is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 43, 24-07-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

<Jen Heer behoort de aardej en haar I volheid. V Psalm 24 I V

fljd en Taah

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRISTELIJKE W E RK G Ehf E EN S C H A F

No. 43 Verschijnt 50 maal per jaar 46ste jaargang van de Blijde Wereld «

Redactie Prof. dr W. Banning Ds. J. J. Buskes Jr Ds L. H. Ruitenberg Mr G. E. V. Walsum Secr. der redactie: J. G. Bomhoff, Roerstraat 48 111 Tel. 24386

At) Uj vooTuitbet. v.j. fB. ham. f 4.25, kwart, f 2.30 vl. fO.IS inc. Lossenra f 0.15, Pasta. 21876. Gem.airo V 4500, Adm, N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, A’dam-C. %

OVER PROPAGANDASPEECHES

en nog wat

De opmerking heeft dezer dagen gestaan in een beschouwing over de kabinetsformatie, waarin de mogelijkheid werd overwogen of de heren Oud en Tilanus samen in één koets konden zitten met de mannen van de Partij van de Arbeid: „Ze hebben in de verkiezingsactie wel héél lelijke dingen van elkaar gezegd, maar dat was propaganda, en wordt vergeten, wanneer men maar eenmaal samen aan het werk is.” Ik zet daarnaast uitdrukkingen, die mijzelf en vermoedelijk ook anderen wel ontsnappen, wanneer wij de dikke en boze woorden der Russen over Amerika horen (of der Amerikanen over Rusland): „Nou ja, propaganda”. Ik konstateer aan dergelijke uitlatingen een merkwaardige devaluatie van het begrip „propaganda”. Er is een tijd geweest en die ligt nog niet zo lang achter ons dat propaganda in verband stond met persoonlijk verworven overtuiging, met bewogen toewijding, met belangrijke offers die vreugdevol gebracht werden voor een grote zaak. Eén van de gedichten van de jonge Troelstra heet „De propagandist”; daarin geeft hij uitdrukking aan de hoge adel van de propaganda: tussen vloek en bedreiging, „waar de honger wacht en de kerker gaapt”, zonder andere staf dan het eigen geweten, gaat de propagandist mee met het wassend leger der ontwaakten ! Is het verschijnsel der devaluatie alleen aanwezig op het terrein der politiek? of kom ik het ook tegen b.v. op dat van de godsdienst? Een dominee spreekt bij een begrafenis: hoe vaak denkt een buiten de kerk staand toehoorder: „Nou ja, hij als dominee, móet wel zo spreken”. In een kring van intellectuelen wordt over de situatie onzer kuituur gesproken; een dominee tracht duidelijk te maken, dat in een tijd als de onze de achtergronden openbaar worden zoals dat gebeurt in de apocalyptische stukken van de Bijbel. Waarop het vriendelijke antwoord van een technicus komt: „Ik begrijp wel, dat u als man van de kerk, dat wel zo zeggen moet ”

Welk verschijnsel treedt hier aan den dag? Als ik het ontdoe van allerlei narigheden en grofheden, die er natuurlijk ook aan verbonden zijn, zou ik het aidus willen formuleren: men is geneigd om aan te nemen, dat wó,t iemand verdedigt, niet de eigen persoonlijk verworven waarheid is, maar de door partij of kerk opgelegde. Daar komt heel gemakkelijk de verdenking bij soms ook openhartig door het publiek uitgesproken de „propagandisten” verkondigen hun „waarheid” ter wille van het baantje of de boterham; ze weten eigenlijk wel beter, maar ze moeten wel Propaganda heeft voor menigeen het kenmerk van het onpersoonlijke en het onwaarachtige.

Nu heeft het weinig zin en vermoedelijk een volkomen averechtse uitwerking, om een propaganda-redevoering af te steken voor de propaganda, en met klem van argumenten aan te praten, dat echte propaganda persoonlijk en waarachtig in énen is. Het heeft weinig zin, ten eerste omdat het de oorzaken die tot devaluatie leiden volkomen negeert, en ten tweede omdat het publiek dit soort verhalen toch niet slikt. Wat de oorzaken betrèft, twee opmerkingen. Zodra een beweging, die uit innerlijke protesten tegen maatscfhappelijke ontrechting gegroeid, een sterke en machtige organisatie wordt, een machtsfactor onder andere, treedt automatisch het verschijnsel van bureaukratisering op en gaan belang en machtspositie domineren over hunkering naar recht en bewogenheid die alles waagt. En verder: er wordt ons zóveel propaganda om en in de oren getoeterd, er wordt zóveel reclame gemaakt in onze massa-maatschappij, schreeuwende reclame en propaganda (die zich immers van de moderne reclame-apparaten bedient) horen nu eenmaal bij elkaar.

Wat dan? Moeten wij dan opgeven, dat ook nog persoonlijke en onbaatzuchtige waarheid meespreekt? Laat ons inzien, dat het schamper verzet tegen massa-propaganda, waar men niet intippelen wil, berust op

een hunkering naar het persoonlijke en waarachtige als zodanig reeds een factor van betekenis. Ik vind’t natuurlijk niet leuk, wanneer een jong student die in de knoop zit en met mij praat, op een ogenblik zegt: Nou ja, ddt moet u als man van de kerk wel zeggen En toch ben ik er blij om: want hij wil van mij iets anders, hij wil het persoonlijk doorleefde en innerlijk waarachtige, en reeds daarom alleen heeft hij mijn sympathie.

Daarmee ben ik dan meteen aan een wezenlijk punt, dat het sterkst geldt voor ons spreken over geestelijke dingen, maar ook over de politieke politiek is voor ons óók een geestelijke zaak, het gaat om een waarachtig menselijk leven het woord dat wij spreken, drage het kenmerk van het innerlijk doorleefde, en ga van mens tot mens. Dat is ook mogelijk in een massavergadering, als wij maar hardnekkig weigeren om te speculeren op applaus (de beste spreker op een massavergadering is hij, die nooit door applaus wordt onderbroken). Wij staan zowel in ons pi;eken in de kerk als in oris spreken in de politiek, in de eerste plaats in de solidariteit met de mens in zijn reële nood.

Een tweede eveneens wezenlijk punt lijkt mij het. innerlijk weten, dat de waarheid naar haar aard stil is, het lawaai schuwt, en zich alleen in eenzaamheid laat vinden. Het is een zinvolle „gewoonte” (ook wel iets meer dan gewoonte), dat een dominee, eer hij de kansel beklimt, zich in stil gebed buigt: eer hij de waarheid verkondigt, behoort hij haar in haar stille wezen te naderen, hdar te laten spreken tot zich, waarbij het menselijke-ai-te-menselijke worde uitgezuiverd. De theoloog zegt: de waarheid spreekt het zuiverst uit het bekeerde hart.

Elke persoonlijk doorstreden waarheid, ais zij tenminste de moeite waard is en op de waarlijk grote dingen des levens betrekking heeft, heeft ergens een mens gebroken en klein gemaakt, eer zij hem zegenen kon. Vraagt misschien de jonge generatie althans haar beste, meest bewuste deel ook dit van degenen die ais geestelijke en politieke leiders optreden, dat zij ergens een spoor dragen van de verdeemoediging, die het kenmerk der waarachtigheid is? Niet, dat daarover gesproken moet worden het tegendeel is waar. Maar een besef van eigen kleinheid tegenover de grote zaak die een mens dienen mag, geeft aan het spreken onbedoeld een teken der waarachtigheid. Het gevaar van de politiek is wei, dat de massa een vergroving en vereenvoudiging eist, waaraan de zedelijke grootheid van de politieke zaak schade lijdt. Des te belangrijker is het, dat zij gedragen wordt door zeTr velen, wie het karakter van persoonlijkheid en waarachtigheid gaat boven macht en belang.

W. B.