is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 37, 12-06-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

n n II A v MV H I Ia Ia V a niÜnillfn U 1 U II I U ii U I I IQ II fl ri QU U U

Het stuk van de heer Van Schouwenburg in een vorig no. van „T. en T.” (15 Mei), heb ik met een zekere belangstelling gelezen. Zonder tot vleierij te vervallen, mag ik niet zeggen: met grote belangstelling. We hebben immers al zoveel stukken gelezen, in alle mogeiijke bladen en in alle toonaarden, over de jeugd die voor de brokken staat, die geen toekomst heeft, die uit het lood geslagen is, enz. enz.

Voorop sta, dat ik deze constateringen niet ontken. Ik spreek hier opzettelijk van constateringen, omdat ik de indruk heb, dat het hier het min of mepr objectief beoordelen van een bestaande toestand betreft. Nu hebben constateringen in een blad als „T. en T.” en in ’t algemeen in gezelschap van zich van hun verantwoordelijkheid bewuste mensen alleen als er conclusies of gedragslijnen voor de toekomst aan verbonden worden. Meestal hoort inen dan verzuchtingen of noodkreten als: het moet anders, of: Er deugt geen klap van, e.d. Met enige goede wil zijn zulke uitlatingen ook als conclusies te beschouwen. Maar dan van een soort, waar niemand wat aan heeft.

Ik kan me bij dit alles niet onttrekken aan de indruk, dat er een soort mode is ontstaan, om te klagen over de geestelijke

armoede en ontreddering, die er speciaal onder de jeugd heersen zou. Huilen en jammeren werken aanstekelijk, ook op geestelijk gebied. Het kan inderdaad lucht geven aan een hart vol smart, maar de maatschappij is er maar matig mee gediend Er is evenwel meer. Is het wel allemaal of liever, schuilt in dit alles niet veel oyerdrijving? •

Zo nu deze klacht over de jeugd zonder j3e heer v. Sch. legt de vinger op allerlei wonde plekken, als daar zijn: extra-lessen voor middelbare scholieren, zitten blijven, eindexamenwee, te weinig selectie. Allemaal bekende klanken, en waarvoor de schrijver dan een middel aan de hand doet, nl. een organisatie als van het M.O. in Indië, waarbij het onderwijs in drie perioden van twee paar verdeeld zou worden. Als ik deze summiere beschrijving begrijp, dan is het een uitwerking van de lyceumgedachte, die ook in ons land nog steeds groeiende is. Ik waag het evenwel te betwijfelen, of dit wel een voldoende bestrijding van de gesignaleerde euvelen zou zijn. De selectie is ook een probleem, dat de aandacht van alle dienaren van het M.O. hier te lande heeft, maar dat veel moeilijker op te lossen is, dan de niet-ingewijde beseft. Maar dit alles is nog maar hors-d’oeuvre. De hoofdschotel is, dat de Jeugd geen plannen heeft en geen verantwoordelijkheidsbesef.

Is dat waar? Zonder twijfel. Is dat nieuw? Stellig niet; integendeel, ’t is zo oud als de mensheid. Is het nodig, het te beschouwen als de voorbode van de ondergang der Westerse beschaving? Ik geloof het niet erg En trouwens, is de jeugd wel zonder plan? De jeugd, die v. Sch. bedoelt, die, welke de middelbare school bezoekt, heeft geopteerd voor de hersenarbeid, dat is al een keuze; de nadere keuze komt normaliter in de loop van de studiejaren, 'tenzij een kind door een vergissing op de middelbare school komt, niet door vrije wil, maar door

de wil van de ouders. Ik denk b.v. aan het meisje, voor welker bezoek van de H.B.S. de ouders zich nogal opofferingen hadden getroost, een goed eindexamen deed, en, desgevraagd, zei, dat ze maar liefst coupeuse wou .worden. Dit is een historisch voorbeeld van planloze jeugd vèr voor 1948. Ik ken ook\ een jongeman, die onder moeilijke omstandigheden studeerde, een buitengewoon goed eindexamen deed en toen bleek, absoluut niet te weten, wat hij zou gaan studeren: wellicht een gevolg van zijn zeer grote inteliigentie en veelzijdige belangstelling.

Is zoiets een ramp? Laten we nuchter blijven en ons oog niet sluiten voor de realiteit. Te alien tijde is er een groot contingent jongens geweest, die het al of niet gesuggereerde doel hebben, het werk of de zaak van hun vader over te nemen Dat is nog steeds zo. Deze categorie heeft een plan, op een hoger of lager niveau, maar een plan. Altijd zijn er studerende jongelui geweest, die pas langzamerhand tot het besef kwamen van wat ze eigenlijk wilden. Wist ik, toen ik m 1912 naar de H.B.S. ging, dat ik iemand zou worden, die „zich voor weinig geld zijn levenlang laat treiteren?” Wisten mijn vrinden, dat ze leraar bij de zouden worden, of op de H.B.S. zoude stranden? Er was onder de H.8.5.-ers een -f f« vlak joor eersre wereiuooriug.

... De Se? andeTen hetTs^ïï'et In 1880 was het aan te nemen, dat het nog vroeger veel beter was. , . , + f delijkheidsbesef heeft. Ja en neen. Het grootste deel van de jeugd heeft geen besef van de deel zal zijn dwaze eis, dA te verlangen van een wezen in . groeien Hoe. Door normale g van het individu, door eigen nadenken e

Israël als een bijdrage tot de uitoefening van het zelfbeschikkingsrecht der vrije volken, ondersteunt zij krachtig de wens, dat Nederland en de andere democratische staten van West Europa tot spoedige erkenning zullen overgaan en wenst zij de stichters van Israël in hun dapper streven een verdiend succes. Niet minder verheugend was het woord, dat de A.R. Prof. Anema in de Eerste Kamer sprak. Hij noemde het billijk, dat de Joden een vaste en veilige woonplaats wordt verzekerd, waar zij rustig kunnen werken. Deze overtuiging berust voor hen niet slechts op algemeen menselijke, maar ook op godsdienstige overwegingen.

Intussen heeft Nederland de Joodse staat niet, nog niet, erkend, waarbij wij niet mogen vergeten, dat de erkenning juist in het huidige stadium voor de Joden de grootste waarde heeft. Hoe groot het gevaar van real-politiek is, moge blijken uit leen aftikel, dat wij in een van onze Nederlandse bladen lazen. Het stelt de vraag, of Nederland Israël wel erkennen kan en geeft dan de volgende beschouwing:

„De vraag is voor ons land van wezenlijk belang. Want een al of niet erkennen van de Joodse staat is een zaak, die ten nauwste verband houdt met de vraag of het betrokken land er bijzonder bij gebaat is met de Mohammedaanse wereld op goede voet te blijven. Welnu, Nederland (met al zijn sympathieën voor de staat Israël) hééft daar belang bij. Ruim 60 millioen onderda-

nen Van ons Koninkrijk belijden immers de Moslimse godsdienst en met deze mensen staan wij op de drempel van een nieuw tijdperk. Of wij in de‘toekomst zulleri samengaan in nieuw verband, of dat wij zullen scheiden, is een vraag waarvan de beantwoording voor ons, zowel als voor onze Indonesische broeders;' een levenskwestie is. In dit tijdperk van een moeizaam zoeken naar wederzijds begrip en vertrouwen, zou elke daad van onze £ant, die opgevat kon worden als tegen de Nlohammedaanse wereld gericht, onherstelbare schade toebrengen.

Wij weten, dat onze Indonesische Rijksgenoten zich één gevoelen met de landen, die hun legers tegen Israël lieten oprukken. Wij weten ook, dat dit Israël ten opzichte van de Arabische wereld niets misdreef, dat het slechts vecht voor zijn bestaan. Doch Nederland zal hoezeer het zelf met de heroïsche strijd van het Joodse volk meeleeft in de eerste plaats toch de gevoelens van 60 millioen Rijksgenoten hebben te ontzien. Het is- een kwestie van eigenbelang.

Begrijpelijk is het, dat in menig land sympathie leeft voor het Joodse volk en dat men dit wenst te uiten in een spontane erkenning van het jonge Israël. Begrijpelijk is het, dat ook in ons land het Joodse volk veel, zeer veel vrienden telt. Doch in de gegeven bijzondere omstandigheid zou het nationaal verkeerd zijn het hart, en niet het verstand te laten spreken. Ons zou een erkenning juist schade berokkenen.”

Wij* hebben in dit betoog twee zinnetjes onderstreept. De schrijver van dit betoo'g zegt aan het einde: ~Mogelijk kan dit artikel een bijdrage vormen tot verbreding van de discussie.”

Neen, dat kan dit artikel niet. Want wanneer Nederland naar dit betoog luistert, dan zal het „met al zijn sympathieën voor de staat Israël” en „hoezeer het zelf met de heroïsche strijd van het Joodse volk meeleeft”, het Joodse volk en de Joodse staat verraden vanwege het eigenbelang en omdat een erkenning ons schade zal berokkenen. De waarheid wordt ter wille van de werkelijkheid prijsgegeven. Dit is geen verbreding van de discussie, maar een versmalling, daar hier met even zovele woorden gepleit wordt voor een real-politiek, al wordt deze verpakt in de watten van sympathie en meeleven. Maar aan deze watten hebben de Joden minder dan niets. Zij hebben alleen iets aan een pleidooi voor hun recht en vrijheid. Wanneer niet de gerechtigheid maar het eigenbelang onze buitenlandse politiek beheersen gaat, zijn wij verloren. Aan deze real-politiek gaat de wereldje gronde.

De Joden vragen niet om sympathie, zij vragen om recht. Wie van beide zal het winnen? De waarheid of de werkelijkheid? In het boek, dat het gemeenschappelijk be – zit is van Joden en Christenen, staat dit Godswoord, dat ook voor onze buitenlandse politiek geldt; Gerechtigheid verhoogt een volk! BXJSKES Jr.