is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 42, 16-07-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jPiETJE MET HET RIETJE

Piet Bakker heeft indertijd een alleraardigst boek geschreven: Ciske de Rat. Het had een goede pers met als gevolg, dat er prompt nog twee vervolgen werden aangekondigd. Het eerste deel vind ik het beste, maar dat heeft verder met onderstaand betoog niets te maken.

Was het bij het schrijven van deze 3 boeken gebleven, dan had er geen kind „moord” geroepen. Doch de schrijver is bezig snel en zeker zijn naam als auteur te vermoorden. Wat is nl. het geval?

Piet Bakker is in zijn jonge jaren onderwijzer geweest, heeft met zijn 3 boeken over Ciske succes gehad en is nu op hol geslagen. Hij poneert nu op gezette en ongezette tijden in „Elsevier” artikelen over „opvoeding”, waarbij alles wat ook maar een beetje wetenschappelijk getint is, onherroepelijk wordt gekraakt. Heeft iemand na moeizame studie, na jarenlang zorgvuldige observatie, na eindeioze proefnemingen een boek gepubliceerd, waarin wat wenken worden gegeven aan ouders, dan werpt genoemde auteur zich als een havik op zijn prooi en scheurt het boek voor onze ogen aan flarden. Niet zomaar, o nee, daar moet „stand-werk” bij te pas komen. Zoals Kokadorus zijn waar verkocht, zo verkoopt Bakker zijn critiek, zijn afbraak. Als je iets in een hoek wil trappen, dan moet dit smeuïg gebeuren, zodat je de glimlachers op je hand hebt. Trouw komen dus volgens het bekende recept de uitdrukkingen „Als Gijsie melig is, dan krijgt Gijsie een soes op z’n wang” e.d. in zijn critiek voor.

Wat is nu de bedoeling van deze uitbarstingen?

Niet anders dan om de mensen te vertellen, dat Piet Bakker niet aan voorlichting gelooft. Hij gelooft alleen aan de heilige intuïtie van het moederhart. Hij, arme, gelooft aan deze zelfde heilige intuïtie, die Indonesische moeders hun kleine kinderen zo vol eten laat stoppen, dat het sterftecijfer er onnodig enige malen te hoog is, dezelfde heilige intuïtie, die de Chinese moeder de voeten van haar dochters doet vervormen, de Marker-moeder haar baby’s liet inwikkelen, dezelfde heilige intuïtie, die de eenvoudigste hygiënische maatregelen niet zou weten, zonder voorlichting.

Piet Bakker heeft nog nooit eens een statistiek bekeken, anders zou hij weten, dat in 1898 op elke 1000 levend geborenen in Nederland er 160 als zuigeling stierven, doch dat in 1938 deze 160 teruggebracht waren tot 35.

Piet Bakker zou versteld hebben gestaan hoe de heilige intuïtie bewerkstelligd had, dat van de 15 aan voedingsstoornissen ge-

storven zuigelingen op de 1000 levend geborenen in 1920, er in 1937 nog slechts 2i zuigeling aan voedingsstoornissen overleed. Piet Bakker gelooft niet aan voorlichting. Wellicht zal hij nu komen aandraven met de bewering, dat hij deze lichamelijke voorlichting niet bedoelde, doch het alleen over de opvoeding had. Alsof bij de opvoeding de lichamelijke voorlichting zou mogen ontbreken.

Doch goed, het gaat dus om de geestelijke vorming. Hierbij is de voorlichting dus overbodig. Hier is ineens de heilige intuïtie van de moeder de raadgeefster. Vreemd, dat op het gebied van het lichamelijke welzijn de intuïtie faalt, doch op die van het geestelijke terrein op volle toeren door blijft draaien.

Piet Bakker heeft dan ongeveer met iedere Indonesiër kennis gemaakt en van hem een oordeel gehoord, doch in eigen land heeft hij blijkbaar nooit één gesprek gevoerd met een psychiater, kinderpsychiater, huisarts, dominee of pastoor. Ze zouden hem over die opvoeding aardig wat kunnen vertellen en misschien zou zelfs Piet Bakker dan nog wel wat voor voorlichting voelen. Doch in wezen gaat het daar niet om. Het bezwaar zit ergens anders.

leder normaal denkend mens zal, wanneer hij ouder is geworden, zich ongetwijfeld voor ogen houden, dat hij de fouten, die hij zelf heeft, niet dóór wil geven aan zijn

kinderen. Hij mag nog zoveel van zijn eigen ouders houden, ze hebben fouten gemaakt, onbewust wel is waar, doch de fouten zijn er. Deze fouten nu wil hij vermijden, want hij vindt zich zelf nu niet bepaald het volmaakte voorbeeld.

En hier ligt de kneep. Piet Bakker vindt zich zelf wel een volmaakt voorbeeld. Hij is opgegroeid met een soes op z’n wang en kijk nu eens wat er van geworden is, hè? Een prachtvent, een echte flinke Nederlander, zo een van leven en laten leven (maar toch vooral van leven), een gezonde Hollandse jongen, die op tijd zijn eten en zijn pak slaag kreeg, niets geen gesentimenteels, hard, een ruwe bonk maar met een hart van goud (vooral van goud), kortom een Elsevier-socialist.

Piet Bakker moge zich voor ogen houden, dat Napoleon reeds voelde, dat er voorlichting nodig was. Van hem is het gezegde: De opvoeding van het kind begint 17 jaar vóór de geboorte”.

Deze zomer is er in het R.A.1.-gebouw een tentoonstelling „Jeugd van Nederland”. Veel van wat Piet Bakker niet weet, is hier te zien. Een bezoek hieraan zal voor hem zeer nuttig kunnen zijn.

In ieder geval heeft de heilige intuïtie Piet Bakker een smerige poets gebakken door hem over opvoeding te laten schrijven, want hij lag er zo’n 180° uit de koers. W. G. BEZEMER

Noodlottige herhaling. Rampzalige vergissing.

Democratisch socialisme heeft een eigen weg te gaan in de bestrijding van het communisme. Dat betekent in de eerste plaats: niet met de kapitalisten samen tegen het communisme. We moeten ons als socialisten niet laten misbruiken.

Een fundamenteel anti-kapitalistische politiek, die even revolutionnaire maatregelen ten aanzien van het economischsociale durft nemen als nu ten opzichte van het militaire, die alleen vormt het wapen, waarmee het communisme kan en mag worden bestreden.

KR. STRIJD.

KorU aankondigingen

Het mocht u misschien ontgaan, daarom wijzen wij er u even op:

le. Jan Pierewiet, een bundel liedjes, samengesteld door Bob Wolsey, 8e herziene druk, V. Gorcum & Co., Assen, 1949, 192 blz., ƒ 1,50.

Aanbeveling overbodig voor degenen die weldra trekken gaan. Een bezoeker van jeugdherbergen kan er niet buiten. De bundel is zorgvuldig herzien en verdient ook buiten trekkerskringen bekendheid om zijn rijke, hoewel enigszins voorkeurloze inhoud.

2e. Ab Visser,, Guido Gezelle, Mens en Dichter. Uitgave Bonn N.V., Assen, 95 blz., ƒ3,25. Als eerste inleiding tot Gezelle nuttig. Onder de bronnen mis ik het uitstekende boekje van prof. Baur: „Uit GezeUe’s leven en werken”, en de levensbeschrijving in twee delen van A. Walgrave. Het boekje bevat ook enkele gedichten. De keuze is m.i. ongelukkig, de toelichting louter anecdotisch en daarom vrijwel waardeloos. Dit boekje, zo heet het: „Is bewust voor het grote publiek geschreven”. Het zij zo: beter iets dan niets, maar het grote publiek ware beter gediend met een boekje van iemand, die zich werkeiijk in Gezelle verdiept had. De informatie van dit geschrift is oppervlakkig, de eigenlijke inleiding tot de poëzie blijft beneden elk peil, terwijl de keuze der gedichten conventioneel is in de kwade zin van het woord. De „delicate” kwestie op blz. 66 (nog eens op blz. 76), is helemaal niet delicaat, noch veelomstreden. Het is een dom misverstand, waarmee Baur definitief heeft afgerekend.

3e. Dr C. Bouma, De opstanding. Uitgave J. H. Kok N.V., Kampen, 1949, 44 blz. ƒ0,95.

Een populair-apologetisch boekje over het geloofsmysterie van Pasen. Het is te vrezen, dat het alleen maar overtuigt, wie al overtuigd zijn. Het rekent al te vlot en zelfverzekerd af met de opvattingen van hen, die dat geheim niet zó geloven kunnen. Wie er reeds aan geloven, kan het helpen hun geloofsinzicht te verdiepen. Eigenaardig, maar het geldt niet alleen voor dit boekje, is de soms willekeurige tekstverklaring (zie bijv. de opvaliende kijk op de betekenis van het Johannes-evangelie, blz. 34). Men moet zo iets toch niet met dezelfde stelligheid opdissen als het geloofsstuk zelf.

ie. A. E. d’Ailly, Historische Gids van Amsterdam. Achttien wandelingen. Uitgave O.V. Allert de Lange. A’dam, 1949. 399 blz., ƒ7,90.

Wel dUur, maar dan ook de uitvoerigste en degelijkste der gidsen van Amsterdam. Klein gedrukt als het is, bevat dit boek een ware schat aan gegevens, bijeengezet door een der beste kenners van Amsterdams historie. Tailoze kaarten en plaatjes verduidelijken de tekst, die dubbel waardevol wordt door de rijke registers. Het boekje in handig formaat is compact, en waartoe het ontkennen?: ge zult het niet in één ruk uitlezen, maar zijt ge Amsterdammer, dan zult ge het vaak raadplegen, en bezoekt ge nu en dan onze mooie stad, dan vindt ge hier

alle gegevens voor uw, in geschiedenis en stedeschoon belangstellende geest, de inspiratie tevens voor een verrukkelijke wandeling.

RED.-SECR.

Leestafelnieuws

J. Luger en H. P. v. d. Aardweg, Louis Davids. Uitgeverij Engelhard, Van Emden & Co., A’dam, 1949, 234 blz. ƒ6,50.

De titel is eerlijkheidshalve uitvoeriger; „Een kleine man, die je nooit vergeet”, en „verteld door Heintje en naverteld door de bovengenoemden”. Het boek is om twee redenen interessant: als cultuurdocument en als levensbeschrijving, maar het staat tegen door de mateloze verheerlijking en de doorlopende goedpraterij. Men kan het leven van een mens beschrijven en eerlijk ook zijn tekortkomingen weergeven, aan de lezer het oordeel overlatend, die gedachtig zijn eigen falen, raadzaam zal handelen door niet te oordelen maar te pogen tot begrip te komen. Men kan ook, ais lofredenaar, eenzijdig het licht laten vallen op de verdienstelijke zijden van zijn onderwerp en de rest met de mantel der liefde bedekken. Maar men moet niet uitvoerig de trouweloosheden en het egoïsme van zijn held schilderen. (Hebben overledenen tegenwoordig niet meer recht op hun goede naam?) en tegelijkertijd dit alles goedpraten, alsof artisten ontheven waren aan de gewone regels der menselijke welvoeglijkheid.

Mateloze verheerlijking! De latere liedjes van Louis Davids zijn een succes geweest, dank zij voordracht, meiodie en tekst. Men kan dat alles rustig erkennen, en tegelijkertijd met nadruk zeggen, dat de teksten zowei van lied als conférence meestal meer dan erbarmelijk zijn. De lectuur er van maakt iemand met smaak weeïg! Vergelijk ze maar eens met de liedjes van Speenhof en ge proeft het klasseverschil en vergelijk ze beiden met de boertige liedjes uit de Rederijkerstijd' of van Breeroo! |

Een grammofoonplaat kan nog iets van de charme vasthouden, hoort men ze opnieuw zingen door een van het gilde der begaafden, onlangs door Fien de la Mar, dan begrijpt men weer, dat zalen geloeid hebben om Louis Davids, maar, in ’s hemelsnaam, druk de teksten niet af! Ten slotte: de overigens goedgeïnformeerde schrijvers zijn uiterst karig in duidelijke aanwijzingen van wie eigenlijk melodie en teksten zijn. Treurig maar waar: uitvoerende kunstenaars gaan heen en het is onbegonnen werk 1111 l HIM li iliim herleven.

Villen. Balladen. Franse tekst met Nederlandse vertaling van Bert Decorte. Uitgeverij L. J. Veen N.V., A’dam. 1948.

Mooie uitgave, edel drukwerk. De vertaling lijkt me fraai, maar een Noord-Nederlander staat aitijd wat machteloos tegenover de Vlaamse vrijpostigheden met onze taal. Maar wat een wrang, doch aangrijpend feest weer eens de onsterfelijke balladen te lezen van die oude Middeleeuwse kroegloper. Dit zijn dan liedjes van een gesjochte jongen, en hoe! Ge moet er Louis Davids maar niet mee vergelijken!

J. G. B.

MV. M AMUOCIOMIIS < AMSTIMMI