is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 40, 03-07-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN BREED FRONT?

Dr. Berkhof heeft onlangs in „De Hervormde Kerk” een artikel geschreven over: „De gemeente van Christus en de komende verkiezingen”. In dat artikel, dat, zoals alles wat van zijn hand verschijnt, zeer lezenswaard is, worden behartigenswaardige dingen gezegd. Het artikel heeft de strekking de verkiezingsstrijd te relativeren. Ik moet bereid zijn en ben bereid mij dat te laten gezeggen, hoewel ik avond aan avond het land doortrek en verkiezingsredevoeringen houd. Het ligt in het wezen van een verkiezingsstrijd,' dat de dingen dan wel eens scherper gesteld worden dan verantwoord is. En ook afgezien daarvan is het juist, dat van de zijde van de kerk de betrekkelijkheid van de zaken, die daarbij aan de orde zijn, in het Jicht wordt gesteld. Toch gaat het in de verkiezingsstrijd niet aleen om dingen, die maar een betrekkelijke betekenis hebben. Ik geloof niet dat ik, als dat zo was, het de moeite waard zou vinden om er avond aan avond op uit te trekken.

Hoe gevaarlijk de betoogtrant, die Dr Berkhof in dat artikel volgt, kan zijn, blijkt uit het slot daarvan. Hij zegt daar, dat, als heel de gemeente van Christus, zoals deze over vele partijen verdeeld is, zich zou laten leiden door de overwegingen, die hij heeft aangevoerd, dit in de naaste toekomst wel eens van groot practisch belang zou kunnen worden. En dan motiveert hij dat aldus:

„Want de democratische rechtstaat is in gevaar. Moskou vernietigt hem. Bij Rome is ze, blijkens de ervaring in vele landen, ook niet veilig. Wie kan onder deze omstandigheden over het huidige regeringsverbond K.V.P.—P.v.d.A. geestdriftig worden? Toch verzekert men van alerlei kant, dat een breder front niet mogelijk is. De „beginselen” staan Immers in de weg! En men vergeet dat op alle werkelijk belangrijke punten (uitgezonderd Indonesië, maar deze zaak ligt nauwelijks meer in onze handen) een bredere overeenstemming werd bereikt (belastingpolitiek, noodwet-Drees, wederopbouw, e.a.). De christenen in alle partijen mogen elkaar niet loslaten. Ze zullen een brug moeten slaan. Ze zullen uit bewogenheid over de mens, de tyrannie van programma’s en beginselen moeten doorbreken. Ze zullen er naar moeten streven voor de eerstkomende jaren aan te wijzen wat nu nodig is. Ik houd me er van overtuigd, dat zulk een gehoorzame en zakelijke instelling de politieke constellatie op bevrijdende wijze zou kunnen omzetten.”

Kijk, dat is ongetwijfeld goed bedoeld, maar zakelijk ontoereikend, omdat het uit een politiek oogpunt dilettantisch is. Ik ben het helemaal met Dr Berkhof eens, dat de christenen in de verschillende partijen elkaar niet mogen loslaten, maar ik weet ook, dat het niet makkelijk is zich daarnaar te gedragen.

Maar als de kerk ons daartoe wil oproepen en ik beschouw dat als het recht en de plicht van de kerk dan moet zij dat doen op zakelijk beter gefundeerde gronden dan door Dr Berkhof worden aangevoerd.

Volgens hem heeft de vorming van een breder front wel kans van slagen, omdat op alle werkelijk belangrijke punten een bredere overeenstemming werd bereikt. Hij noemt dan als voorbeeld in de eerste plaats de belastingpolitiek. Weet Dr Berk-

hof dan niet dat op de achtergrond daarvan staat de strijdvraag of de belastingheffing mag worden gebruikt om tot een wijziging in de verdeling van het volksinkomen te komen en is het hem onbekend, dat juist de christelijke partijen dat bestrijden? Hij noemt verder de noodwet-Drees. Weet hij dan niet, dat er verschil van mening is over de vraag of het toelaatbaar is van Overheidswege maatregelen te nemen ter verzekering van de bestaanszekerheid op welke weg de noodwet-Drees als een eerste stap bedoeld was? Hij noemt de wederopbouw. Weet hij dan niet, dat nog onbeslist is de vraag of het rechtmatig is de economisch sterkeren een geringere vergoeding te geven voor de geleden oorlogsschade? Wanneer men over de mogelijkheden van een breder front spreekt, móet men niet kijken naar de maatregelen uit het jongste verleden, waarover men elkaar, dikwijls op grond van uiteenlopende motieven heeft kunnen vinden, maar naar de punten, die in de naaste toekomst aan de orde zullen komen en dient men zich af te vragen of daarover overeenstemming zal zijn te bereiken. En is het dan niet meer dan naïef de Indonesische kwestie zo maar eens even uit te schakelen. Met de bewering, dat die nauwelijks meer in onze handen ligt, kiest Dr Berkhof al partij. De Anti-Revolutionnairen en de Christelijk-Historischen zijn het hier helemaal niet mee eens. Voor hen is de Indonesische kwestie juist de inzet van de verkiezingsstrijd. En ik, die dan toch nog meer begrip heb voor wat Dr Berkhof bedoelt, als hij dit zegt, ben het ook niet met hem eens. Wij hebben nog de mogelijkheid veel te verknoeien en dat doen wij als overeenkomstig de wens van de oppositie het roer omgaat. Prof. Gerbrandy heeft het dezer dagen nog gezegd: de volkeren van Indonesië zijn 'nog niet

rijp voor de toekenning van de zelfstandigheid. Men toont zich geprikkeld als er gezegd wordt, dat men uit is op het herstel van de koloniale verhouding en spreekt liever van onze verantwoordelijkheid. Ook naar mijn mening hebben wij tegenover Indonesië een verantwoordelijkheid, maar die heeft een heel andere inhoud dan al diegenen er aan willen toekennen, die van oordeel zijn, dat wij het op grond van die onrijpheid voorlopig toch in Indië' uj.teindelijk maar voor het zeggen moeten houden. Hoe stelt Dr Berkhof het voor, dat mensen, die op dit belangrijke punt verdeeld zijn, in een breed front .samen kunnen gaan?

Maar het ergste is dat Dr Berkhof niet in de gaten heeft, dat men zuiver om politieke motieven om een breed front roept en dat hij met zijn betoog deze mensen in de kaart speelt. Men schreeuwt het van de daken, dat de socialistische politiek .een levensgroot gevaar is en begrijpt Dr Berkhof dan niet, dat men een nationaal kabinet alleen wenst om deze politiek te remmen en te temmen en aldus onschuldig te maken? Vroeger had men de socialisten niet nodig en maakte zich er geen al te grote zorgen over, dat zij buiten de regering stonden. Nu begrjjpt men, dat het zonder hen niet meer gaat, maar wil men in ieder geval bij zijn. Indien men het ernstig meent met het brede front, moet men eerst eens beginnen zijn houding tegenover het democratisch socialisme te herzien en er mee ophouden het te bestrijden op gronden, die kant nog wal raken.

Ik voel mij als christen allerminst geroepen de totstandkoming van een nationaal kabinet te bevorderen. Ik zal het integendeel zoveel ik maar kan bestrijden, omdat het in de huidige verhoudingen een stuk politieke onwaarachtigheid en onoprechtheid zou betekenen. Bovendien is het niet in het belang van de democratie. Deze is er alleen maar mee gediend, wanneer de Werkelijke tegensteliingen tot uiting komen en niet wanneer ze verdoezeld worden.

V. W.

CONTRA C. LOUWERSE

C’est Ie ton qui fait la chanson en gelet op de toon van het artikel „Stad en Platteland” (no. 28, jrg. 46, „Tijd en Taak”), ligt de conclusie voor de hand, dat de schrijver zich meer tot de grote stad, dan tot het platteland voelt aangetrokken, ofschoon het hem „moeilijk valt te zeggen, wie van de twee, de stedeling of de plattelander, het meest op de ander neerzag.”

Welnu, het was veelal zo, dat de stedeling ten plattelande een hooghartig superioriteitsbesef demonstreerde, terwijl de buitenman in de stad met een minderwaardigheidscomplex te kampen had. Zowel het surplus enerzijds, als het tekort anderzijds, zijn hinderpalen op de weg naar een gezonde samenleving. Ook komt de schrijver tot het inzicht, waarschijnlijk op grond van een voldoende omvangrijk en zorgvuldig geschift cijfermateriaal, dat de plattelander de komst van de stedeling begroet „als een middel om de portemonnaie te spekken.” Derhalve besluit hij zijn artikel met een vriendelijk, doch dringend verzoek aan de plattelander, om zijn houding tegenover de stedeling te herzien en hem ook in financieel opzicht tegemoet te komeii, om aldus in belangrijke mate tot de bloei van het culturele leven in ons land, bij te dragen. Uit één en ander blijkt, dat de schrijver wel degelijk bereid is, zich rekenschap te geven van sociaal-economische factoren, die mede oorzaak zijn van de ver-

vreemding van stad en platteland. Maar hij maakt zich daarbij schuldig aan eenzijdigheid en onvolledigheid. Het is klaarblijkelijk nog niet tot hem doorgedrongen, dat de stad gewoonlijk ten koste van het platteland groeide. Het gehate stelsel van loonklassen en standplaatsenclassificatie, dat nog steeds in de provincie kwaad bloed zet, brengt hij bijvoorbeeld niet te berde. Vlotweg constateert hij, „dat het nu eenmaal de stedeling is, die het platteland binnendringt (n.b. deze omschrijving van een vacantietrip, doet denken aan een tocht door de rimboe, het natuurlijke domein van inboorlingen) en niet omgekeerd.” Maar hij rept niet van de behoefte in gelijke mate aanwezig bij de plattelander om de culturele afzondering te doorbreken. Vele landgenoten konden zich voor de oorlog de luxe van een reis buitenslands permitteren en dan keek men niet op een dubbeltje. be schrijver is blijkbaar van mening, dat bij een vacantie in eigen land, schrielheid de plaats mag innemen van vrijgevigheid.

En tenslotte komt de plattelander zijn burgerschapsplichten op dezelfde voet na als de stedeling. Welnu, gelijke monniken, gelijke kappen, in casu, rechtsgelijkheid voor platteland en stad, zowel in economisch, sociaal als cultureel opzicht.

J. BANNING.