is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 32, 07-05-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

COMPROMIS OM BERLIJN?

Het is wel merkwaardig, dat het Kremlin, na zo kwaadaardig over tal van kleinere symptomen van Europese samenwerking te hebben gedaan en na de Marshall-dollars voor eigen land en voor de satellietstaten zo fel afgewezen te hebben, nu na het tekenen van het Atlantisch verdrag als eerste stap met het aanbod komt de blokkade van Berlijn op te heffen.

Zeker, in plaats van de geallieerden uit de oude Duitse hoofdstad te verdrijven of de bevolking zo in het nauw te brengen dat zij zich van honger en koude in de Russische zone zou werpen, is het gevolg van deze zet op het politieke schaakbord geweest, dat de Angelsaksen op de wereld, de West-Duitsers, de Berlijner en ook de Russen zelf grote indruk hebben gemaakt door de inderdaad enorme technische prestatie van de „luchtbrug”; dat Berlijn in overweldigende mate zich bij de Decemberverkiezingen tegen het communisme heeft uitgesproken; dat het getal communistische stemmen in het Ruhrgebied nog nooit zo laag geweest is als bij de laatste verkiezingen; dat S.E.D. ook in de Oostelijke zone zijn aanhang bij alle niet direct-belanghebbenden verliest; en dat de Oostzone in toenemende mate last krijgt van de westelijke tegenblokkade. Het is dus best begrijpelijk, dat voor het Politbureau „de gijn er af is”. Het aanbod is dus allicht wel ernstig gemeend, al doen de Westelijke bezetters nog wat terughoudend, omdat zij niet weten of er niet een hoge prijs gevraagd zal worden. De intrekking van de Westelijke D-mark in Berlijn is allang geen Russische eis meer; de vorming van de West-Duitse regering is ook niet meer op te houden, aan de Rühr is een statuut gegeven, dat Russische deelneming uitsluit. Wat zal dan wèl het doel moeten zijn van de Vier Machtenbespreking over Duitsland, waarvoor opheffing van deze blokkade voorwaarde was? Het lijkt weinig waarschijnlijk, dat de plannetjes, die wij 16 April in dit blad noemden, enige kans hebben.

Vredesoffensief

Veeleer schijnt het mogelijk, dat de Sowjetleiders begrepen hebben, dat de Verenigde Staten voorlopig geen economische crisis zullen krijgen (de ■ econoom-Varga, die tegen deze illusie gewaarschuwd heeft, is weer in genade aangenomen en aan zijn tegenspeler is de leiding van de planeconomie ontnomen) en de stroeve afwijzende houding, die tactiek was tegenover de economische lijn van het Marshall-plan, nu verwisseld wordt voor de enige lijn, die tegenover het onverbiddelijke Atlantisch Verdrag nog mogelijk is: de pacifistische tactiek. Vandaar de vredescongressen onder cogimunistische leiding in New York en Parijs. Vandaar de toenaderings-gebaren in Duitsland. Vandaar waarschijnlijk ook het einde van de Berlijnse (struikel)blokkade, dat men aanbiedt.

Op de korte baan kan dit nog een laatste kans zijn, dat de naïeve Amerikaanse pacifisten en de laatste resten van de vroeger zo krachtige neiging om zich verre te houden van alle vaste politieke verbintenissen, zich tegen de aanvaarding van het Atlantisch pact in het Congres zullen verenigen. Op de lange baan is hier de grondslag gelegd voor een actie in Europa om de minder draagkrachtigen en m.n. de arbeiders in verzet te brengen tegen de zware lasten, die het Atlantisch verdrag toch wel met

zich zal brengen. Aan de eis van 50.000 man per jaar voor Nederland kan men wei nagaan, dat ook andere landen hier veel voor zullen moeten offeren, ook al levert Amerika tegen een zacht prijsje de steeds duurder wordende moderne bewapening.

Toch is deze bewapening allerminst zoals de Sowjet-propaganda het poogt voor te stellen de voorbereiding van een aanval op de Sowjet-Unie. De IJsel-Rijn-Po-linie is nog de gunstigste schatting van de lijn waarlangs men tegenover de Russische overmacht zou kunnen standhouden. Maar het biedt enigszins een waarborg tegenover onbeheerste Russische acties; ook wanneer op den duur Tito school zou maken en in toenemende mate de satellieten zich weer tot het Westen zouden keren, en aldus mogelijk de Oostgrens van de oude Europese cultuureenheid weer op haar oude plaats terecht zou komen zonder oorlog. Hoe begrijpelijk het ook is, dat het Kremlin zich hiertegen met alle propagandistische en economische middelen zal verzetten, er is toch een kans dat dit geen verzet-tot-het -uiterste met militaire middelen zal zijn. Immers de gebeurtenissen in China bieden zodanige kansen voor politieke en economische expansie en zullen zoveel energie van de Russische kant vragen om tot een communistisch succes en niet tot een nieuwe Tito-staat te worden, dat het zelfs niet uitgesloten is, dat de nieuwe Russische vredeskoers in Europa een reële grondslag heeft. W. VERKADE.

HART IN DE LENTE

Hoe waait een zoele zuidenwind vanuit de zee met zilte geuren! Kan dan het wonder nog gebeuren dat nu de lente reeds begint?

Bómen weet ik, die zijn steeds groen; een bron, daar borrelt altijd water; een zon geeft gloed in elk seizoen al daalt zij vroeger, stijgt zij later.

Het is in ’t land van mijn verlangen, land van mijn vreugde, van mijn smart.

dat, onbegrensd, ligt ingevangen binnen de wanden van dit hart.

Eén ademtocht uit deze staten en met twee vleugels stijg ik op en moet het oud omhulsel laten, zoals de vlinder breekt haar pop.

Geef mij één teug, en ik zal drinken de droesems, volk, van uw verdriet; geef mij één woord, en ik zal klinken en u omvleugelen met mijn lied.

En zal het harde en het strenge en al het bittere dat u bindt, tot in de laatste rest verzengen met het geweld van zon en wind.

ANDREAS GLOTZBACH.

TER ZAKE

Er zit aan de N.R.C. „een medewerker”, die de lezers van dit achtenswaardig blad op de hoogte bedoelt te houden van de toestand in de kerk. Deze man nu heeft een eigenaardige opvatting van zijn taak; hij is nl. uitermate ijverig in het naspeuren van de fouten der kerk. Als de spreuk dat het een vriend is, die u uw feilen toont, waar is, verdient deze „medewerker” wel een synodale afvaardiging bij zijn begrafenis. Laatst had hij weer een kolfje naar zijn hand (27 IV). Eerst vertelt hij van het werk der „Wika’s” aan het strand te Zandvoort, waar deze „werkers in kerkelijke arbeid” tussen de strandbewoners een eigen tent hadden opgeslagen, zich onder de strandbevolking mengden, met de kinderen speelden en zo contact legden om ’s avonds bijv. met de ouders eens te gaan praten.

Het komt deze „medewerker” voor, dat de „ouderwetse vrijzinnige geloofspropaganda” dat nooit zo gedaan zou hebben en nu zet zijn critiek in, niet uit eigen naam, o neen, niet uit naam van de N.R.C., maar uit naam van „de vorige generatie van vrijzinnigen”. Hij zegt het hoffelijk, maar, in duidelijk Nederlands gezegd, vindt hij deze methode oneerlijk en hij vreest ook, dat de rust van het stille strand er mee verloren gaat. „De ene geloofspropaganda lokt werktuigelijk de andere uit” en „laten de buitenkerkelijke kinderen er kunnen blijven spelen zonder door wika’s in hun spel betrokken te worden.”

Ik weet van die actie der Wika’s niets af, maar zo’n stukje maakt me wee. Wie tegen de kerk is, moet het maar zeggen, maar dan niet zijn antipathie wegmoffelen onder gehuichelde vrijzinnigheid en kommernis voor de stilte van het strand. Nietwaar? ledereen mag er luidruchtig venten met ijsco’s en limonade en lectuur (leest „De Lach”), maar de kerkelijke propaganda verstoort de rust! En die arme „nietsvermoedende kinderen”, die zo listig gestrikt worden door de „zending onder de buitenkerkelijken”. Alsof de buitenkerkelijkheid geen propaganda maakte! Wij, in de kerk, menen dat onze kinderen bestand moeten zijn tegen de verleidingen van de wereld en sturen ze daarom de wereld in, de wereld d.i. o.a. de buitenkerkelijkheid. Lopen die buitenkerkelijke kinderen en hun ouders zo’n werkelijk gevaar, als ze eens kennis maken met Evangelische waarheden? O onverdraagzaamheid der zgn. verdraagzamen.

En dan had de medewerker diezelfde avond nog een mooi stukje kopij, een citaat van een dominee, dat de buitenkerkelijkheid gevolg was van de tekortkomingen in de kerkelijke godsdienstigheid. Er zijn van die mensen, die smullen van andermans schuldbelijdenis en gaarne een handje helpen bij het kloppen op andermans borst. Laten we een beetje oppassen met al dat schuldbelijden in onze kerk! De ene dag staan de Communisten te gnuiven, de andere dag betuigen de buitenkerkelijken een roerende instemming. Het schijnt soms, dat hier in Nederland de kerk de grote en algemene zondebok is. Misschien is ze dat ook in het oog van God. Die heeft recht van spreken: voor Hem belijden we onze schuld, maar tussen de mensen past ons iets van Paulus’ fierheid: men kan immers ook van zijn zwakheid roemen (2 Oor. 11).

KORZELIGE KES.