is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 5, 23-10-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AAPJES DE HEIDEN

OF: DE BODEM VAN DE HOORN DES OVERVLOEDS

üertus t^afjes: Het Koningsgraf

Uitgeverij: J. 'Amsterdam 1948. f 4.73, f 6.30

In het voorjaar van 1947 vertrok de dichter Aafjes naar Egypte, volgens de verklaring van zijn bewonderaars om zich daar tot een nieuw meesterwerk te laten inspireren. Enkele maanden later hoorde men van een bundel sonnetten Het Koningsgraf, en thans ligt het boek voor ons, blijkens het colophon geschreven „te Cairo tussen 25 Maart en 1 Mei 1947”; honderd-en-één sonnetten.

Zoiets is alleen mogelijk als de auteur óf ongelofelijk begaafd is óf een onvervaard rijmelaar, die zijn sonnetten aan de lopende band vervaardigt, óf... Het lijkt mij, dat met betrekking tot het Koningsgraf nog iets anders het geval is. Ik zou veronderstellen, dat een bepaalde poëtische „inhoud” a.h.w. bij de dichter heeft klaargelegen, en intuïtief heeft hij gevoeld, dat hij aan die inhoud pas zou kunnen toekomen, dat deze eerst voldoende reëel en tastbaar zou worden door een poëtische vormgeving, wanneer de omstandigheden hem volkomen terugdreven op zichzelf. Die voorwaarde wordt vervuld door een vreemd land, een vreemd klimaat, een imponerende maar volkomen on-Westerse cultuur, en scheiding van alles wat iemand in de eigen omgeving lief en vertrouwd is.

Het Egyptische element is dan ook in de bundel eigenlijk niet zo erg sterk, het levert eerder de stoffering dan datgene, wat voor het boek wezenlijk is. Ik stel mij voor, dat Griekenland, Noorwegen of Mexico op de dichter een niet zoveel andere invloed zouden hebben gehad. Dit houdt geen critiek in; het is hoogstens een waarschuwing aan de bescheiden lezer, om zich door een enkel

oud-Egyptisch onderwerp en door de pyramide in de étalage van de boekhandelaar niet te laten af schrikken: het lóópt niet zo’n vaart.

Wanneer men zich Aafjes terecht meest populaire werk „Een voetreis naar Rome”, herinnert (en het akelige déraillement, dat Maria Sibylla Merian heette, maar zo gauw mogelijk vergeet), dan ziet men daar de dichter op reis van het klooster naar het antieke Rome, van een kuise discipline naar een weelderige aardsheid, van de aspiraties der ziel naar de vreugde van de zinnen. Hij heeft zijn vroeger christendom achter zich gelaten, en is op zoek naar iets, wat niet het botte nihilisme van de 20e eeuw is, maar een argeloos genietend, onproblematisch, en tegelijk zijn verfijnde dichterlijke behoeften bevredigend heidendom. lets wat zo sappig en smakelijk en eenvoudig is als een rijpe peer, en even weinig complicaties meebrengt.

Wie dit zoeken in zijn eerlijkheid verstond, had dunkt mij weinig aanleiding om verontwaardigd te zijn. Maar wel kon men het hoofd schudden, en op grond van eigen ervaring of levensovertuiging uitspreken, dat deze expeditie gedoemd was een mislukking te worden, omdat de aarde eenmaal geen vindplaats is voor dit onvertroebelde, schaduwloze heidense geluk.

De nieuwe bundel van Aafjes bevestigt dit inzicht op een wijze, die even verrassend als vanzelfsprekend is. Ik herinner mij, hoe iemand, die op meer mensenkennis kon bogen dan ik, eens sprak van „de typische melancholie van zeer sensuele naturen.” Aafjes is ongetwijfeld een zeer sensuele

natuur, en het is deze melancholie, die in deze bundel (trouwens niet voor het eerst) in volle kracht is doorgebroken.

Het is eigenlijk zo eenvoudig: men erkent in zijn leven niets dan het concrete, het stoffelijke, datgene wat met de zintuigen kan worden waargenomen en genoten. Dus geen geestelijk streven, dat geestelijke mislukkingen zou kunnen meebrengen, geen zorg om de toekomst, want die is niet concreet, geen wanhopige vraag naar de zin van het leven, geen schuld tegenover degenen, die men het meest lief heeft, geen lafheid en laagheid in het eigen hart. Alleen maar het lichaam, de zichtbare schoonheid, de vruchtbaarheid van de aarde, het genot. Gemakkelijk en prettig? Jawel, maar als die nu eens óp zijn?

Aafjes dus van mooie dingen, is zo gelukkig geweest een vrouw te vinden die voor hem het ideaal is, en verder laat hij fiolen zorgen. De eerste ervaring in Egypte blijkt nu, dat de mooie dingen hem eigenlijk geen genot bezorgen, nu hij haar niet bij zich heeft. De tweede, dat hij haar elke dag en steeds pijnlijker gaat missen. De derde dat hij went aan zijn gemis, en zich eigenlijk niet meer geheel kan voorstellen hoe het was toen zij samen gelukkig waren. Het is of er iets afsterft, dat een deel was van hemzelf. Het is of hij steeds armer wordt, kaler, leger, steeds minder voelt hij het leven in zichzelf aanwezig, en steeds groter wordt die holle zwarte ruimte, die wordt ingenomen door de Dood.

Dan is het of er met een schok een nieuw inzicht in hem doorbreekt, gruwelijk en onontkoombaar, en tientallen verzen lang houdt hij zich met niets anders bezig; buiten de aarde is er alleen het Niet. Voor zo-

maar waarvan we weten, dat ze historisch lange tijd ik mag wel zeggen vanaf de tijd waar het Oude Testament van verhaalt, is toegepast en als rechtvaardig erkend. Nu zouden wij de militaire rechtbanken in alle bescheidenheid willen voorhouden, dat er ook een ontwikkeling is in het zedelijk oordeel. Wat in de tijd van J. P. Coen blijkbaar geoorloofd was, werd reeds door van Heutz men leze er zijn levensbeschrijving van J. C. Lamster maar eens op na als ondoelmatig veroordeeld. Wij gaan verder en menen, dat represaille zelfs zedelijk ongeoorloofd is. Ik verwacht dat het antwoord aan de vragenstellers zal zijn, dat het bevel niet klaarblijkelijk in strijd was „met het Nederlandse recht daaronder begrepen het Nederlands-Indische recht of met het volkenrecht” zie vraag 2 van onze Kamerleden en ik heb de indruk dat het antwoord formeel wel in orde zal zijn, maar dan begint het debat pas! Men zal dan moeten constateren dat er een afgrond gaapt tussen het Nederlands rechtsgevoel en het geschreven militair recht.

Wie zoals de beklaagden tussen deze twee tegenstrijdige machten ingeklemd raakt: het spontane zedelijke, christelijke rechtsgevoel van nü en de verouderde militaire opvattingen, is diep te beklagen. Ja, we staan hier voor een tragisch conflict niet

ongelijk aan dat van de Griekse heldin Antigone, die tegen het wetsvoorschrift van koning Creon haar zusterlijk gevoel liet spreken en toch haar broeder begraven ging. De rechters, aan wier integriteit wij niet tornen willen, hebben zich o.i. ten onrechte beroepen op de militaire traditie die verouderd is. Maar wat erger is: zij zagen niet hoe het zgn. toetsingsrecht van hem, die een militair bevel ontvangt, het recht, dat iedere mens moet hebben om op eigen risico een bevel van zijn wettige overheid te toetsen aan de uitspraak van zijn ge weten,de enige redding is, waardoor wij burgers het militair beroep als zedelijk hoogstaand kunnen erkennen. Ik wil wel bekennen, dat als blijken zou, dat dit recht niet bestaat (maar het bestaat!), ik op dezelfde dag antimilitarist zou worden.

Ten slotte: het is niet om aan sommige mensen onaangenaam te zijn, maar ik kan niet nalaten op te merken, dat ik nimmer vernomen heb, dat ook politie represaillemaatregelen mag treffen. Het lijkt me in elk geval het dubieus voorrecht van een leger tegenover vijanden. Maar, mijne Heren, dit zijn toch alles uitvloeisels van een politionele actie? En wat heeft men enkele mensen niet verketterd, die beweerden dat het doodgewoon een smerige oor-

log zou worden! J. G. BOMHOFF.

Grafwaarts is de weg

Grafwaarts is de weg ons toegewezen, Sinds de schoot zich opent voor de mens: Uit een nietig zaad omhooggerezen, Gaan wij Moeien met de dood als grens.

Met de dood als spijs en drank der zinnen. Met de dood als eindelijke vrucht. Met in al ons haten en beminnen Reeds een eerste zweem van stervenszucht.

Gieren, die de hemel hier bezetten En versperren met hun trage nijd.

Spannen als in koorts hun zwarte netten, Wapprend tussen tijd en eeuwigheid; En hun snavels slaan, hun ogen blinken. Als wij stervende aarde zinken. B. AAFJES Uit: Het Koningsgraf.

Blauwe Morgenaether

Blauwe morgenaether, wees gegroet,^ Gij staat rond mij in de dag gesponnen. Maar gij zijt ook in mijzelf begonnen. En ik word met u als melk gevoed.

Gieren in het blauw, weest niet vervloekt; Zoekt uw buit. Ik zal u niet verachten. Ik beaam nu alles. Ook de krachten Der vernietiging die voortgang zoekt.

Nieuwe dag, ik wil nog enkel wezen Van de adem van uw mond door drenkt, Uit dezelfde horizon gerezen

Waaruit gij het licht der aarde schenkt; Klein en naakt, een zon, een haastig vuur. Een uw schoot ontstegen creatuur. B. AAFJES Uit: Het Koningsgraf.