is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 15, 08-01-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft ingenomen, mag pg Bomhoff verklaren.

Het artikel van pg Bomhoff in „Tijd en Taak” van 18 December insinueert (minder uitvoerig, doch in gelijke geest) tegen de berichtgeving in zake Zuid-Celebes. Of hij gelezen heeft wat daarover in „Het Vrije Volk” is geschreven weet ik niet, maar wel treft het mij, dat hij in een opsomming van de gebeurtenissen alleen gewaagt van „alarm in de weekbladen van 5 Juli 1947” en voorbijgaat aan het feit, dat reeds vóór die datum, nl. op 13 Juni 1947, de aandacht op Zuid-Celebes was gevestigd in „Het Vrije Volk”. Ik meen zelfs, dat dit de eerste keer was, dat Zuid-Celebes in de Nederlandse pers werd genoemd.

Misschien is hem ook ontgaan, dat „Het Vrije Volk” daarna herhaaldelijk op inlichtingen heeft aangedrongen. Nochtans is dat zo en nu het rapport in Nederland ontvangen is, doch niet wordt gepubliceerd, vestigt „Het Vrije Volk” dan ook juist op dit laatste de aandacht, door boven het bericht te schrijven: „Rapport Zuid-Celebes wordt niet publiek. Nu vertrouwelijk in de Kamer”. Tevens is in een hoofdartikel tegen deze vertrouwelijkheid bezwaar gemaakt en op publicatie van het rapport aangedrongen. Dit een en ander noemt pg Bomhoff dan „de legerleiding, koste wat het kost (cursivering van B.) de hand boven het hoofd houden”.

Geachte Redactie, pg Bomhoff eindigde zijn bijzonder „kleine” studie in „Tijd en Taak” van 27 November met de opmerking: „En begrijpt u, dat de argeloze lezer van zijn partijblad, die geen knipsels bewaart, wel eens gewaarschuwd mag worden?”

Neen, dat begrijp ik niet. Misschien omdat ik niet argeloos genoeg ben. Ik begrijp van al deze groteske insinuaties trouwens niets, zomin als ik, eerlijk gezegd, begrijp, dat uw redactie ze heeft opgenomen.

K. VOSKUIL,

Hoofdredacteur van „Het Vrije Volk”.

NASCHRIFT

Het is jammer dat pg Voskuil mijn artikeltjes zo opvat als uit bovenstaand artikel blijkt. Ik antwoord kort, eerst op de zakelijke (A) bezwaren, dan op de pe,rsoonlijke (B).

A. le. De zaak Pakisadji. Ik begon alle verzachtende factoren op te noemen, die begrijpelijk maken, dat een krant soms te kort schiet; ik heb nauwkeurig aangegeven, hoe ik pg Voskuil waardeer als hoofdredacteur van H.V.V. Mijn critiek betrof het ministeriële antwoord en zijdelings H.V.V. dat dit antwoord zonder commentaar doorgaf èn het van de m.i. misleidende titel voorzag (ook een titel is commentaar, pg Voskuil!). „Gedeeltelijk antwoord ”; het was nl. m.i. helemaal geen antwoord. Onder „onopzettelijk boerenbedrog” versta ik een misleidende mededeling, waarbij de goede trouw van de berichtgever niet betwijfeld wordt. Deze aanduiding sloeg op het bericht in zijn geheel, dus ministeriëel antwoord plus commentaar (in de vorm van een opschrift!). Wat het tweede bericht betreft, wederom treft mijn critiek het A.N.P. en zijdelings de onaandachtige redacteur (die van de telexstrook), die niet bemerkte, hoe zeer ook dit antwoord misleidend was. Ik heb nergens geschreven, dat ik bezwaar had tegen het. plaatsen der artikelen van pg Cohen Stuart en van de marinemedewerker; ik had bezwaar tegen de inhoud der artikelen.

2e. De zaak Celebes. In dit artikel heb ik weer aan de orde gesteld de vraag, welke de taak is van een partij krant. Vreemd, dat pg Voskuil hier niet op in gaat. Dat pg Voskuil er prat op gaat, dat reeds 13 Juni 1947

in H.V.V. gezinspeeld werd op „de gruwelen van Celebes”, ontlast hem m.i. niet, omdat hij, zoals ik reeds aangaf, maar mijn mening, onmiddellijk èn uitvoerig èn gedétailleerd, als socialistisch journalist, alarm had moeten slaan. Dat liet pg Voskuil aan de weekbladen over!

Het citaat koste wat het kost ” in het opstel van pg. Voskuil is kortweg vals. Het sloeg op de regering, niet op het journalistiek beleid van pg. Voskuil en was daarenboven aarzelend geformuleerd („Het schijnt ”).

B. Op de persoonlijke bezwaren, die pg. Voskuil tegen mijn „bijzonder kleine” studie in T. en T. heeft, ga ik niet in, maar ik veroorloof me drie opmerkingen:

le. Het komt me voor, dat pg. Voskuil beter zou doen, te schrijven over „ons” blad dan over „mijn” blad.

2e. De uitdrukking „geraffineerde fielten” wijs ik af als vertaling van mijn suggesties (pg. Voskuil schrijft: „insinuaties”). 3e. Het hoort m.i. niet tot de goede journalistieke manieren om, zoals pg. Voskuil doet in zijn laatste alinea, te pogen binnen onze redactie tweedracht te zaaien. Overigens: ik schrijf voor eigen verantwoording!

J. G. BOMHOFF

P.S. Hoezeer pg Voskuil in zijn alleszins prijzenswaardige ijver om de regering, c.q. de partijleiding te verdedigen, zich soms laat gaan, moge ten overvloede blijken uit een artikel van zijn hand (H.V.V. 27 XII), waarin hij tot tweemaal toe spreekt over de „overgrote meerderheid” in de Partijraad, die het vertrouwen in de socialistische ministers niet heeft opgezegd; en elders: die het regeringsbeleid niet afkeurt.

Ik maak bezwaar tegen deze formulering. le. Zuiver formeel: de stemming ging slechts onrechtstreeks over „de socialistische ministers”, maar rechtstreeks over het regeringsbeleid. Deze grief weegt niet zwaar, immers het is duidelijk, dat het aannemen van een motie van afkeuring betekend zou hebben, dat de socialistische ministers, zo zeer in de steek gelaten door hun eigen partij, er waarschijnlijk het bijltje bij neer zouden hebben gelegd. (Daarom zou een motie van goedkeuring veel scherper de situatie in de Partijraad getekend hebben. Deze immers, indien met een belangrijker minderheid verworpen, had onze ministers tot niets verplicht. Vraag: waarom is zo’n motie niet in stemming gebracht?). Men lette nu eens op de climax der cijfers in de verhouding „afkeuren”, „betreuren”. En als ik dan overweeg, dat ondanks dit alles er toch nog zoveel leden der Partijraad zijn, die zeggen: dat had niet mogen geschieden, dan weiger ik de aanduiding „overgrote meerderheid” juist te noemen.

2e. „Meerderheid” zonder „overgroot” ware voldoende geweest. Immers de motie van afkeuring had 13 van de 90, de motie waarin het besluit der regering betreurd werd, had 19 van de 83 stemmen, d.w.z. resp. 14 % of 24 %. Vooral het laatste cijfer geeft te denken. Ook de minderheid zal wel eerbied hebben voor de zware verantwoordelijkheid onzer ministers en dat zij nochtans deze gedachte moge de ijver van pg. Voskuil remmen! Niet ik, maar pg. Voskuil heeft de Partijraad bijgewoond. Hij is niet bevoegd namen te noemen, maar als hij nu eens de stemmen ging wegen Waren de tegenstemmers allemaal lieden, (en hier verwijs ik naar pg. Voskuil in H.V.V. van 28 Dec.), die hun emotie over hun rede lieten heersen? En waren de voorstemmers zuiver geleid door redelijke motieven en bijv. niet door emotionele zorg over de gevolgen van een afkeuring, en bijv. niet door begrijpelijke maar emotionele sympathie voor onze minister-president? B.

fjyninesië

Het heeft weinig zin de inzichten en motieven van de tegenstanders der militaire actie in den brede uiteen te zetten. Nakaarten is meestal een onvruchtbare geschiedenis. Maar het heeft wel zin, enkele dingen met grote nadruk uit te spreken, vooral omdat allerlei voorstellingen, die volstrekt onjuist zijn, zich bij ons volk al meer gaan vastzetten. De schuld van het niet bereiken van een overeenstemming komt, wat het verleden betreft, zowel voor rekening van de Republiek als yan Nederland. Wij zijn zeker niet ver van de waarheid af, indien wij zeggen dat het door elkaar fiftyfifty is geweest. Wil men het heel eenvoudig: Nederland stond niet achter Schermerhorn en de Republiek stond niet achter Sjahrir. Wat de laatste maanden aangaat, heeft Nederland de grootste schuld. Het is niet de waarachtige bedoeling van minister Sassen geweest, om een accoord te bereiken. Achter minister Sassen staat mr Rpmme, die door goedgeïnformeerde insiders in Indonesië de „evil spirit” achter de Nederlandse kabinetsdelegatie werd genoemd, die geen accoord met de Republiek wilde en alleen maar hoopte, dat de Republiek niet zou toegeven, die zich ook nu blijft verzetten tegen overleg met de bekende Republikeinse leiders. Onder de druk van mr Romme is onze regering steeds meer naar rechts opgeschoven. De leidende figuren in de P.v.d.A. schijnen bovendien geen besef te hebben van de enorme macht, die de koloniale en militaire groepen in Indonesië hebben. Ik herhaal nog eens, dat. ik zonder meer in de oprechte en zuivere bedoelingen van Drees geloof. Niemand, die ik liever zou volgen dan hem. Maar ik ben er vast van overtuigd, dat hij niet in staat is iets van al zijn goede en zuivere bedoelingen te realiseren, zolang de invloed van die koloniale en militaire groepen blijft bestaan.

De opzet van die groepen is, het heft in handen te houden. Zij hebben nooit ernst gemaakt met wat Drees bedoelt: de opbouw van een nieuwe gemeenschap tussen Nederland en Indonesië op voet van gelijkheid en vrijheid.

Op het congres van de P.v.d.A. in Augustus 1947 werd een resolutie aangenomen. Het zou goed zijn, wanneer die nog eens in Het Vrije Volk werd af gedrukt.

Wat is er van die resolutie terechtgekomen? Het congres spreekt het vertrouwen uit, dat de regering bereid zal zijn, om waar het nuttig en mogelijk is, van arbitrage gebruik te maken. De regering heeft niet van arbitrage gebruik gemaakt, hoewel het nuttig en mogelijk was.

Het congres acht het noodzakelijk, dat duidelijk wordt uitgesproken, dat de eenmaal erkende territoriale omvang van de Republiek Indonesia niet zal worden aangetast door de militaire bezetting. Men heeft de eenmaal erkende territoriale omvang van de Republiek bij de voortduur aangetast.

Het congres spreekt uit, dat gewaakt zal worden tegen misbruik van de artikelen 3 en 4 van het accoord van Linggadjati, waardoor de vrije, onbeïnvloede wil van het volk niet tot uiting zou komen: Het Federalisme, zoals het steeds meer gerealiseerd wordt, in

Winter Anton Witsel Dec. ’44

het geheel het resultaat van de vrije, onbeïnvloede wil van het volk.

Het congres spreekt uit, dat de geest, waarin de Nederlandse burgerlijke en militaire ambtenaren de nieuwe verhouding aanvaarden, meer dan ooit beslissend zal zijn voor het welslagen van een hernieuwde samenwerking; het acht het daarom noodzakelijk, dat met groter kracht dan tot dusver wordt opgetreden tegen ambtenaren, die het regeringsbeleid weerstreven.

Tegen geen enkele burgerlijke en militaire ambtenaar werd opgetreden.

Wij zijn aan het touwtrekken geweest en terwijl wij dachten, de anderen over de streep te trekken, zijn wij zelf over de streep getrokken. Niet de P.v.d.A., maar de K.V.P., niet Drees, maar Romme, niet het socialisme, maar Rome bepaalt steeds meer het regeringsbeleid. Het is ontstellend, hoe in onze kringen de invloed van een man als Romme onderschat wordt. Te laat zullen wij het merken. Te laat, omdat de P.v.d.A. de samenwerking van rooms en rood blijkbaar onder geen voorwaarde wil prijsgeven. Men zegt wel telkens, dat er een ogenblik kan komen, dat men in de oppositie gaat. Maar dit ogenblik komt niet. Of liever: het komt natuurlijk wel. Het komt onherroepelijk. Het komt, wanneer Romme het ogenblik gekomen acht, met Stikker, Tilanus en Schouten gaat regeren en ons in de kou laat staan met de brokken en met de schande.

Hoe zullen wij ooit de zo gewenste gemeenschap opbouwen, nu wij de weg van het Federalisme gekozen hebben? En dat met de bedoeling, om de Republiek uit te schakelen.

Van der Goes van Naters heeft na een kort bezoek aan Indonesië verklaard, dat er geen sprake is van marionettenstaten. Hoe weet hij dat? Zijn bezoek is naar het getuigenis van insiders een volstrekte mislukking geworden. Partijgenoten hebben ons geschreven, dat het verblijf van Van der Goes in Indonesië de Indonesiërs duidelijk heeft gemaakt, dat van dit soort democratisch socialisme niets te verwachten is. Op de Bandoeng Conferentie hebben de Indonesiërs eenvoudig de draak met hem gestoken. Naar niemand, „die het niet a priori met hem eens was, heeft hij geluisterd. Alle progressieven, die het niet met hem eens waren en dat waren zij allen noemt hij destructieven. Voor alle partijgenoten is zijn verblijf in Indonesië een bittere teleurstelling geworden. Men begrijpe wat het betekent, dat juist hij na de regeringsver-Waring het standpunt van de P.v.d.A. toelichtte. Van der Goes heeft deelgenomen aan de installatie van een Van der Plas Negara, om de Balkanisering van Indonesië te sanctionneren en de positie van de steeds conservatiever wordende dr Beel luister bij te zetten.

Dr Beel heeft bij de beëdiging van het staatshoofd van de jongste deelstaat Oost-Java een rede gehouden, waarin hij de nieest pertinente onwaarheden heeft gedebiteerd: „Zeer duidelijk is gebleken, dat ook hier geen sprake is van een van boven af opgelegde daad, doch van een beweging welke zich van onder op heeft ontwikkeld met een niet te stuiten kracht.”

Nu moet men de geschiedenis van deze deelstaat kennen. „Paraat” van 31 December heeft er uitvoerig over verteld. Van een volkswil is gen sprake geweest. Degenen, die bezwaren hebben, zijn uitgeweken of durven niet te spreken. De Nederlandse autoriteiten houden nu eenmaal iedereen, die er een eigen politieke overtuiging op nahoudt, die hun niet aanstaat, voor onbepaalde tijd in arrest. Er zijn op Java en Sumatra speciale interneringskampen en het getal geïnterneerden loopt in de duizenden. Een toestand van volslagen rechteloosheid, mogelijk gemaakt door de bepalingen, die voortvloeien uit de staat van beleg en oorlog. Men leze het artikel in „Paraat”, dat door brieven, die wij van insiders uit Indonesië ontvangen hebben, geheel bevestigd wordt. De deelstaat Oost-Java is niet anders dan maakwerk. De Indonesiërs in de bezette gebieden zijn bang, om hun eigen politieke overtuiging uit te spreken. De momentele politieke activiteit is de activiteit, die door Nederland geïnspireerd of goedgekeurd wordt. En toch durft dr Beel te spreken over „de grote drang tot constructief werk van het volk van Oost-Java, dat langs volkomen democratische weg zijn vertegenwoordigers zelf heeft gekozen.”

Dr Beel wordt misleid of dr Heel misleidt.

„Paraat” schrijft: „Het beste deel van de Indonesische intelligentia, dat eenmaal geloofde in een eerlijk samengaan met Nederland, wacht thans nog slechts voorzichtig, maar met groot ongeduld haar tijd af, om de leiding over te nemen, waarna deze mensen met alle kracht er na zullen streven om de verdeeldheid en de tegenstellingen, die wij van 1945 af (uit drang naar zelfbehoud, ter verbetering van onze materiële positie in dat land) tussen de bevolkingsgroepen van Indonesië hebben gezaaid dan wel aangewakkerd, te elimineren.”

De Indonesische nationalisten verwerpen het Federalisme niet. Zij achten de vraag; „Indonesië een federatie of een eenheidsstaat” echter niet van primair belang. Waar het voor hen op aan komt is, dat de opbouw geschiedt in het belang van het gehele volk en niet ten koste van het gehele volk ten bate van een bepaalde volksgroep, zoals dat nu het geval is.

Het Federalisme, zoals Nederland het propageert, is een fagade-politlek. Het Federalisme wordt geschreven met de f van financieel fiasco dat fiasco is schrikbarend en de f van feodalisme. Men zet het Federalisme door met behulp van de reactionnaire en behoudende krachten in Indonesië, die men wint door een beroep te doen op hun meest bedenkelijke