is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 39, 26-06-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gevaarlijke struikelblokken

In de jongste tijd zijn er drie verschijnselen aan de dag getreden, die de gunstige keer, die in de internationale verhoudingen scheen gekomen te zijn met het Marshallplan en zijn inwerkingtreding, weer ernstig bedreigen: allereerst de herleving van een zeker Amerikaans isolationisme, dat terwille van het egoïsme der belastingbetalers bereid is, het Europees herstel weer op losse schroeven te zetten. Vervolgens het Franse nationalisme, dat vol romantiek uit de periode dat dit land „La grande nation” van het Vasteland was en vol angst-complexen door drie Duitse invasies in één mensenleeftijd, rebelleert tegen het accoord van Londen, dat een onmisbaar compromis is om de Duitse productiekrachten voor het Europees herstel te mobiliseren en daarmee ook de Amerikanen geïnteresseerd te houden. En tenslotte de egocentrische romantiek van het Groot-Duitse en het Beierse nationalisme, die tegen elkaar in, maar beide gelijkelijk verstoken van werkelijkheidsbesef, de verzenen tegen de prikkels slaan, nu het Duitse paard mede voor de ploeg gespannen kan worden, en daarmee ook weer een goede Europese oogst bedreigt.

Taber’s rebellie

De Amerikaanse Senaat, die naast het „State Department” de algemene leiding geeft aan de buitenlandse politiek der U.S.A., is zich in het algemeen wel bewust van de veraritwoordelijkheid, die de enorme economische en militaire macht van dit land met zich brengt. De grote isolationist, Arthur H. Vandenberg, heeft zich aan de vooravond van Yalta bekeerd tot een actieve buitenlandse politiek van grote stijl, en is een der dragers van de twee-partijenpolitiek, die het werk van de Democraat Marshall ondanks de Republikeinse meerderheid in het congres mogelijk heeft ge-

maakt. In meerderheid trouwens zijn de senatoren door hun zesjarige zittingsperiode minder van de volksgunst afhankelijk dan de afgevaardigden die elke twee jaar voor hun kiezers moeten verschijnen tevens figuren met een rijp oordeel over internationale vraagstukken.

Anders het Huis van Afgevaardigden; dat wordt beheerst door de stemmingen en noden van de gewone man en vooral van de zakenlieden, boeren en vakverenigingsleiders, die plaatselijk aan de politieke touwtjes trekken. Taber, de voorzitter van de budget-commissie, een routinier wiens enig inzicht de mogelijkheden tot bezuiniging betreft, heeft dit lichaam, dat overigens weinig bevoegdheden op buitenlands terrein heeft, er toe gebracht met 148—113 stemmen en 174 onthoudingen de aangevraagde gelden voor de eerste 12 maanden van het Europees Herstel Plan tot 15 maanden uit te breiden en met 7i% te korten. Wanneer dit door zou gaan, zou dat niet minder dan een ramp voor Europa betekenen; de zestien landen zouden min of meer in leven gehouden worden, maar de opbouw van nieuwe industrieën en de intensivering van de landbouw, die ons werelddeel van 1951 weer „selfsupport enz.” zou moeten maken zou mislukken en daarmee zou 'ook het weerstandsvermogen tegenover de communistische agitatie en de zuigkracht op Oost-Europa verloren gaan. Ook voor de U.S.A. kan dit besluit rampzalig worden want al zou het volle bespaarde bedrag in bewapening gestoken worden, zonder het herstel van Europa wordt een oorlog met de Sowjet-Unie menselijkerwijs onvermijdelijk; en wel een oorlog, waarbij Amerika in andere werelddelen zijn vrienden verspeeld zou hebben.

De Senaat heeft dus prompt een tegenzet gedaan en heeft dus ook de periode, waarover het crediet is toegestaan tot een jaar

(en dus met 20%) verkort; dit zou de schade tot een minimum beperken, maar het Huis legde zich hier aanvankelijk niet bij neer en er werd dus door’n gemengde commissie van Senaat en Huis gedokterd aan een compromis. Dit is Zondagnacht gelukkig tot stand gekomen: de President krijgt de bevoegdheid de 15 maanden tot 12 in te korten. Maar de oppositie gaat nog om aanzienlijk meer dan de eerste uitkering uit het Marshall-plan; het gaat om een poging het gehele Plan na een Republikeinse stembusoverwinning in de grond te boren. Alleen, als Vandenberg nu het volle gewicht van zijn gezag in de weegschaal werpt kan deze bedreiging gestuit worden. Hij heeft daarvoor twee argumenten tot zijn beschikking. Het eerste is, dat hij zijn terugho.udendheid als mogelijke candidaat voor het presidentschap opgeeft en een actieve factor in de strijd de candidaten (Dewey, Stassen, Taft en Morten) gaat worden aldus zou hij een compromis tussen beide stromingen in de partij tot stand kunnen brengen, waarbij aan hem of een zijner geestverwanten (b.v. Foster Dulles) de vrije hand voor de buitenlandse politiek wordt gelaten. Kan hij hierbij niet voldoende zijn zin krijgen, dan heeft hij mogelijk nog zwaarder geschut achter de hand: hij kan een actie ontketenen voor een nationale presidentscandidaat, voorstander van verziende buitenlandse politiek. Eisenhouwer; deze populaire generaal bij alle veteranen, zal niet als partij candidaat willen optreden, maar hij is bereid zich een Democratische candidatuur te laten welgevallen om „een Republikeinse reactionnair” te weren; met het dreigement deze candidatuur met de progressieve Republikeinen te gaan steunen, heeft Vandenberg een afdoend wapen tegen elke isolationistische presidents-candidaat in de hand. Maar het kan een harde strijd worden.

Franse angst

De Franse Kamer heeft na een heftig debat met slechts 14 stemmen meerderheid een zeer voorzichtig gestelde uitspraak tén gunste van het accoord van Londen gedaan, waarbij hangen en wurgen in de grote lijnen overeenstemming bereikt is tussen de drie Westelijke bezettingsmogendheden en de Beneluxlanden over de constitutie van West-Duitsland, de gcldzuivering en het Ruhrvraagstuk. Dit houdt in, dat Frankrijk zijn eigen bezettingszóne zal moeten inschakelen bij de Brits-Amerikaanse, dat het het denkbeeld van afzonderlijke Duitse staatjes zal moeten opgeven en niet meer dan een zekere veiligheidsen distributie-contróle op de Ruhr krijgt in ruil voor de veiligheidsgarantie van het bezethouden van een aantal strategische punten na het einde der volledige bezettingsperiode.

Bidault, die voor zijn komst ook niet vlot was geweest in het verstrekken van inlichtingen aan zijn collega’s en de geïnteresseerde Kamerleden, heeft de grootste moeite gehad, deze afspraken te doen aanvaarden, eerst in het ministerie, waar de M.R.P. de veiligheid onvoldoende gegarandeerd vond en de socialisten een internationale socialisatie van de Ruhr gewenst hadden; toen in de commissie voor Buitenlandse Zaken (met 21—20 stemmen) en tenslotte in de Kamer. Het verzet aldaar kwam van twee kanten: van de communisten die tegenwoordig overal in het Westen

socialisme te maken, al is het in ander verband dan de redacteuren van de commerciële bladen doorgaans schrijven. Dat er sprake is van bureaucratie en vriendjespolitiek komt alleen door de afwezigheid van een waarachtige socialistische levenshouding onder de mensen.

Het laatste valt natuurlijk te betreuren, want om altijd als roofdieren naast elkaar te leven is toch ook niet vol te houden. We gaan er gezamenlijk aan kapot, al is men geneigd om dit te vergeten.

Een ander voorbeeld van afwezigheid van een socialistische levenshouding hebben we ook kort geleden in Labour-Engeland kunnen zien, bij de socialisatie van de gezondheidsdienst. Het is met die nieuwe wet voor de nationalisatie van de medische diensten zo gesteld, dat door het inwerkingtreden daarvan, iedereen recht kreeg op gratis medische verzorging van de wieg tot het graf.

Een groot deel van de Britse artsen heeft heftig geprotesteerd en geagiteerd, en niet op grond van principiële overwegingen, doch op grond van portemonnaie-belangen. De behartigingswaardige woorden van de grote schrijver Victor Hugo, dat „de deur van een geneesheer nooit gesloten mag zijn, en de deur van een priester altijd open moet staan”, hebben nog maar weinigen als de Evangelische essentie van hun ambt verstaan, en nog minder hebben het als zodanig aanvaard. Deze socialistische wet

zou voor de christelijke artsen nu eens de gelegenheid kunnen zijn om te tonen wat hun christelijkheid waard is.

Het merendeel heeft de wet afgewezen, zodat daarmee weer eens duidelijk is bewezen, dat een socialistische meerderheid niet altijd een meerderheid van socialisme betekent.

Er zijn helaas nog vele voorbeelden te noemen, die een vreselijk tekort van socialistische, anders gezegd, christelijke levenshouding blootleggen. Genoeg echter. Het wordt een mens soms droef te moede al maar geconfronteerd te worden met de hardheid van deze wereld.

En toch heeft die hardheid niet het laatste woord.

Moest men zich eigenlijk niet veel meer verwonderen dat er in deze keiharde wereld steeds weer de krachten van liefde en gerechtigheid doorbreken en het verlangen naar een nieuwe gemeenschap sterker wordt.

Want ook al gelooft men dan niet in de verwerkelijking van een betere maatschappij, het verlangen wast gestadig. Wij de zaaiers en de ploegers hebben slechts in vertrouwen de dag des oogstes tegemoet te zien.

Het verschijnsel van het altijd weer doorbrekende verlangen naar vrede, broederschap en gerechtigheid zou ik nu het raadsel van het socialisme willen noemen.

A. SNAAUW.