is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 46, 1948, no 46, 21-08-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

/

Welke hunkering, anders dan die naar een waarachtig menselijke gemeenschap, een gemeenschap dus waarin de ene mens de ander als makker ontmoet, leeft er achter ons socialisme? Wat drijft ons, bij onze voortdurende confrontatie van socialisme en Evangelie, anders dan de verwachting, de zekerheid, het geloof, dat aan deze ontmoeting de zuiverste gemeenschap vormende krachten ontspringen? Wij hebben ons als socialisten solidair verklaard met hen, die uit het onrecht der maatschappelijke verhoudingen de strijd aanbonden voor een nieuwe sociale orde, en wij menen dat dit zedelijk motief geworteld is in onze Joods-Christelijke traditie. Tot het Evangelie behoort voor ons óók het openbaar worden van die krachten, die ware gemeenschap stichten op aarde.

Als dit zo is, dan mogen wij uit onze kring de diepst meelevende aandacht vragen voor het Congres van de Wereldraad der Kerken, dat de komende week in Amsterdam een aanvang neemt. Om deze stelling, deze verwachting aannemelijk te maken, geef ik enkele leidende gedachten weer uit het Rapport, dat handelt over de Kerk en de maatschappelijke vraagstukken en ik vraag aan onze lezers of zij daarin niet iets van zichzelf herkennen. Ziehier dan: (zal ik ze gemakshalve maar nummeren?) Stelling I: de confheten die onze wereld dreigen te verscheuren, zijn een gevolg van de onmacht en de onwil van mensen en volken om echte gemeenschap tot stand te brengen en de gerechtigheid toe te passen onder de omstandigheden, die de technische beschaving heeft geschapen. De groei van het industrialisme heeft binnen de volken de overgeleverde en organische vormen van gemeenschap vernietigd. Het heeft door zijn uitbreiding over de gehele wereld, in de vormen van imperialisme en exploitatie van de continenten van Azië en Afrika het zaad voor conflicten gezaaid op het internationale terrein. Stelling II: er duiken drie kernvragen op, wanneer men de moderne maatschappij die met haar wetenschap en techniek uit is op wereldexploitatie van de kant van de mens benadert; tt. als de mensheid al haar aandacht werpt op wetenschap en techniek, zonder te vragen waartoe dat dient en waartoe dat misbruikt wordt, worden wij dan niet blind voor de diepere kanten van het leven, en medeschuldig aan het kwaad, dat ons ten verderve voert? ö. Komen wij er wel uit met beheersen en organiseren alleen, waarbij de mens alleen maar aan zich onderwerpt, zonder zich bewust te maken, dat hem vragen worden gesteld, waarop hij met zijn verantwoordelijkheid (iets anders dan wil en verstand) heeft te antwoorden? c. Komen wij ooit tot de aanvaarding van zin in het leven, zonder de erkenning van een waarheid, gerechtigheid en liefde, die wij zelf niet maken, maar die ons bindt? Stelling III: de Kerk van heden is te zwak voor haar taak tegenover de moderne wereld: a. omdat zij gebonden is aan oude vormen en gedachten; ö. omdat zij te veel met de bestaande maatschappij is vergroeid; c. omdat ook in haar het waarachtige gemeenschapsleven, waarin de mens de medemens een broeder is, ontbreekt. Ik zou met het citeren van een aantal stellingen een tijdje kunnen doorgaan; er ligt een leidraad voor me, waarin een 36-tal zijn samengevat. Maar het is dunkt mij genoeg voor het eigenaardige gezelschap van

Tijd en Taak-lezers aannemelijk te maken, dat hier lets aan de hand Is, dat óók ons, dat speciaal ons raakt.

Nu mene men niet, dat het alles toch weer op de bekende „oplossingen” of declamaties uitloopt. Ik heb het voorrecht gehad, om In de commissie, die de sociale problematiek bestudeerde, mee te werken. Wat mij sterk getroffen heeft, Is vooral geweest het besef van deemoed. Zeker, élke sterke overtuiging brengt een zekerheid mee, waartoe een mens ook telkens weer terugkeert, waarvan hij ook telkens weer „getuigt” dat doet ook wie alleen maar zeker Is van zijn onzekerheid. Maar geloofsovertuiging betekent niet, dat men niet voortdurend met de actuele vraagstukken worstelt en vurig, In angst en beven, In strijd en gebed, naar een oplossing zoekt, die men niet heeft. Ik heb neiging om te zeggen: hoe realistischer een mens wordt waarmee Ik bedoel: hoe meer men de werkelijkheid der maatschappij kent en laat gelden des te bescheidener wordt hij In de concrete gevallen. In het rapport der Kerken wordt, althans voor zover Ik zie, geen hoogmoedige houding aangenomen van: wij zullen het die van God afgevallen wereld wel es even zeggen, want wij hebben de recepten. Het tegendeel Is waar. Wel klinkt overal doorheen de dlep-ernstlge wekroep tot de eigen kerkleden: geef u niet over aan zelfverzekerdheid, maar bekeert u tot een nieuw gemeenschapsleven, laat eerst uzelf genezen...

Voor Nederland komt daar nog een overweging bij. In een der stukken wordt met nadruk gesteld: dat de verstarde posities tussen Christendom en Marxisme moeten worden herzien, en het wereldconflict tus-

sen belde op een andere wijze moet worden opgelost dan door oorlog. Het Is een van de stellingen, die wij graag In vlammende letters voor een groot deel van het Nederlandse kerkvolk (c.-h. en a.-r. met name) zouden plaatsen: Let wel: zo spreken geen doorgebroken dominees In Nederland, die men gemakkelijk als politieke zonderlingen of warhoofden kan voorstellen zo wordt het door een commissie van Internationale chrlsten-theologen aan de Wereldkerk aan het hart gelegd. Het komt mij voor, dat degenen, die In Nederland van de Kerk uit hebben geworsteld om de „doorbraak” waarbij het waarlijk om meer dan politiek ging! een diepe bemoediging kunnen putten uit de aan de vergadering der kerken aangeboden studies. Wat hén bewoog de Innerlijke verontrusting om de verstarring, waarin het levend Evangelie bevangen was, de wezenlijke onmacht om met de nlet-Chrlstelijke, de antl-Chrlstelijke In contact te komen blijkt óók een motief te zijn In de wereldkerk.

Of het socialisme In de wereld aandacht zal hebben, voor wat In Amsterdam gaat gebeuren? Er Is één zeer gerechtvaardigde vrees: dat onder de veelheid van gedrukte en gesproken woorden het wezenlijke begraven wordt. Wereldcongressen brengen onvermijdelijk rompslomp mee. Straks na maanden wellicht zullen wij ons opnieuw moeten buigen over de nu komenden dingen, om het wezenlijk vast te houden. En nü zullen wij ons moeten buigen: opdat niet In mensenwoorden het stille, manende, brandende woord van, God verloren ga. Ook daarom, daarom vooral: Harten open! Het gaat om de waarlijk beslissende dingen van ons leven. W. B.

Herinneringen aan de vooravond hl

Laat mij, vlak voor het begin van de Assembly, u enige herinneringen medelen. Straks zal alle aandacht geconcentreerd zijn op wat er gebeurt daar In Amsterdam. Dan zullen wij met open monden fraai geklede kerkvorsten aanschouwen en uitspraken horen In een aanvankelijk verwarrende hoeveelheid. Maar nu, nog In de voorbereidingstijd, als het ware bij wijze van aanloop, mag Ik mijzelf af vragen, welke persoonlijke bindingen Ik met dit alles In het verleden had en op welke wijze het mij vormde.

De eerste maal, dat Ik lets over de oecumenische beweging hoorde, was In mijn studententijd. Het moet In 1928 zijn geweest. Dr V. Holk hield een lezing over Stockholm en Lausanne. „Stockholm”, bijeengeroepen In 1925 door aartsbisschop Söderblom, om als kerken een gemeenschappelijk woord te spreken over de toenmalige na-oorlogse situatie, om over het „leven en werken” uitspraken te doen, had lets van het eenheidsverlangen onder de kerken getoond. De smaad, dat zij In 1914 de oorlogsramp niet hadden kunnen verhinderen, was daarmee niet weggewist, maar de kerken bleken toch lets geleerd te hebben: er was openheid gekomen en over een aantal zedelijke fundamenten was gesproken.

„Lausanne”, twee jaar later, had de vraag gesteld naar de dogmatische verschillen en naar het uitzicht op eenheid. Daar was alles veel stroever gegaan, daar bleek een hardnekkigheid, die modernen moeilijk kunnen begrijpen. Uit wat dr v. Holk toen zei, herinner Ik mij, dat hij „Lausanne” een achteruitgang vond bij „Stockholm”. Mijn aandacht was In leder geval op dit gebeuren gevestigd. Je wist: er gebeurt wat In de kerken. Dat weten was nodig, als je theologie studeerde en predikant wou worden. En nog wel predikant In een kerk, die In meerderheid orthodox was. Orthodox betekende toen voor ons: conservatief, erg kleln-burgerlljk óf erg deftig, agresslefvroom of jongleren met beginselen. En het betekende In leder geval chrlstelljk-hlstorlsch, d.w.z. tegen maatschappelijke vernieuwingen, antl-soclallstlsch. Gelukkig zou je als vrijzinnige daar niet zoveel mee te maken krijgen, maar het kon bij tijden toch lastig zijn.

Nu hoorde je, dat in de kerken over de gehele wereld althans op maatschappelijkzedelljk gebied andere klanken klonken. Dat sterkte je bij je voorbereiding tot het ambt In die wonderlijke Hervormde kerk. Drie jaar later, het was In de tijd, toen wij het In de V.C.S.B. erg druk hadden met