is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 45, 14-08-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De oorlog, die Hitler won

Zoals het in de etalage ligt, geen aantrekkelijk en opwekkend boek. Een zwarte omslag met grove witte letters er pp. Ook naar zijn inhoud is het allesbehalve aantrekkelijk en opwekkend. De vorm correspondeert op de inhoud. Het telt 417 bladzijden. Van de eerste tot de laatste bladzijde is alles zwart. Hitler heeft de oorlog gewonnen.

Maar dat is de geschiedenis van de oorlog, die. Hitler won, zijn oorlog tegen de 140 duizend Nederlandse Joden. Hij heeft kans gezien van deze 140 duizend er 110 duizend te vermoorden: „De deportatie der Joden leek eigenlijk geen' deportatie. Het was een bestuursmaatregel, organisatie van de arbeidsinzet. Het was moord.” (blz. 339). De Duitse emigrant Zuckmayer hoorde ik kortgeleden in München zeggen: wij moeten allen bereid zijn te vergeten, wat in de jaren, die achter ons liggen, gebeurd is! Hij bedoelde het niet zo kwaad. Maar in wezen is het kwaad, wat hij zei. Deze moord op 110 duizend Nederlandse Joden mogen wij niet vergeten. Niet vanwege het verleden, maar met het oog op de toekomst.

De journalisten Minkenhof en Heymans besloten in 1941 de geschiedenis van al wat de Joden in Nederland door Hitler werd aangedaan, te boek te stellen. Ze hebben van dat boek slechts het begin kunnen schrijven. Ook zij werden gedeporteerd. Hun vriend Wielek heeft hun werk voortgezet en voltooid.

Het boek eindigt met een nawoord van de uitgeefster, de Amsterdamse Boek- en Courantenmaatschappij: „Hier ligt dan het boek over de oorlog die Hitler won voor u. Een historisch document, geboren uit het leed zelf, dat het beschrijft. Wij dragen het eerbiedig op aan onze Joodse landgenoten, die van ons gingen.”

Men zou zich echter vergissen, indien men meende, dat dit een boek is, door Joden voor Joden geschreven. Het werd opgedragen aan de Joden, die vermoord werden en dood zijn, maar het werd geschreven voor alle niet-Joden, die leven. .

Een historisch document. Een gruwelijk stuk historie. Een zwart boek.

Een waarschuwing voor ons allen.

Toen ik het gelezen had, moest ik denken aan Bep Blok, het Rotterdamse meisje, dat ik in de bezettingstijd leerde kennen. Een rasecht Jodinnetje, zowel wat haar uiterlijk als haar geest betreft. Zij kwam in ons kleine kerkje in de Vriendenlaan. Onder de 250 kerkgangers zaten er een stuk of acht met een ster. Onder hen was Bep Blok. Haar vader speelde mee in het Philharmonisch Orkest. Bep was uitermate begaafd, muzikaal als haar vader, goed thuis in de Nederlandse literatuur. Zij geloofde in Jezus Christus. Toen begon de deportatie. Bep kwam bij mij en vroeg, of ik haar wilde dopen.

Er waren er, die dachten, dat zij door een doopbewijs aan de deportatie zouden ontkomen. Op de Zondagmorgen, waarop zij gedeporteerd werd, preekte ik over het woord van Paulus: „Heeft God dan Zijn volk verstoten? Dat zij verre, want ik ben ook een Israëliet”. Toen de dreiging acuut werd, had ik een onderduikadres voor haar. Zij weigerde: „Ik wil niet, dat de Joden denken, dat ik mij heb laten dopen, om aan

hun lot te ontkomen, ik heb mij laten dopen, om niet als een ongedoopte weggevoerd te worden.” Ik bezwoer met al wat in mij was, om onder te duiken. Zij aarzelde geen ogenblik en bleef bij haar voornemen: als een gedoopt Jodinnetje wilde zij met de niet-gedoopte Joden het lot der Joden ondergaan. Haar naam komt in het boek van Wielek niet voor. Maar zij behoort tot de 110 duizend, die door Hitler vermoord werden, maar alleen Bep Blok reeds, een onbekend en niet geteld Rotterdams Jodinnetje, doet me er aan twijfelen, of het waar is, dat Hitler de oorlog tegen de Joden gewonnen heeft. Niet alleen Bep Blok.

Op blz. 249 vertelt één van de schrijvers van dit zwarte boek over zijn moeder, een zestigjarige vrouw, die bij haar vertrek uit Westerbork naar Duitsland naar de gaskamers tot hem zegt: „Neen, mijn jongen, zij zullen mijn tranen niet zien, wees sterk, jij, en als je eens kinderen hebt, je moet kinderen hebben, jongen, prent in hun hoofd en hun harten, wat het volk de denkers en dichters heeft misdaan, en zeg hun, dat zij ons zó haten, omdat wij de Wetgever der wereld hebben voortgebracht, omdat uit ons midden Mozes is geboren. Daarom moeten wij van de aardbodem verdwijnen.”

Indien deze vrouw gelijk heeft, en zij heeft gelijk antisemitisme is haat tegen het oude volk vanwege Mozes en de Wet van Mozes en de God van Mozes, dan heeft Hitler ook deze oorlog verloren. Israël is het volk van de Thora. Een tijd later staat de zoon van deze moeder in de leeggeplunderde Amsterdamse Synagoge op het Jonas Daniël Meyerplein, in deze drie eeuwen oude sjoel. Het

is 9 October: Joum Kippoer. Hij staat midden in de sjoel, in zijn handen een grote Thorarol. Vergeeld perkament? Vergeten geboden? Vergeten, wat de Wetgever der wereld eens gezegd heeft? Daarom haten zij ons zo, deze woorden klinken hem weer in de oren (blz. 258 261).

De God van Mozes, de God van de Thora, is niet een God der doden, maar der levenden. In de hel der verschrikking, de Hollandsche Schouwburg, staat een jonge man eensklaps van zijn stoel op, werpt de vuisten omhoog en uit de diepte van zijn hart wringt zich de kreet los, de oeroude belijdenis van Israël: Hoor Israël, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is eeuwig (bl. 285). Zwart, gruwelijk, verschrikkelijk" wat in dat boek geschreven staat over Amsterdam, Westerbork en Vught, over Auschwitz, Birkenau, Bergen-Belsen en Theresiënstadt, maar tussen leven en dood blijft deze belijdenis door klinken.

Daarom haten zij de Joden zo, toen en nu en wie weet wanneer ook al zijn er duizenden Joden, die menen, dat de fundamenten van dit geloof, het geloof van Israël, hen niet kunnen dragen (blz. 343). Wij zijn het eens met Van Randwijk, die zegt: Het is een boek, dat in elk Nederlands gezin behoort en dat op onze scholen moet worden gelezen. Een boek om te vertellen, hoe het is, wie en wat wij zijn en weik samenlevingsprobleem wij hebben op te lossen aleer wij, hoe dan ook, van een humane, laat staan van een christelijke gemeenschap mogen spreken.”

De schrijver ontving naar aanieiding van dit boek een brief van een politiek delin-

De wereld spreekt

UIT FILMS

Ja en neen!

Dat een bepaalde mentaliteit welke heden ten dage velen heeft gegrepen, uit het gros der hedendaagse films spreekt, valt niet te ioochenen. Deze mentaliteit is het dan die de arme film-producers volgens hun zeggen— noodzaakt surrogaat-achtige en verdoezelende, cliché-achtige en banale rolprenten op de markt te werpen. U kent het liedje: door dit soort massaal vermaak wordt de mentaliteit dier massa nog infantieler. Tot hun leedwezen moeten de koningen der droomfabrieken „dus” nóg kinderachtiger maaksels laten vervaar-

digen. De invloed hiervan op het publiek is van dien aard, dat uiteindelijk het gehalte der rolprenten steeds maar lager „moet” worden. Veel films moeten zien, om op de hoogte van de iaagte te kunnen blijven, is heus niet plezierig. Heel wat jaren geleden kon je je tenminste verheugen, wanneer je naar een Russische film ging kijken; na de grote ommekeer ook op cinematografisch gebied is het met dit genoegen afgelopen. Enkele jaren geleden bezocht je met grote verwachtingen Franse films. Carné c.s. hebben naar we hopen, niet voorgoed die