijn enthousiasme (pro en contra) wat jongensachtig van kwaliteit, wat heb ik dan bij Du Perron te zoeken? . _.

„Och, ik geloof eigenlijk” zo eindigde mijn goede vriend —, „dat je Du Perron moet lezen vóór je vijfentwintigstê.”

Na die gemeenschappelijke conclusie hebben wij het gesprek laten varen. Ik was er wijzer, en aan de_ andere kant ook niet wijzer van geworden. Al vele jaren geleden heeft een scribent mij eens op pathetische toon toegevoegd: „Men is Du Perronist of men is het niet!” Het klonk of hij mij ter helle wou doemen. (Hij heeft die indrukwekkende zin geloof ik later nog gebundeld ook!) Nu, wat mij betreft, ik ben nog altijd géén Du Perronist; noch de heer ’s Gravesande noch de ijverige vriend heeft mij kunnen overtuigen. Ik geloof dat Eddy du Perron de gave van het enthousiasme had, en zeker had hij in hoge mate de gave der vriendschap, maar het lijkt mij nog altijd, dat dit met onze litteratuur, en zelfs met onze cultuur, niet zoveel te maken heeft. M. H. v. d. ZEYDE.

Vaaslied

Hoor hoe de dag vervuld is.

in de nacht een pijpen zwelt, hoe eindeloos Gods geduld is, hij langzaam de dagen telt.

De stilte wordt doorbroken:

in onpeilbare jubeling de triomf vun het Woord uitgesproken over dood en vereenzaming.

Een ritselen langs de ramen: de wingerdrank loopt uit.

de vogels roepen zich namen. Hoor hoe een heelal zich ontsluit.

In het hart is een zwijgend waaien. Gij weet niet waarheen het gaat.

een zaaier ging uit om te zaaien in eeuwige regelmaat.

Hoor, in de nacht zwelt een pijpen, de dagen zijn oververvuld;

o weelde van weerloos te rijpen, o delging van smart en schuld.

D. JORRITSMA

VERKEERDE EN BEGRIJPELIJKE WEERSTANDEN

Het is een opmerkelijk verschijnsel, dat er mensen zijn, die er maar moeilijk toe kunnen komen de ernst van de bedreiging van het communisme, zoals deze zich in de gebeurtenissen te Praag heeft gemanifesteerd, te erkennen. Ter rechterzijde ziet men daarin een bewijs, dat dezulken, zoal niet zelf het communisme aanhangen, dan toch in elk geval daarmee in sterke mate sympathiseren. Men beschouwt het als een aanwijzing van de onbetrouwbaarheid van degenen, die zich in deze geest uitspreken. Dit is een onrechtvaardig oordeel. Natuurlijk zijn er crypto-communisten, die evenals de openlijke communisten, het optreden van de huidige machthebbers in Tsjechoslowakije vergoelijken. Maar het is beslist onjuist allen, die weerstanden hebben te overwinnen voor zij tot een duidelijke veroordeling komen van wat daar is geschied, als crypto-communisten te beschouwen. .

Er zijn er, die slechts met tegenzin tot een veroordeeling komen omdat zij, ook al verwerpen zij het communisme, daarin ondanks alles toch een bepaald ideaal belichaamd zien. De methoden van het communisme mogen dan al te veroordelen zijn, het doel is dan toch maar een ernstige poging om met het kapitalisme af te rekenen en een maatschappelijke orde te verwezerilijken, die op sociale rechtvaardigheid is gebaseerd.

Ik aarzel niet deze houding levensgevaarlijk te noemen. Het is dezelfde houding als van degenen, die vonden dat er in het nationaal-socialisme toch ook wel iets goeds zat. Ik laat nu nog daar of het waar is of het communisme een maatschappelijke orde van sociale rechtvaardigheid brengt. Zelfs als dat waar zou zijn, dan is dat tegen de prijs van het offer van vrijheid en menselijkheid te duur gekocht. Men kan het stelsel niet los maken van de mMdelen waarmee het zich verwezenlijkt. In die delen komt het wezen van het stelsel tot openbaring. •

Het is in de grond een gebrek aan moed om de werkelijkheid onder ogen te zien, wanneer men niet bereid is de bedenkelijke practijken van het Russische imperialisme als zodanig te onderkennen. Een merkwaardige illustratie van de houding waartoe men komt, leverde een artikel van enkele weken terug in „De Vlam”, waarin geprotesteerd wordt tegen de uitbreiding van de politie ter bestrijding van het communistische gevaar. In dat artikel werd betoogd, dat de politie niet deugt en dan loopt het uit op deze uitspraak; „Laat de politie zich liever tot de bestrijding van de misdaad bepalen. Voorlopig heeft ze daar de handen vol aan.”

Dat lijkt natuurlijk nergens op. Als er fouten zijn in het politiecorps, dan moeten deze uit de weg worden geruimd. Natuurlijk. Maar wanneer het communisme zich vergrijpt aan vrijheid en democratie, dan is dat een misdaad als elke andere en dan is het volkomer| gerechtvaardigd, dat bij de bestrijding daarvan de politie wordt ingeschakeld. Bovendien heeft de politie niet alleen op te treden tegen moord en diefstal.