is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 33, 14-05-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

r I den Heer behoort de aardt en haar k volheid. , /

TUd en Taak

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRISTELIJKE WERKGEMEENSCHAP

Zaterdag 14 Mei 1949 No. 33 Verschijnt 50 maal per jaar 47ste jaargang van de Blijde Wereld •

Redactie Prof. dr W. Banning Ds J. J. Buskes Jr Ds L. H. Ruitenberg Mr G. E. V. Walsum Secr. der redactie J. G. Bomhoff, Roerstraat 48 111 Tel. 24386

Abonn. hg vooruitbet. per/aar f 8.00, halfjaar f 4.25, kwart, f 2.50 plus f 0.15 incasso. Losse nrs f 0.15, Postg. 21876, Cem. giro V 4500, Adm. N. K. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, A’damC

Een oude strijd opnieuw!

Zaterdag heb ik het congres van de Nationale Commissie tegen het Alcoholisme bij gewoond. Het was tevens het congres van de Nationale Bond voor Plaatselijke Keuze.

Ik heb begrepen, dat deze wapenschouw van hen, die op een of andere manier leiding geven in de Nederlandse drankbestrijding een gelukkig samengaan van werkelijk è,lle richtingen, demonstreert, dat het op dit pimt toch niet helemaal hopeloos er voor staat in Nederland op een goed ogenblik gekomen is. En dat allen, die zich in de betekenis van het alcoholisme indenken, thans opnieuw zullen moeten worden opgeroepen tot groter aandacht, tot daadwerkelijke steun.

Wij staan thans, 1949, met de terugdringing van de alcohol uit het volksleven ongeveer op het punt, waar wij in 1920 óók stonden. Alleen met dit verschil, dat de lijn van het jenever-gebruik op-, in plaats van néér! gaat. Wij drinken met elkaar 3 liter sterke drank per jaar en per hoofd. Wij geven te zamen 612 millioen gulden aan alcoholia uit. Wij moeten collectes gaan houden voor een net van consultatiebureaux tegen het alcoholisme, want de toevloed is groot. Wij moeteri allerlei kringen weer duidelijk maken, wat het betekent, dat er gedronken wordt. Men weet het eenvoudig niet meer. De jeugd weet het niet, en het is haar te I vergeven. De ouderen willen het niet weten, want hun prettige gewoonten zijn hun dierbaar. Verschillenden, die het vroeger wél wisten, hebben deze wetenschap een beetje wrevelig laten wegzinken omdat zij potdorie —niet hun leven lang voor outsiders van het gezelligheidsleven wilden worden aangezien, want ze konden tóch blijkbaar het minderwaardigheidsgevoel uiet overwinnen, dat sommigen schijnen te krijgen, als ze simpelweg neen moeten zeggen tegen een drankje, waar anderen bij zitten te glinsteren.

Tot hen allen zullen wij moeten zeggen: let op! Het is niet waar, dat goede woning voorziening (waar is die eigenlijk?) véél sport, meer culturele vorming ons het van de alcohol van het lijf houdt. Dat zeiden de sympathisanten vroeger graag, wanneer zij verder tot niets ! verplicht wilden worden. Maar met zulk oen uiting kan men niet meer overgaan tot oe orde van de dag, als men weet, dat wij 2 maal zoveel jenever drinken, als in 1938,

dat de verkoop van inlandse wijnen in de kruidenierwlnkels met 200% gestegen is, als wij bemerken, dat jeugdkringen door de alcoholgewoonte worden aangetast, en niemand daar op het idee komt, een eenvoudig lesje te geven in de betekenis van het alcoholisme als sociaal verschijnsel. Wij zullen het weer moeten zeggen. Gesteund door niets anders dan de trouw van de kleine man, door de dubbeltjes van gewone mensen. De Overheid krijgt per jaar 119 millioen aan drankaccijnzen. Ze betaalt 33 duizend terug aan subsidie voor de drankbestrijdersorganisaties. Kunnen zij daarvan de grootscheepse reclame beantwoorden, die de drankfabrikanten plegen te organiseren? Kunnen zij daarvan mensen aanstellen, die op de duizenden scholen van Nederland met plaat en film les gaan geven? Kunnen zij daarvoor consultatiebureaux oprichten? Zij kunnen dat niet. Ofschoon dat het minste is, dat zij zouden moeten doen.

Het is intussen duidelijk, dat ook de drankweer zélf een andere werkwijze zal moeten volgen. Een nieuwe vorm van propaganda zal moeten vinden.

Dat is niet eenvoudig. De studie van het alcoholisme is in Nederland lange tijd verwaarloosd. Wij moesten voortdurend leentjebuur spelen in het buitenland. Bovendien stond jarenlang de studie van de medische gevolgen van de alcohol voorop. Thans zal een dieper doordringen in de psychologische oorzaken van het alcoholisme nodig zijn. En ook een doorlichting van het probleem van sociologen is noodzakelijk. Op ethisch gebied vraagt de drankbestrijding een hernieuwd onderzoek naar het verband tussen vrijheid en verantwoordelijkheid. Alleen op deze lijn kan men ontkomen aan te grote propaganda en aan het wettische element, dat ongetwijfeld de oudere drankbestrijding aankleefde.

Wat vooral doorbroken zal moeten worden, is dit: het graderen van de noden, waardoor men wegvluchten kan voor een nood, die vlak voor de voeten komt. Het is waar, dat er maatschappelijke kwalen zijn, die veel groter slachtoffers maken dan alcohol; die véél meer inspanning vragen, wanneer men die overwinnen wil. En als men een rangorde gaat maken, dan komt het alcoholisme bepaald niet op de hoogste plaats. Daar deze gradatie fout is. Want daarbij miskent men de eigen aard van

elk kwaad. Men miskent ook de samenhang tussen verschillende kwaden en ten slotte vergeet men dan, dat het in zijn aandacht nemen van de problemen der drankbestrijding een voortreffelijke scholing is bij de benadering van andere sociale noden. Koevele» zijn juist niet door hun drankbestrijdersactiviteit tot het besef van sociale samenhangen gekomen, dat voor hun verdere leven uiterst vruchtbaar en voor de maatschappij zeer nuttig was.

De Nationale Bond voor Plaatselijke Keuze treedt opnieuw voor het voetlicht. Twee maal strandde het schip der P.K. vlak voor de haven. De wettelijke voorstellen, waar hij nu voor gaat vechten, zijn zo gewijzigd, dat verschillende gronden van tegenstand zijn weggenomen. Het dwingend karakter van een meerderheid van 75% van de stemmen, die afschaffing der vergunningen vragen, heeft men laten vallen. Zulk een stemming wordt nu een advies aan een gemeenteraad, die er zelfstandig over kan beslissen.

Of dit het practische effect geen schade doet, is niet zo belangrijk. In hoeverre bovendien het feit, dat dit voorstel alleen de vergunningen aantast en alle andere verkoop ongemoeid laat, de toch sterk levende suggestie, dat de jenever en niet het alcoholisme als zodanig de grote vijand is, nog versterkt, laat ik hier onbesproken. Hoofdzaak van dit voorstel is, dat hiermee het drankvraagstuk aan het oordeel van ieder wordt onderworpen; dat hier een machtig stuk scholing wordt gegeven; dat iedere kiezer voor een beslissing wordt gesteld.

Waar het vooreerst op aankomt is, dat die kringen, waar twintig, dertig jaren geleden de drankbestrijding haar steunvlak vond, opnieuw bereid zijn, aandacht te besteden aan een dreigend gevaar, nl. de alcoholisering van ons volksleven in zijn vele vertakkingen. Ik denk aan de kerken, de vakbewegingen, de vooruitstrevende jeugdkringen, de scholen. Ik denk aan nieuwe groepen, die door de verandering van de drinkgewoonte binnen de gevarenzone getrokken worden; de kringen, die zich met gezinsverzorging bezig houden en aan de kringen, waar het economisch leven bestudeerd en geleid wordt.

Het is duidelijk, dat dit alles niet mogelijk zal zijn, tenzij de kern van strijders, die na de lauwheid van zovele jaren, na de rampen die ons volk omploegden, zich opnieuw tot de strijd bereid houdt. Een dik woord misschien voor wat ik bedoel. Maar het eenvoudig neen-zeggen waar leutige lieden het zo plezierig zouden vinden als men ja zegt, is voor velen tóch vrij moeilijk. Ook in dit opzicht mag men 3e dag der kleine dingen niet vergeten!

L. H. RUITENBERG