is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 39, 26-06-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over Gerrit Achterberg

Er bestaat geen echte poëzie, die bij eerste lezing volkomen duidelijk is; noch de begrijpelijkheid noch de schoonheid leveren zich uit aan de acTiteloze voorbijganger. Deze weerstand is uiteraard betrekkelijk: de ene lezer is meer geoefend dan de ander, de ene wil er meer tijd en moeite aan geven dan de andere; de zielestaat, waar het gedicht heen wijst, zal de een uit ervaring nader liggen dan de ander. Maar hierover moeten we het eens zijn: echte poëzie geeft haar aroma pas af aan degene, die voor haar zijn ziel langzaam en met aandacht openstelt. In deze zin is elke poëzie als poëzie duister. Maar en dat is heel wat anders: niet elke poëzie heeft verklaring nodig en toelichting. Er bestaan talloze prachtige gedichten, b.v. van Gezelle, die alleen maar een voor poëzie ontvankelijk gemoed vergen. Typisch voor de ontvangst van deze dichtkunst is, dat ze tot zo spaarzaam commentaar verlokt. Een boek over Gezelle’s poëzie (niet over zijn leven!) moet nog geschreven worden. Wat we hebben, zijn vele bladzijden lyriek in de trant van: „hoe prachtig! ”.

Daartegenover is er de duistere poëzie. Die duisterheid, welke, het zij terloops gezegd: noch voor noch tegen het gehalte der poëzie pleit, kan haar oorzaak hebben in een weerbarstig taalgebruik (Huygens), in een hanteren van ondoorzichtige symbolen (Diels), in een gerichtheid op een de lezer onbekende gedachten- en gevoelswereld (A. Roland Holst). Het zijn de duistere dichters, die de commentatoren aan werk helpen.

Hier kom ik tot mijn onderwerp: negen jonge schrijvers hebben tezamen een boek samengesteld „Commentaar op Achter- Zo langzamerhand kunt ge een boekenplank vullen met geschriften over deze dichter, wat in elk geval bewijst, dat Achterberg duister is en uitleg behoeft. Sommige van de schrijvers in deze bundel zijn zo eerlijk te erkennen, dat zij zelf ook niet alles begrijpen, hetgeen ik hun van harte nazeg. Ge moet hun dat niet kwalijk nemen. ledere poëzie-minnaar zal u kunnen vertellen, hoe hij vaak onder de klaarblijkelijke indruk is gekomen van de schoonheid van een gedicht, dat hij slechts vaag begreep. De onverzettelijke wil om het te doorgronden, ontstond vaak uit het stellige vermoeden, dat er schoonheid schuilde in die onbegrepenheid. Wat ik hun wel kwalijk neem, is dat ze hun werk weinig dienend verrichten, dat ze zichzelf en hun agressieve geestigheid (rampzalige erfenis van Ter Braak en Du

het doorvoeren van structuurveranderingen in het staatkundig-maatschappelijk leven, niet evenzeer mogelijk zijn? Daarom vandaag nog aan de slag, gedachtig aan het in-gelovige woord van Willem de Zwijger: Men behoeft niet te hopen om te ondernemen, noch te slagen om te volharden.

Ondernemen en volharden inderdaad en dat vol heilige, vreugdevolle, verwachting, hoort ge: Verwachting! want dezelfde Heer, die de opdracht geeft, en die aan het kruis werd vermoord, getuigt: „Hebt goede moed. Ik heb de wereld overwonnen”! Een overwinning, waarvan wij de bezegeling op de heerlijke-Paasmorgen vieren.

J. F. HOGERZEIL

Perron!) zo op de voorgrond dringen, dat het uitzicht op de dichter belemmerd wordt. In van deze negen opstellen vindt ge wel iets van uw gading, als ge Achterberg wilt verstaan, maar met uitzondering van het opstel van Fokke Sierksma moet ge u telkens heenwerken door lange zelfbelijdenissen en weinigter-zake doende uitweidingen, die een enkele maal (A. Mar ja) onkies genoeg zijn door dingen aan te vallen (in casu het Christendom), die, zo we weten. Achterberg dierbaar zijn.

Na lezing van o.a. dit geschrift heb ik bij mezelf dit vastgesteld: Gerrit Achterberg bezit ongetwijfeld de gave van een groot dichterschap. Tot deze spontane erkenning komt men, als men zijn bundels leest. Het is van belang dit voorop te zetten, want het is niet denkbeeldig, dat men hem verlaagt tot een „interessant geval”, of „onderwerp voor discussie”.

"Vervolgens is zijn duisterheid geen stijlkwestie. Er zijn schrijvers, die door de opzet om hun bedoelingen „schoon” te verwerkelijken, zich gedwongen voelden zich op afstand te houden van het gewone, het alledaagse, dat ook het algemeen-verstaanbare is. In zo’n geval is de duisterheid een gevolg van de aesthetische vormgeving, dus een kwestie van stijl. Achterberg wekt in zijn- bundels zowel als in- zijn persoonlijk optreden de indruk van een volkomen argeloos mens, die zich om stijl noch houding bekommert en die het m.a.w. niet helpen kan, dat wij zijn verzen niet (nog niet!) begrijpen, die desnoods wel bereid is zichzelf de schuld te geven. „Wat niet goed is, is niet geschreven. Ik hoop te mogen hopen op het vers”, zo schreef hij. Ondanks het feit, dat talrijke gedichten van zijn hand de dood van de geliefde tot

onderwerp hebben en zijn niet aflatend pogen zich met haar ondanks alles één te voelen, „de dood te loochenen”, is een der verheugende overeenstemmingen in „Commentaar” de erkenning,' dat dit niet het wezenlijk onderwerp van zijn poëzie is. Deze smartelijke levenservaring moge hem tot dichter gewekt hebben, zij moge voorlopig het meest geëigende aangrijpingspunt zijn geweest van zijn poëtisch handwerk, toch gaat het in zijn poëzie om iets anders.

„Magische dichtkunst”, zegt ,men. Het is mij wel, mits we elkaar goed verstaan. ledere poëzie is magisch in die zin, dat woord en wending in een gedicht een „betoverende invloed” hebben. De natuurlijke, liever de conventionele kracht der woorden wordt op een „geheimzinnige” wijze verhevigd. De woorden zeggen meer dan ze bedoelen. Dit nu is typisch voor elke tovenarij, dat aan een daad een effect wordt toegeschreven, die deze in de natuurlijke orde der dingen niet kan hebben. In deze zin is Achterbergs poëzie geladen met magie, maar wat is er anders mee gezegd dan dat Achterberg een goed dichter is.

„Magische dichtkunst” kan echter nog wat anders betekenen. Magie berust op de innige overtuiging van een samenhang in de kosmos anders dan de causaal-rationele. Besweringen en liefdesdranken, regenmaken en helderziendheid, dit alles veronderstelt dat van de mens krachten kunnen uitgaan, die boven een redelijk begrip uitstijgen en de wetmatige samenhang van controleerbare oorzaken en gevolgen doorkruisen. Ergens in dit krachtveld ligt het domein van Achterbergs poëzie. Hij poogt ons van zijn belevenissen te vertellen, ons zijn geloof op te dringen. Hij poogt' er zich met zijn woord te handhaven; immers bijna elke tovenaar is woord-kunstenaar. Ge erkent dit in zijn spiegelbeeld de goochelaar, die zijn ver-

‘) Uitgave N. Daamen 1948, 257 blz.

Democraat

In deze kamer ben ik eindlijk thuis.. Ik zal geen vers meer schrijven dat mijn leven

uiteen moet rukken om te zijn geschreven. Ben ik een dichter, dan is ’t per abuis.

Ik lees het nieuwe boek. De kachel suist. Geertruida staat een overhemd te strijken.

Ik hoef maar van de bladzijde op te kijken om te beseffen welk geluk hier huist.

Zoo zal het door de jaren blijven duren. '

We krijgen straks een kind en mijn pensioen zal voor onze ouwe dag het zijne doen.

m We hoeven niet voortijdig te verzuren.

Ook leven wij in vrede met de huren. De eene heet Van Brakel,. de ander Griffioen.

GERRIT ACHTERBERG (1947)