is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1948, no 13, 18-12-1948

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZT»T-

Het zou te gek zijn om te zeggen, dat feestvieren een kunst is. Dan zou het feest een te opzettelijk karakter krijgen en het zou een dergelijke verfijnde smaak veronderstellen, dat slechts weinigen aan het feest toekwamen. Het feest moet in zijn karakter iets bewaren van het spontane en niet overwoekerd worden door het gekunstelde. Helaas echter verstaat men dit spontane karakter van het feest verkeerd, wanneer men plompverloren gaat feestvieren; dit gebeurt tegenwoordig nogal eens en dit is één van de zorgwekkende verschijnselen van een na-oorlogse wereld. Menigeen huldigt de mening, dat met het goedgevulde glas de feeststemming in principe reeds gegeven is. Hoe minder voorbereiding, hoe minder moeite, des te meer barst de feestvreugde los, wanneer wij eenmaal bij elkaar zijn, meent men. Wat een vergis-

sing! Is er ooit een goed feest gevierd, waarbij iedere voorbereiding achterwege bleef? Wat is van het St. Nicolaas-feest het prettigst, de voorbereiding of de avond zelf? En hoe kan men Kerstmis vieren, wanneer daaraan niet een tijd van verwachten is voorafgegaan? In de kerk heeft men de gewoonte om vier Zondagen aan advent te „.wij den en dit is werkelijk niet overdreven.

De grootste armoede van de moderne mens is zijn leven zonder verwachting. Er is een tijd geweest, dat men de geestelijke staat van de mens, of zo men wil: zijn wereldbeschouwing, trachtte aan te geven met een woord als „idealisme”; wie vooral de twee zijden van het leven zag, was geneigd de optimistische tegenover de pessimistische wereldbeschouwing te plaatsen. Maar het is, of al deze woorden hun kracht verloren hebben. Idealisme, optimisme, pessimisme, het zegt niets meer, wanneer wij het karakter van de moderne mens trachten aan te duiden. Maar wel is het een algemene trek, dat hij verwachtingloos in deze wereld staat; hij wacht maar af, wat er gebeurt en schikt zich aldus onder de

heerschappij van het lot. De moderne mens is als een voorwerp, dat op de stroom wordt meegevoerd en voortdrijft, totdat hij ergens komt vast te zitten. Dan spoelen de golven en de golfjes tegen hem aan en het einde is, dat hij kapot gaat. Alles gaat kapot, zegt de moderne mens, waarom ik niet?

De verwachting echter spreekt van de bruidegom, die komende is. Er is geen waarachtige blijdschap, er is ook geen waarachtig feest, wanneer de gestalte van de bruidegom niet ergens zichtbaar wordt. Deze bruidegom is geen sprookjesprins, die zich in het zachte maanlicht over zijn geliefde buigt. Hij is de bloedende mens, die zijn liefde tot de wereld met zijn leven betaald heeft. Deze bruidegom kan men slechts op één wijze waardig ontvangen, men moet hem tegemoet gaan. Men moet zijn hart voor hem openstellen, want hij verdient meer dan iemand welkom te worden geheten. Hij klopt aan de deur van ons hart, hij staat ook aan de deur van de „wereldtijden” en hij viert in de dood met ons het feest der eeuwigheid.

A. F. L. VAN DIJK.

DE RECHTEN VAN DE

De dagbladen hebben ons bericht, dat de Vergadering der Verenigde Naties plechtig een nieuwe „Verklaring van de rechten van de mens” heeft aangenomen. Een nauwkeurige laatste tekst heb ik nog niet in mijn bezit; toch is er wel zoveel van bekend geworden, dat wij ons een voorlopig oordeel kimnen vormen de zaak is er belangrijk genoeg voor.

Er moge aanleiding te over zijn voor reserves, vraagtekens, zeer sterke tempering van verwachtingen daarover aanstonds toch zou het een miskenning van geestelijke krachten in het heden zijn, indien men een dergelijke verklaring met niet anders dan twijfel, spot of hoon ontving. Ik denk terug aan het einde der 18e eeuw: toen eerst enkele Amerikaanse staten en daarna het Frankrijk der revolutie hun „Verklaringen van de rechtten van de mens en de burger” de wereld inzonden, was dat een daad. Van de Amerikanen, die voor een niet gering deel afstamden van Europanen, die om der wille van geloofs- en gewetensvrijheid de oceaan waren overgestoken en de pioniers der nieuwe wereld waren geworden, was het uitdrukking van hun wil om in het nieuwe vaderland dat onrecht uit te bannen, waaronder hun voorvaderen in het oude hadden geleden. Van de Fransen, die stonden midden in een geweldige revolutionnaire afrekening met het Ancien Régime, was het een daad, omdat zij de grondslagen van zedelijke en politieke aard formuleerden, waarop zij een nieuwe gemeenschap des volks wilden bouwen. Mén kan schamper en bitter vragen: of dan het verloop der revolutie zelf met al haar bloed en terreur van deze ver-

klaring geen aanfluiting is geweest; men kan vragen, of de Amerikanen de negers wel ooit als mensen hebben beschouwd, en of het dan geen huichelarij is geweest. De vragen hebben hun recht, ik zal het geen ogenblik ontkennen. Nochtans: de verklaringen van 1776 en 1789 waren een daad, uiting van een verontrusting cm geschonden menselijkheid. En terecht is daarop in de loop der 19e eeuw op terug gegrepen, wanneer nieuw onrecht de mens vernederde. En nu 1948? Wij behoeven er niet meer aan te herinneren, welke misdadige schending van menselijkheid deze generaties moesten zien, noch aan de mogelijkheden van een nieuwe vertreding dezer Rechten in een derde oorlog. Maar zij, die zich hartstochtelijk voor deze nieuwe „Verklaring” hebben ingespannen de weduwe van president Roosevelt voorop werden gedreven óók door een innerlijke verontrusting om misdaad, tyrannie, verkrachting van menselijkheid; en het is een daad van enige betekenis, dat 48 landen vóór hebben gestemd.

Eerst wanneer ik dit onomwonden en zonder reserve heb uitgesproken, kan er alle ruimte zijn voor twijfel, bezwaren en critiek. Er is reden voor de opmerking: laat Amerika nu zijn negervraagstuk maar eens oplossen. Men kan zeggen: wat betekenen plechtig aanvaarde zedelijke beginselen tegenover een atoombom? lemand kan schouderophalend spotten: merk je er iets van, dat de politieke spanningen in de wereld er door verminderen? Is het alles niet een soort speelgoed, vooral mooi versierd, om de wezenlijke aandacht af te leiden en de volkeren zoet te houden? en

het is een klein kunstje om nog tien zulke vragen, even reëel als de genoemde, eraan toe te voegen. Het is nu eenmaal een feit, dat dit soort eerlijk bedoelde en ernstige beginselverklaringen worden mishandeld, misbruikt, door de modder, zelfs door bloed worden gehaald. Wat dat feit dan zeggen wil? Naar mijn overtuiging: niet dat de opstellers huichelaars en de beginselen zelf komedie zijn; niet, dat er geen positieve invloed van uitgaat. Maar wel: dat het in de maatschappij en de geschiedenis anders gaat dan mensen in hun idealisme bedoelen... omdat mensen mensen zijn, dat wil zeggen: vol innerlijke tweespalt.

Laat mij, om toe te lichten, waarom ik toch waarde hecht aan dit soort verklaringen, wijzen op twee landen, die hun steun aan de Verklaring hebben onthouden: Rusland en Zuid-Afrika. Rusland had nog wel neiging om voor te zijn, indien werd uitgesproken, dat de .Verklaring anti-fascistisch werd bedoeld ■— men weet, dat naar Russische terminologie ook Amerika, Engeland, Nederland enz. fascistisch zijn .(denk aan de Marshall-hulp-betitelingen). be Verklaring echter bedoelt een veroordeling van alle dictatuur en terreur, óók de Russische. Zuid-Afrika weigerde om ja te zeggen, omdat de daar heersende blanke bevolking weigert, de kleurlingen binnen dat gebied politieke rechten toe te kennen. De weigering van deze beide landen betekent op negatieve wijze, dat de Verklaring toch wel enige politieke waarde heeft.

Intussen: de reële machtsverhoudingen zijn er voorlopig niets door veranderd. In één opzicht gaat, voorzover bekend, de nieuwe Verklaring uit boven die der 18e eeuw, dat zij met name verwerkelijking vraagt, niet alleen op politiek terrein, maar ook spreekt van sociale en economische grondrechten. Toegegeven: op sociaal en economisch terrein is er in de werkelijke machtsverhouding niets veranderd door de plechtige aanvaarding van een Verklaring. Maar als de worsteling der verdrukten en achteruitgestelden dóórgaat, als de strijd om een nieuwe wereldorde wordt voortgezet, dan is het een steun in de rug te weten, dat geestelijke, politieke, sociale en economische rechten erkenning vonden.