is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 38, 19-06-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

y Aan " \ ■den Heer behoori de aarde] en haar m volheid. *■“ Psalm 24 : 1

Vl* * V rmi i M ya en Inuk

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME •'

TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRISTELIJKE WERKGEMEENSCHAP

Zaterdag 19 Juni 1948 No. 38 Verschijnt 50 maal per jaar 46ste jaargang van de Blijde Wereld *

Redactie Prof. Dr W. Banning Ds. J. J. Buskes Jr Ds. L. H. Ruitenberg Mr. G. E. V. Walsum Secr. der redactie: J. G. Bomhoff, Roerstraat 48 111 A’dam.Z. Tel. 24386

Ab. bij vooruitbet. p.j. f 8 halfj. f 4.25, kwart. 12.30 pl. 10.15 inc. Losse nrs f 0.15, Postg. 21876, Gem.giro V 4500, Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, A'dam-C.

GODS ORGEL

Prof. Heering heeft een klein boekje geschreven over „Johan Huizinga’s religieuze gedachten als achtergrond van zijn werken” (De Tijdstroom, Lochem, 1948).

Toen ik gisteravond laat en moe van mijn werk thuis kwam, te moe, om dadelijk te gaan slapen, heb ik dit boekje ter hand genomen en gelezen. Het overdag zo rumoerige Amsterdam, zo vol van geluiden, was stil geworden. Ik hoorde alleen achter het huis het geruis van de bomen. In zo’n stil uur wil dit boekje gelezen worden, vervuld als het is van stille eerbied voor een gestorven vriend.

Het blijkt een grofe vergissing om in Huizinga alleen maar de humanist te zien. Prof. Heering schrijft over zijn religieuze gedachten als achtergrond van zijn werk. Op de voorgrond traden zij vrijwel nooit. Daarvoor was Huizinga te gesloten, kende hij te veel schroom om zijn innerlijk te openbaren, was hij als historicus te terughoudend en als christen te onzeker van zijn geloofsformulering. Maar zonder zijn religieuze zin zou Huizinga volgens Prof. Heering nooit zo’n brede invloed in Nederland hebben uitgeoefend. Daarom geeft hij een beschrijving van Huizinga’s geloof als achtergrond van zijn werk.

Ik ga dit bewogen „In Memoriam” niet bespreken. Het zou een tekort aan eerbied verraden voor het geheim. Ik wil alleen allen, die, evenals ik, nu na de bevrijding misschien meer nog dan in de bezettingstijd, de teleurstelling en de moedeloosheid kennen, raden, na een dag van hard en vermoeiend werken, in een stil ogenblik dit edele geschriftje ter hand te nemen. Het is stichtelijke lectuur in de beste zin van het woord. Het vertroost teleurgestelden en bemoedigt moedelozen. Het confronteert ons, kleine en nietige mensen, met de Eeuwige en de Almachtige. Het doordringt ons van het bevrijdende inzicht, dat ons menselijk bestaan een metaphysische achtergrond heeft en de diepste gronden onbereikbaar zijn. Het leert ons in een tijd, waarin volk, staat en klasse heel het leven welhaast bepalen, dat geen van deze drie het hoogste beginsel kan zijn, dat slechts gelukkig kan zijn, voor wie het hoogste beginsel de naam draagt van Hem, die sprak: Ik ben de weg, de waarheid en het leven! Het schenkt ons vermoeid en uitzichtloos, een geloof in de toekomst van de mensheid en haar cultuur, omdat de civitas Del altijd weer doorbreekt in de civitas terrena en de wereld redt, omdat er een wereld van genade en verlossing is.

Prof. Heering heeft zijn boekje geschreven met grote eerbied en dankbaarheid. Hij is echter geen oncritisch bewonderaar en lofprijzer. In het achtste hoof stuk je

„Uitzicht en Doel” zegt hij, dat Huizinga de diagnose van het geestelijk lijden van onze tijd scherp gezien en duidelijk getekend heeft, maar dat hij in het wijzen van een weg ter genezing teleurstelt. Hij geeft geen toekomstvisie. Zijn gemis aan profetische en sociale geest heeft hem dit onmogelijk gemaakt.

Prof; Heering geeft die toekomstvisie wel. Daardoor geeft zijn boekje meer dan alleen een herdenking van Huizinga.

Het is een persoonlijke geloofsbelijdenis: Het Messiaanse rijk van Israëls profeten, het Koninkrijk Gods van het Evangelie is een rijk van gerechtigheid, barmhartigheid en vrede, bekroond door blijdschap en geadeld door de Heilige Geest. Dit rijk is voor Prof. Heering geen fantasie, maar realiteit, van Gods werkelijkheid niet te scheiden. Het is voor hem het laatste uitzicht en het opperste doel der geschiedenis.

De vraag naar zin en doel der geschiedenis heeft Prof. Heering, vooral na het lezen van Huizinga’s boek over „De wetenschap der geschiedenis” niet meer los gelaten. Wij citeren twee getuigenissen van hem: „De negentiende eeuwse geschiedbeschouwing, waarin ontwikkeling het heersende beginsel was, houdt niet voldoende rekening met zonde en oordeel, en eindigt noodzakelijk in scepsis en pessimisme.”

„De christelijke geschiedbeschouwing vindt haar noodzakelijke basis en een afsluiting in wat meer dan geschiedenis is, in het eschatologisch drama Gods, dat tijd en eeuwigheid omspant, en eindigt in Gods gericht en koninkrijk.

Achter deze twee getuigenissen ligt een leven van strijd, dat nog een ander karakter draagt dan dat van Prof. Huizinga. Hoe vurig hoop ik, dat velen, orthodoxen en vrijzinnigen, deze geloofsbelijdenis tot de hunne maken en er hun levenspractijk door laten bepalen. Ook het laatste. Zo te geloven en te belijden brengt consequenties met zich mee. Terloops, in een noot onder aan een bladzijde, zegt Prof. Heering: „Velen in ons vaderland zijn zich te weinig bewust, dat —■ afgezien van alle verdere mérites het socialisme, mits eerlijk en sterk, de enige macht is, die het communisme kan tegenhouden.”

Wij eindigen met twee fragmenten uit dit kleine boekje.

Prof. Heering schrijft op blz. 58:

„Ik zal niet licht vergeten het gesprek, dat ik bij mijn laatste bezoek, in Juni 1944, met hem had. Gearmd het lopen viel hem zwaar liepen wij door het Rhederoordse bos. Wij spraken over het thema van zijn geschrift, dat hij in manuscript gereed had: de mogelijkheid van het herstel dezer geschonden wereld. De vier pijlers der moraal, door de klassieke oudheid gehuldigd, zijn

onmisbaar, maar zo zei Huizinga men zal toch dieper moeten graven.

Toen sprak hij van de barmhartigheid. Zonder haar is de mensheid niet te redden. Ik kon niet nalaten mijn gastheer lachend te vragen: Maar lioe zit dat nu? Gisteren zei je nog: je bent een onverbeterlijke idealist, weet je nog niet, dat de mensen altijd dezelfde blijven? En nu vind je voor hun houding wijsheid en rechtvaardigheid nog niet genoeg, maar eis je bovendien barmhartigheid. Zullen de mensen het ooit aanvaarden? Je hebt gelijk, antwoordde hij, dat heb ik gezegd, maar het laatste woord is gelukkig niet aan de mens. Toen werd hij theologisch: In zijn Godsgedachte heeft het Christendom een kracht en rijkdom boven andere religies, met name in haar transcendentie. Dat wil zeggen: het Christendom kent een werkelijkheid, die niet van deze wereld is en waaruit verlossende krachten in dit aardse leven kunnen neerdalen. Als ik je goed begrijp, hernam ik, geldt je eerste en diepste hoop dus niet ’s mensen maar Gods barmhartigheid? Inderdaad antwoordde hij, daarop moeten wij hopen. Toen brak hij het gesprek af. Hij had voor zijn doen genoeg gezegd.”

Het tweede fragment is het slot van het boekje:

„Toen Huizinga’s stoffelijk overschot op 27 Febrauari 1946 naar de begraafplaats bij het Groene Kerkje te Oegstgeest werd overgebracht en daar werd bijgezet in het graf, waar ook zijn oudste zoon begraven ligt, hebben zijn overgebleven vier wandelvrienden, in overleg met zijn weduwe, een korte plechtige samenkomst in dat kerkje belegd, waar één hunner, nadat Peter van Anropy,'over de stille hoofden der verzamelde verwanten en vrienden heen, van ’t orgel zijn laatste groet aan de dode had gebracht, een woord van eerbiedige herdenking sprak: De eerste Februari van het verleden jaar is hij voorgoed van ons heen en de eeuwigheid ingegaan. Wij, die hem nastaren, weten, hoe diep het besef van deze eeuwigheid in hem geworteld was. Het betrekkelijke der tijdelijke dingen, hoe zeer deze zijn geest mogen vervuld hebben, was hij zich diep bewust. Thans zijn voor hem opengegaan verschieten van orde en harmonie, die de Heer van alle leven bereid heeft voor hen, die Hem hebben gediend en liefgehad! Een ander van ons vieren bad bij het graf het gebed, waarmede de overledene de laatste jaren van zijn leven iedere dag had aangevangen: het Onze Vader. Uit de verte speelde het orgel door. Gods orgel speelt altijd door, door alle jaren en eeuwen heen. En altijd zijn er mensen, die stilstaan en ontroerd luisteren. Tot dezulken behoorde Johan Huizinga.”

Het boekje van Prof. Heering ontvangen wij als een kostbaar geschenk. De klanken van 'het orgel Gods spelen er door heen. Wie oren heeft, om te horen, die hore.

J. J. BUSKES Jr.