is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 34, 21-05-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MAHATMA GANDHI

Mahatma Gandhi, an interpretation by E. Stanley Jones.

Een boek kan op vele manieren op ons inwerken. Negatief kan het ons vervelen of ergeren. Wij kunnen het verontwaardigd wegleggen. Positief kan het ons vermaken, verstrooien en wij kunnen het in allerlei vormen en graden bewonderen: om het juiste oordeel of den goeden smaak waarvan het getuigt. Zelden echter komt het doordat een boek ons gelukkig maakt. En dat is wat het boek van Stanley Jones mij gedaan heeft. Het heeft mijn vertrouwen versterkt: beide, in God en de mensen, mijn begrip verhelderd en mijn liefde verdiept. Het neemt den klemmenden wereldangst weg,-die ons ’s nachts kan overvallen. Stanley Jones is een zendeling, die Gandhi goed gekend heeft en vaak bij hem was, ook kort voordat hij vermoord werd. De groote vereering, die Stanley Jones voor de Mahatma had, nam niet weg, dat hij voor zijn eigen meening durfde uitkomen. Gandhi, zegt Stanley Jones, was een kombinatie van het Oosten en het Westen.

Een waarachtige Oostersche ziel kwam tot bloei in hem en toch had hij veel ingezogen van de Westersche, speciaal de Engelsche, beschaving en letterkunde.

Gandhi was van huis uit een standsmens, maar hij vereenzelvigde zich met de boeren, die de overgroote meerderheid van het Indische volk uitmaakten. En toch was hij, volgens een zijner zonen, uiterst verfijnd in zijn sobere kleding, zijn taal en zijn manieren. Wanneer hij naar Delhi ging, verbleef hij in de kolonie der onaanraakbaren. Engelsche onderkoningen en ministers kwamen om Mahatma te zien tusschen de pariahs.

„Groote scharen, onder wie Brahmanen, kwamen naar de Scavenger kolonie’) om Mahatma een oogenblik te zien en hem te hooren bij het gezamenlijk gebed. In hun oogen reinigde hij alles.” (Pag. 6 en 22). Het is verwonderlijk hoeveel tegenstellingen in Gandhi’s buitengewone persoonlijkheid vereenigd waren. Ofschoon van sche afkomst, vereenzelvigde hij zich in zijn levenswijze en zijn kleeding met de arme boeren, die 75 % der bevolking uitmaakten. In zijn wezen waren ook de tegenstellingen van het mystieke en het praktische, de waarachtigheid en de hoffelijkheid vereenigd. Hem viel de taak toe de vadermoeder van een geheel werelddeel te zijn, maar ondanks den ontzettenden ernst van

deze taak, kon hij somtijds speelsch en schertsend wezen, hoe strijdvaardig hij ook was. Diepe deemoed ging gepaard bij hem met een sterk gevoel van eigenwaarde, evenals hardnekkigheid met toegefelijkheid. Geen gevangenisstraf kon hem breken; recht als een pijl ging hij op zijn doel af. En toch was hij, in de cycloon der gebeurtenissen die India meevoerde, het middelpunt van rust en kracht. De zaak van India’s vrijheid was in hem verpersoonlijkt en dat maakte hem groot.

Herhaaldelijk had Stanley Jones een gesprek over het diepste levensbeginsel met Gandhi. Deze legde de sterkste nadruk op saritas (de liefde, die een weerglans is van de goddelijke), zij was het centrum van het Christendom en de christenen moeten haar tot de aktieve kracht in hun leven maken. Het kruis moet de voornaamste kracht zijn, zoowel in het ekonomische en politieke als in het religieuze leven.

Het centrum van Gandhi’s leven was het allengs in hem gerijpte denkbeeld van Satyagraha, wat beteekent waarheidskracht. De kiem ontleende hij aan een hindoesche hymne, maar het Nieuwe Testament bevestigde het in zijn hart.

Satyagraha heeft een aantal beteekenissen. De voornaamste daarvan zijn: 1. de moraal van het individu; de groep en de natie moeten een en dezelfde zijn. 2. Doel en middelen moeten overeenstemmen. 3. Zijn idealen poogde hij te verwerkelijken en: 4. Bereidwilligheid te lijden en te sterven voor zijn overtuiging. Zijn religie was het dienen God door het dienen der menschen. In de levenshouding van de Satyagraha is iets dat zijn vijanden ontwapent. De Mohammedanen van Noakshak begingen een massale moord op de Hindoes. De Mahatma ging rustig naar de plek van haat en ontzetting. Hij liep van dorp tot dorp, het volk opwekkend om de verwoeste woningen te herstellen en verbleef zooveel mogelijk, zonder eenige vrees, in de huizen van Mohammedanen. De slechte lieden gingen hem uit de weg, zij die tot hem kwamen werden bijna allen bekeerd tot een vredelievend en vreedzaam leven.

Gandhi heeft in dertig jaar aangetoond hoe door vrijwillig lijden en lijdelijk verzet een onderdrukt volk zijn vrijheid verovert. En was dat volk na zijn be vrij ding absoluut trouw geweest aan de geweldloosheid, dan zou het het zedelijke leiderschap van de menschheid hebben verworven.

Gandhi’s vasten hebben zeer veel bijgedragen tot de zuivering en moreele opvoeding van het Indische volk en de be vrij ding krachtig bevorderd. Er is hem verweten, dat hij door zijn vasten wilde dwingen, maar het was een dwang van zedelijken aard. Voor de eerste maal in de geschiedenis heeft een volk om zijn nationale doelen te bereiken, het geweld afgewezen en vervangen door het vermogen te lijden.

Een heel bijzondere plaats in Gandhi’s talrijke vasten, neemt ten eerste in, om de onaanraakbaren niet in een afzonderlijke kategorie te plaatsen van het kiesrecht, wat beteekende, de onaanraakbaarheid tot een blijvende instelling maken. Gandhi was bereid te sterven om de onaanraakbaarheid op te heffen. En dit vasten dat hem tot aan de rand van de dood bracht, heeft een geweldige schok teweeggebracht.

Aandoénlijk is Gandhi’s vasten, een week lang, toen twee jongens, die aan zijn zorgen waren toevertrouwd, zich hadden schuldig gemaakt aan onzedelijke handelingen. Aan het eind van zijn zeven dagen vasten zei hij tegen de wanhopige kinderen: „Ik kon drie dingen doen: jullie aan den lijve straffen,

’) Zij, die het vuile werk doen,

ding tot Tsjang-Kai-Tsjek, vooral nadat deze enige tijd de gevangene van een der communistische legers was geweest. Niet alleen dit volgen van de Moscoutactiek, ook de militaire steun van Moscou (van het ogenblik af dat zij zich op het platteland terugtrokken, organiseerden zij zich militair) en hun interne organisatie bewijzen het onmiskenbare communistische karakter dezer Arbeiderspartij: er is een Politbureau, een Centraal Comité, een algemene Sowjet zelfs, een soort N.K.V.D.; zij uit zich overal vijandig tegenover zending en missie. Tot zekere hoogte ook tegenover Boeddhisme, Taoïsme en Confucianisme; sikkel en hamer en de portretten van Lenin en Stalin zijn de geliefde symbolen.

Ook de Russische houding tegenover deze partij na de Japanse capitulatie bewijst dit: haar werden de Japanse wapenvoorraden in handen gespeeld; de industriële mogelijkheden van Mantsjoerije, die onder Russische controle staan, zijn alleen voor een door de Algemene Arbeiderspartij geregeerd China open; en andere industrialiseringsmogelijkheden zijn er in het aan grondstoffen arme China vrijwel niet.

Hoewel de Sowjet-Unie direct niet veel voor China doen kan op economisch terrein, is een krachtige greep voor haar op dit land van het grootste belang; niet alleen zijn in dit miliioenenland arbeidskrachten te krijgen, zo goedkoop als zelfs de kampen van de Russische dwangarbeid ze niet opleveren: maar bovendien zijn de mogelijkheden van elf millioen Chinezen in Birma, Singapore, Siam, Indo-China en Indonesië en de Phiiippijnen in een strijd om de wereldmacht vrijwel onbeperkt.

Chinees Titoïsme?

Wij verwerpen dus bepaald de stelling van vele Amerikanen voor en tijhens de laatste oorlog o.a. van „Azijn-Joop”, oftewel generaal Stillwell, de Amerikaanse stafchef van Tsjang-Kai-Tsjek tot 1944 toe dat de Aigemene Arbeiderspartij een beweging van landhervormers is, wier communisme niet veei meer inhoudt dan een sentimentele bewondering van de Russische revolutie van 1917 en dat zij om haar discipline, de onbaatzuchtigheid van haar militaire leiders, haar efficiency, verre te ver-

kiezen was als bondgenoot tegen Japan boven de eigenzinnige en corrupte politici om Tsjang-Kai-Tsjek; en wij houden dus Mao’s beweging wel degelijk voor een echte communistische partij, die alleen maar gematigd schijnt, omdat zij de boerenbevolking nog grotendeels moet winnen en over landbouwmachines moet kunnen beschikken, vóórdat zij tot collectivisatie over zal gaan, omdat wellicht nog Amerikaanse credieten te verkrijgen zijn voor handel en industrie. Ook de Russen zelf zullen met het oog op hun wereld-strategische plannen er zeker geen behoefte aan hebben, de Chinezen buiten China door berichten over terreur in het verre vaderland, te verschrikken. Een zeer geleidelijke, maar daarom niet minder grondige bolsjewisering ligt dus in de lijn.

Aan de andere kant is het zeer de vraag, of de technische cynische methoden van de Russen wel in overeenstemming te brengen zullen zijn met het jonge idealisme van de Chinese volgelingen, die nu wellicht zullen toestromen? Of niet de 500 millioen Chinezen met hun oude beschavingsgeschiedenis zich verre boven de Russen verheven zullen voelen en zich dus niet veel door hen zullen laten zeggen? En of zij niet spoedig teleurgesteld zullen zijn over de hoge eisen en de geringe aanbiedingen, die van Moscou uit tot hen zullen komen, te meer omdat het Kremlin een al te sterk China, ook al staat het onder communistische leiding, wellicht zal vrezen? Dit zijn alle punten die de leiding der Chinese Arbeiderspartij, die toch ook vooral uit eigen kracht heeft moeten winnen, wel eens het voorbeeld van Tito zouden kunnen laten volgen. Daarom zal de progressieve vleugel van de Kwomintang, zullen de kleinere partijen ook goed doen, geen volksfront aan te gaan, waarin zij toch de zwakkeren zouden zijn. De situatie zelf zal de communisten tot matiging dwingen, hoe geïsoleerd zij zijn, hoe meer. Hun dag komt eerst als de spanningen tussen communisten in Rusland en China tot een breuk zouden leiden. In afwachting daarvan is China groot genoeg • en desnoods is er nog het eiland Formosa om niet direct voor de greep van de partij en haar geheime politie bereikbaar te zijn. W. VERKADE