is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 36, 04-06-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan den Heer behoort de aard en haar volheid. Psalm 24:1

e

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

TEVENS ORGAAN VAN DE PROTESTANTS CHRISTELIJKE WERKGEMEENSCHAP

Zaterdag 4 Juni 1949 No. 36 Verschijnt 50 maal per jaar 47ste jaargang van de Blijde Wereld *

Redactie Prof. dr W. Banning Ds J. J. Buskes Jr Ds L. H. Ruitenberg Mr G. E. V. Walsum Secr. der redactie J. G. Bomhoff, Roerstraat 48 111 A’dam>Z. Tel. 24386

Atonn. vooruitiet per/aar / 8.00, halfjaar f 4.25, kwart, f 2.i0 plus f 0.15 incasso. Losse nrs f 0.15, Postg. 21876, Gem. giro V 4500, Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, A'damC

Waartoe is Hij gekomen?

Aanloop tot een antwoord

Zondagavond. Vanmorgen heb ik gepreekt, d.w.z. getild aan een van de zware, fundamentele woorden van het Evangelie en het zal wel weer geweest zijn als gewoonlijk: dat een mens zich er aan vertilt. Vanmiddag mocht ik praten met een groepje Duitsers: mensen van de socialistische partij en mensen van de Protestantse Kerk over de enorme moeilijkheden, waarmee men daar te vechten heeft: een massa die murw en onverschillig werd, een geheel nieuw proletariaat van een 18 millioen, vluchtelingen uit het Oosten, en straatarm gebombardeerden, een zuiging van nationalisme en nihilisme. Er werd opgemerkt, hoe moeUijk de geestelijke vernieuwing van het socialisme zich voltrekt, hoe moeilijk de godsdienstig-kerkelijke vernieuwing tot een sociaal en politiek radicalisme voert wat moet het dan een hopeloos zware taak zijn om beide vernieuwingspogingen in één te doen vloeien... Na de preek en na het gesprek zet ik mij nu tot een Pinksterartikel voor Tijd en Taak...

Wat een enorme kloof! Vanmorgen heb ik proberen door te geven, dat er een vreemd lied door dit verscheurde, smartelijke, door mensen bezoedelde leven heenklinkt: het lied van de liefde Gods, die de wereld niet verloren wil laten gaan en daarom Jezus Christus heeft gezonden. Vanmiddag ben ik met mijn neus en ook wel met mijn hart gedrukt op een zo grote en ondoorzichtig zware problematiek, dat het mij opnieuw benauwde... Zal ik nu de morgen en middag aan elkaar breien met een stichtelijk stukje, dat eindigt met de oude bede: Veni creator spiritus, kom schepper Geest, en breng wat wij verknoeien weer in het reine? en me zelf dan verbeelden, dat de kloof is gedempt?

De vraag komt op mij af: wat betekent eigenlijk dat komen van Christus voor jou, in je getob en gezorg, ook in je socialistische strijd en politiek? De vraag is natuurlijk niet nieuw; heeft Dostojewski haar eigenlijk ook niet gesteld in zijn verhaal van de Groot-Inquisiteur? Christus is teruggekeerd uit de hemel, in de stad Sevilla: er herhalen zich de gebeurtenissen waarvan het N.T. vertelt, er genezen zieken, blinden worden ziende, doden worden

opgewekt, het volk wordt onweerstaanbaar tot Hem getrokken en buigt zich in eerbied voor Hem neer, wenend van geluk. Dan komt de Groot-Inquisiteur voorbij; een grijsaard van negentig jaar, een mager gelaat met diepe fonkelende ogen ook deze herkent Hem. Hij laat Christus in de gevangenis werpen, en daar speelt zich het gesprek af; de Groot-Inquisiteur vraagt: waartoe zijt Gij teruggekomen? De Kerk heeft toch de leiding en de zorg over de mensenzielen overgenomen? nu moet Gij er u verder buiten houden... Hij slingert Christus de scherpste verwijten toe en besluit, dat hij Hem morgen zal verbranden. Christus blijft onder al deze hoon stom, maar gaat dan onverwacht naar zijn vijand toe en kust hem op de negentigjarige lippen... en deze doet bevend van ontroering de gevangenisdeur open, waardoor Christus verdwijnt. En dan zijn weer de mensen onder elkaar, en gaat het gewone leven zijn gewone gang, met al him kleine en grote smarten en zonden, met oorlogen en vredes, met massaslavernij en terreur tot heden toe... en er zijn er, die hopen op nog eenmaal Zijn wederkomst...

Waarom is Hij eigenlijk gekomen? Alsdan toch het gewone leven zijn gewone gang gaat, de mensen blijven die zij zijn, even bekrompen en boosaardig, even onbarmhartig en wreed? Zeker, Dostojewski heeft in de Groot-Inquisiteur in de eerste plaats de anti-christelijkheid, de Christus-vijandschap der Kerk willen striemen, maar die andere vraag mag ik er ook in horen: wat betekent voor jou, in je getob en gezorg, ook in je socialistische strijd en politiek, dat komen van Christus? Verschuif ik dat ook naar de verre toekomst, waarin ik wel geloven wil, maar die mij toch heel vreemd en ver en onvoorstelbaar blijft? Het eerste antwoord, dat ik voor mij zelf vind op deze vraag is dit: als ik het Evangelie goed versta, dan komt Christus tot de doodgewone mensen, en daar wordt miee bedoeld: de doodgewone scharrelaars en sjacheraars, de afzetters en de machtswellustelingen, de hoogmoedige geleerden en de zelfverzekerde vromen; en als wij het willen moderniseren: tot de Duitsers te midden van hun puinhopen en hun schuld.

tot de Amerikanen met hun dollars en atoombomlndustrle, tot de Russen met hun dwangarbeiderskampen en terreur, tot de Hollanders met hun weerstand tegen en vergrijp aan de Indonesische vrijheidsstrijd en allen met een eigen schuld In heel deze verwarde, troebele, boze wereld, tot al deze verwarde, half of meer boze en half of minder braaf willende mensen, die wij allen zijn... tot die allen komt Hij, en staat In menselijk goddelijke solidariteit nadst ons. Misschien alleen maar als de ontvlammer, de onrustlgmakende; misschien als de drijver tot een simpele daad van liefdevolle zorg voor een mens In nood; misschien als de lamp, waarbij wij zien, dat leugen leugen, en moord moord en verraad verraad 15... hoe zouden wij dit anders onderkennen, dan bij het licht der Liefde?

Dezer dagen kreeg Ik ter Inzage een paar preken van een dominee uit de 17e eeuw, zo’n mooi ouderwets boekje. Op de titelbladzijde een merkwaardig vignet: een opengeslagen Boek, de zeven zegels losgemaakt, de vlammen vuur slaan er uit, links en rechts blazen engelen dat vuur aan, en daaronder: sermo del ignls Inextlnqulbllls het Woord Gods Is een onuitblusbaar vuur. Er Is natuurlijk reden te over voor de vraag: hebben onze zeventlende-eeuwse vaderen waarlijk uit dat vuur geleefd? Belangrijker lijkt mij de vraag: of wij nog weten van dit vuur Gods? Of ik daarvan weet nü In deze boze wereld van mlddentwlntlgste eeuw; of Ik daarvan weet ook In mijn politieke strijd voor het socialisme. Ik doe voortdurend mijn best, om de waarheid van het Evangelie niet stichtelijk, maar realistisch te beleven... Dan versta Ik, dat bij déze waarheid, dit vuur, deze Liefde van Christus, het leed van ouders, die bij hun van honger stervende kinderen machteloos staan, de concentratiekampen en de puinhopen, de oorlogsvoorbereiding en de geweldsaanblddlng schuld en misdaad zijn dan versta Ik hoe het eigen hart boos en schuldig Is. Maar het wonder Is: schuld, bij het licht van deze Liefde ontdekt, wordt vergeven. Een mens, bij deze Liefde ontwaakt, wordt tot nieuwe kracht bezield.

Of dit Pinksteren is? Neen op z’n best een aanloop. Want met Pinksteren waren de leerlingen naar het oude verhaal, dronken van geest, van vuur. Zo ver zijn u en ik nog niet. Wij staan wellicht pas bij de aanloop... misschien wordt ons meer niet gegund. Maar: het is niet gering te weten, dat een vuur brandt, waaraan ons armelijk leven telkens weer ontvonken mag. Eerst dan wordt ook het uitzien naar een vervulling, het vol worden van heel de aarde met de Geest des Heren, meer dan droom of vlucht. Gezegende Pinksterdagen, makkers! W. B.