is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 38, 19-06-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Avontuur in de Dullehondssteeg

Ik fiets langs het rijtje oude huizen aan het Rapenburg in Leiden waar zou er ’n mooiere verzameling te vinden zijn? Deftig zijn ze, deftig ais de hooggeleerde heren die hier resideerden en nog resideren. Alleen al door hët kijken naar de achtenswaardige gevels, de strenge lijnen van de grijze steen, en de spaarzame guirlande boven de deur voel je jezelf inkrimpen tot ’n student, ’n jonge jongen zonder geld, zonder boeken, zonder diploma’s, zonder het aureool van geleerdheid en verstrooidheid van de professoren.

Rust en studie die knappe koppen wisten het wel. Al eeuwen lang spiegelen de gevels zich in het grachtwater, filosofen die zich verwonderen over hun eigen bestaan. Al honderdvijftig jaar staren de vensters van het in klassieke stijl gebouwde huis naar de overkant, al tweehonderd jaar schept iedere voorbijganger zich een droombeeld van de huiselijkheid achter het venster van de minder statige, maar mooiere behuizinge van een zeventiend’ eeuwse geleerde.

Ernstig en deftig; ik twijfel er zelfs niet aan dat de strenge lijnen van de voorgevel in het gezicht van de bewoner terug te vinden zijn, dat zijn haren grijs zullen zijn als de zandsteen. Een eindje verder is de oude kioosterkerk, die sinds de oprichting bij de hogeschool in gebruik is. Daar kun je de portretten zien van de heren, die dagelijks hierlangs liepen, op weg naar of terug van college.

Soms, als ik die portretten zie, krijg ik lust ze om te keren, om te zien wat er achter die ernst verborgen zit. Dan zie je niét de kale hoofden, de hoge voorhoofden en de pruiken. Br is er eentje met ’n pruik, waar ik een beetje ’n hekel aan heb. Zoals er variatie is in de geveis is er variatie in de gezichten der professoren. Deze, met ’n eigenwijs strikje aan z’n pruik, heeft beslist gewoond in het huis met die pompeuze bloemguiriandes. Het is beslist een druk manneke geweest, met gebloemde rok, schuivend pruikje, steeds pratend over politiek en filosofie.

Als je hier zou bellen zou je op ’t vernemen van voetstappen in de gang voelen of je kleren goed zitten, en de fantast in je zou naar het gevest van je sierdegen grijpen en je jabot rechtstrijken. De deur wordt geopend door een bejaarde dienstmaagd, met een hoge witte muts. Je zou de hoge gang inlopen, verwonderd over de stilte in het grote huis, verwonderd ook over de baan zonlicht, die op de tegels van de keuken, aan het eind van de gans glinstert. ’ Ais je dan komt in de kamer met het mooie behang dat boeken, dikke, roodbruine, versleten en glimmende ruggen

kunnen geven dan zou je op de tafel aantreffen: de kat, rustig liggend op ’n stapeltje boeken, knipogend naar de bezoeker.

Hij springt van de tafel gestoord door het bescheiden geluid van vreemde voetstappen en ritselende kleren, en misschien ook alleen maar omdat zitten op de tafel op den duur vervelend wordt, net als op ’n troon.

En dan merk je, dat hij ’n aristocraat van de beweging is, zoals zijn meester een de geest.

Ik heb er niet gebeld, natuurlijk. Bovendien zag ik iets anders. Naast de universiteit is een straatje.- De zijstraatjes zijn speciaal voor de fantasten, die verwachten dat ze aan het eind ervan een wonder tegen ’t lijf zullen lopen. Met zo’n dwaze verwachting ben ik afgestapt en met de fiets in de hand langs de muren van het oude klooster gegaan. En nu moge het waar zijn, dat aan het einde van dat straatje de Hortus Botanicus moet liggen, ik kwam terecht in het sprookje. Een geheel nieuwe wereld met ander licht en andere geiuiden. Het straatje kwam uit op ’n gracht, de wallekant is geplaveid met bolle af gesleten keitjes. De bomen van wat de Hortus moet zijn werpen speelse schaduwen en lichtvlekken over de grond.

Ho, wat heb ik nou an me fiets hangen? het ding blijft staan. Er staat ’n hond voor, die ’m tegenhoudt. Er vliegt ’n mus op het stuur, die kijkt me schuins aan en begint te spreken. Ben ik soms in een tekenfilmstudio verzeild geraakt? „Zet ’m maar tegen de muur, fietsen worden hier niet toegelaten!” zegt hij met ’n piepstem. Ik kijk naar de hond, die z’n voorpoot op de grond zet en bedachtzaam achter z’n oor krabbelt. „Ja, hoores, politieverordening is politieverordening, ook hier!” Nou ja, ik zal hem maar neer zetten, midden op de gracht tegen ’n muurtje. Waar ben ik nou terecht gekomen? Nee, ik droom niet, het ijzer is koel en het slot klikt. We gaan verder.

Mooi is het hier, geen statigheid, geen bestofte stenen en geen quasi-kiassiek gedoe. Alleen de bomen zijn statig, maar de opgaande lijn van hun stammen gaat verloren in een wolk van groen, met eigenwijs gekromde takken, bochtige zijtakjes en zwiepende twijgjes op ’t end, met grote donkergroene bladeren, en zondoorlichte blaadjes, als lichtgroene glaasjes van een toverlantaarn.^

Lage huizen, met zon op de witte kozijnen. Daar is het huis, waarin ik zou wiilen wonen: juist hetzelfde lage dak, de mooie eikenhouten deur, de kleine raampjes, die binnen op de vloer een vakwerk vormen als de zon schijnt als ik naar binnen

kijk hangt binnen het schilderij dat ik lang geleden in ’n museum heb gezien, en dat door de tijd en in m’n herinnering een wijdser landschap heeft gekregen. Alleen omdat ik nieuwsgierig ben naar de rest ga ik niet naar binnen.

Er zit iemand op straat, ’n schilder. Hij neemt met ’n zwierige zwaai z’n baret af, als m’n schaduw over het doek valt. Hij draagt het wammes en de broek van een zeventiende-eeuwer. Hij heeft ’n snor, grote glanzende ogen. Ben jij soms Brederode? „Welnee, maar noem me maar Gerbrand, als je daar zin in hebt.” Hij stipt de penseel op een kloddertje verf van z’n palet en draait bedachtzaam rond, totdat de kleur goed is.

Op het doek is de gracht. Het lijkt wel of ook daar de bladeren ritselen, of ook daar het water beweegt, en de weerspiegelde iboomstammen langzaam golven. Ik kijk hoe hij een deurknop schildert.

Er plompt iets in de gracht, kringen in het water. Er komt eên vis boven. De Vissekop gaat open, er kijkt ’n glazig oog in onze richting. Ik zie de schilder aan: wat nou weer? Een temerige stem: „Zeg Luuc, is dat -ten nieuwe hengeltruc?” „Welnee, ik schilder.” „Zeg Luuc...” „Ik heet Gerbrand.” „Alle leden van het Lucasgilde noem ik Luuc, Maarre, je vist toch niet met ’n kunstvlieg, hè? Dan kan ik de vlieg, die nou al de hele tijd hier...” Hap! Hij slikt. „Dat smaakte. Dag Gerbrand!” Hij duikt weg. „Hebbie nou 00it...” zegt de schilder. Ik ga een eindje verder de gracht op, er is een bocht. Toen ik de bocht voorbij was, moest ik lachen: de gracht liep dood. Er was een muur.

„Wat dacht je dan? Aan alles komt een end!” zei een ouderwets geklede man, die tegen de muur zat. Het was de professor met het pruikje. Van het portret uit de universiteit. Omringd door stapels boeken en tientallen katten. Het origineel overtrof m’ni verwachtingen. Hij begon me. uit te schelden.

„Jij nieuwsgierige kóurantier! Aan de achterkant van m’n huis lopen om te knipogen tegen de dienstmeisjes! Je neus in m’n domestique affaires steken, omdat het zo schilderachtig is!” Z’n pruik verschoof, en het strikje kwam over z’n schouder kijken, als ’n duveltje-in-’n-doosje. „Smeer ’m, naar het land waar de peper groeit! En zeg nooit meer, dat ik op m’n kat lijk!”

„Pardon” zei ik. Natuurlijk wilde me juist nü geen slagvaardig antwoord te binnen schieten. Verlegen draaide ik me óm. Ik groette de schilder en ging naar de fiets. Op het moment dat ik het slot losdeed veranderde de vreemde sfeer van het grachtje. De schilder had een modern colbertje aan en keek vijandig. Toen ik opstapte schoot de hond, die me daarstraks tegengehouden had, op me af. Hij zei niks, hij blafte. En hij hapte naar m’n broekspijp, raak. Aan z’n snuit zag ik, dat hij liever ’n stukje kuit dan C & A-confectie had geproefd. „Kom terug Cerberus!” schreeuwde iemand op de gracht. De hond verdween, en met hem de laatste aanwijzingen van mogelijke vreemde gebeurtenissen.

Ik ging terug naar het Rapenburg. O, U gelooft niet aan die onzin? Dat is niet nodig. Als U fantaseert, kunt U dit ook beleven. U hoeft alleen maar met ’n dwaze verwachting een oud straatje binnen te gaan, om binnen te komen in een gedroomde werkelijkheid. U gelooft me niet? Honden spreken niet, zegt U? Kom de volgende week eens op de koffie, dan zal ik U m’n broek tonen, zo goed mogêlijk gerepareerd. En dat is ’n welsprekend bewijs. C. MILOT