is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 4, 16-10-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c&ezustmd oi ótzl/dbaaz?

Ditmaal geef ik eerst het woord aan een briefschrijver, die zichzelf „theoretisch” tot de ongelovigen rekent, maar gaarne en dankbaar samenwerkt met een protestants-christen, die een vriend van hem is geworden wat hen samenbrengt is „het onweerstaanbaar verlangen om te stuwen naar een vernieuwde samenleving.”

Ziehier dan de vraag, die hij mij voorlegt: „Hoe is het mogelijk te veronderstellen dat een overgave aan de Geest en de Wil van God, tot gevolg kan hebben dat de verlammende geestelijke moeheid wordt overwonnen en een nieuwe strijdbaarheid zal ontstaan.

Zullen niet velen door deze overgave tot een berusting komen in plaats van tot een revolutionnair élan. Vele vrienden van mij zijn overtuigde christenen. Sommigen putten uit hun geloofsovertuiging de kracht voor de strijd voor het democratisch-socialisme, anderen blijven kleinburgerlijke conservatieve mensjes.”

Laat ik trachten, mijn briefschrijver het volle pond te geven. Om te beginnen: het interesseert mij maar matig of iemand zich „theoretisch” tot de ongelovigen rekent evenzeer als ik slechts geringe belangstelling heb voor richtingsetiketten. De socialistische beweging heeft mij duilijk gemaakt ■— zij trouwens niet alleen dat het doen van de wil van God óók gebeuren kan door wie Hem niet willen erkennen; terwijl omgekeerd de Kerk en de christenen in het algemeen volstrekt niet het privilege bezitten van het doen van des Eeuwigen wil.

Het is een telkens weer in de Bijbel weerkerende gedachte en een telkens weer door de ervaring bevestigd feit: dat God

Zijn dienaren kiest naar eigen vrijmachtige keuze; ook uit heidenen en ongelovigen, en de „theorie” die mensen er op na houden, zegt niet zo bijster veel.

Daarmee heb ik mijn briefschrijver toegegeven het wordt overigens van de daken duidelijk genoeg geroepen dat heel dat „geloof” neerkomt op slappe berusting en gezapige tevredenheid of een gemakkelijk dulden van ontoelaatbaar onrecht. Maar daarmee is naar mijn mening volstrekt niet aangetast wat ik heb bedoeld. Ik mag mijn briefschrijver vragen, om zich eens te verdiepen in het door mij gebruikte woord: „overgave” is het wel zó vanzelfsprekend, om dat zonder meer te vertalen met „berusting”? Als ik zoek naar levende mensen uit de Bijbel, om duidelijk te maken wat overgave heeft betekend niet in de theorie, maar in het leven dan komen de beelden in machtige rij op mij af: Mozes, die als hij geroepen wordt bij het brandende braambos om zijn volk te bevrijden uit onderdrukking, niet wil, niet durft, niet kan: de opdracht is waanzinnig groot voor een mens, en hij wil afschuiven maar er is een Wil machtiger dan zijn angst en kleinmoedigheid, en als hij tot „overgave” komt, dan wordt hij de Leider des volks in de kracht van zijn God. Jesaja, die zichzelf als onwaardige terneerwerpt, wanneer de Heiligheid van God hem wordt getoond, en dan wordt met de vurige kool uit de hemel hem de onreinheid uitgebrand uit zijn hart als hij komt tot „overgave” aan de heilige Wil, dan wordt hij de vlammende profeet van het oude volk. Als Christus in het smartelijk uur van Gethsemané eigen wil leert voegen

naar des Vaders wil en dat is het wezen der „overgave” dan is dat als het ware de laatste wijding tot het kruis, tot het hoogste offer en de hoogste daad. Zó meen ik, moet het woord overgave worden verstaan, althans: zo wordt het in het leven van de Bijbelse figuren geleefd.

Natuurlijk: ook hier is het bederf van het beste het slechtste.

Het is mij niet onbekend, dat een verburgerlijkt, een door kapitalistische geest beheerste kerkelijkheid in de 19e eeuw aan de arbeiders heeft verteld, dat de standen door God waren gewild en de arbeider had te berusten in de raad Gods, die voor hem nü armoede maar straks in de hemel zaligheid betekende zoals het mij evenmin is ontgaan, dat er in de christelijke arbeidersbeweging hevig gestreden is om het stakingsrecht van de arbeiders aanvaard te krijgen. Ik behoef dit alles niet meer op te halen. Evenmin de verwording van de waarachtige heilige geest tot sentimentele streling van eigen ikjes al moet ik er bij zeggen, dat het blijkbaar héél wat vlotter gaat om deze verwording te zien in bewegingen van het verleden dan ze te herkennen in dierbare deftigheden van vandaag. Laat ons blijven bij het positieve. Dan zeg ik op grond van wat ik zie in het leven van de grote godsdienstige figuren van vroeger en nu —: overgave aan de Geest en de Wil van God betekent steeds twee dingen. Ten eerste: een weten, dat deze heilige Wil verwerkelijkt moet worden op aarde, onder mensen, in de sociale verhoudingen, in het nationale leven, in de samenleving der volkeren, óók in het gezin en in de directe verhouding van mens tot mens, dus ook dóór mensen, die tot strijdbaarheid en daad worden opgeroepen. Ten tweede: een diep en verstild weten, dat „het” het waarachtige heil niet afhangt van onze menselijke activiteit, maar geborgen is bij God. Niet in mensenhanden rust het heil der wereld, ook niet de naaste toekomst; het verstilde weten der overgave zegt: Goddank niet, want wat zou er dan van worden! Hier versta ik tevens, hoe deze verstilling een innerlijke vreugde betekent, die ook door het zien van leed, misdaad, onrecht, zonde niet wordt vernietigd.

Deze twee momenten hangen innerlijk met elkaar samen; in de zuivere godsdienstige overgave is het ene nooit zonder het andere. Daarom kan de levenshouding van de godsdienstige mens aldus worden samengevat: hij werkt en strijdt in opdracht alsof het van zijn toewijding afhangt, maar hij weet dat in diepste grond zijn toewijding, menselijk als zij is, niet het heil brengen kan dit is alleen in handen van God.

Hartelijk hoop ik, dat zij die als woordvoerders der jongere generatie pleiten voor: „juist idealen!” zich nog eens in de boven ontwikkelde gedachte willen indenken. Godsdienstige overgave is strijdbaar, en heeft als zodanig ook „idealen” maar als zij wezenlijk overgave aan God is, weet zij, dat óók menselijke idealen menselijk zijn en niet de leiding der wereld bepalen. Wij hebben ook onze idealen over te geven.

W. B.

ren, die gehoorzaamden, waren daar voor zich zelf van overtuigd. Zij waren er evenzeer allen voor zichzelf van overtuigd, dat ook voor de kapitein, die het bevel gaf, het afbranden een représaillemaatregel was. De verdediger van de sergeant, een militair, heeft de Krijgsraad op dit feit gewezen en gezegd, dat zo nodig getuigen konden worden opgeroepen, maar deze getuigen zijn niet opgeroepen.

De vlootpredikant, die alles meemaakte, is eveneens overtuigd, dat het afbranden niet alleen als représaillemaatregel werd -opgevat, maar ook als zodanig werd bedoeld en dat dus niet de veronderstelling van de drie militairen, maar die van Krijgsraad en Hoog Militair Gerechtshof onjuist is, dat dus alleen achteraf over militaire noodzaak wordt gesproken. Hij is bereid, zijn overtuiging te motiveren en te verdedigen.

Er zijn meer gegevens, op grond waarvan wij achter de militaire noodzaak een vraagteken zetten en die wij zo nodig bekend zullen maken.

Voor ons staat vast, dat van représaille moet worden gesproken.

Maar ook wanneer dit niet het geval zou zijn, stonden de zaken zo, dat de militairen niet anders konden veronderstellen, dan dat de kampong bij wijze van représaille moest worden afgebrand.

Wegen gewetensbezwaren dan zo weinig, dat er over gesproken kan worden op de

toch wel wat al te denigrerende wijze, waarop Krijgsraad en Hoog Militair Gerechtshof er over spreken?

Zij spreken van „funeste ideeën” en „verkeerde militaire opvattingen”, „onwettige en ongefundeerde gewetensbezwaren en aanverwante termen” en „een eigenaardige lust tot critiek op een militair bevel”.

Denkt men nu waarlijk, dat deze beroepsmilitairen voor de aardigheid weigerden een bevel te gehoorzamen? Zegt het dan niets, dat één van hen een overtuigd lid van de Gereformeerde Kerk is? Waarom stelt men niet ernstig de vraag, wat deze mannen, die nooit weigerden een bevel te gehoorzamen, er toe drong, het in dit éne geval wel te doen?

En zo kunnen wij voortgaan met vragen, vragen, die wij onmogelijk kunnen onderdrukken, die gesteld moeten worden en die alle een ongewilde bevestiging zijn van Bannings woorden: een volk lijdt onder een kwaad geweten.

En wat de drie militairen betreft, wordt het geen tijd, dat wij ook eens ernstig rekening houden met het woord van Luther, dat het niet geraden is, iets tegen het geweten te doen?

Een volk, dat op de vlotte wijze, waarop Krijgsraad en Hoog Militair Gerechtshof dat doen, met gewetensbezwaren omspringt, is op een gevaarlijke en noodlottige weg. J. J. BUSKES Jr.