is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 43, 23-07-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kracht heeft en een zaak van het leven is. Is het niet nodig, dat een mens dat leert? Zij deed niet aan poiitiek. Hoe boordevol ik ook was over de politieke kwesties van die dag, zij luisterde. Zij wilde misschien wel verstand hebben van al die problemen, maar zij vroeg rare dingen: hoe het met de mensen stond; hoe het met het geluk van de gewone vrouw en de gewone man kwam nö, al die prachtige veranderingen die ik betoogde. Vragen, die ik natuurlijk gladweg kon beantwoorden, maar toch nog véél later in mijn oren klonken. Ik heb haar nooit bittere woorden horen spreken. Noch over eigen ervaringen, noch over anderen. Het was, aisof ze geen slechte mensen zag. In haar omgeving waren alleen maar goede mensen. Als ik ze slecht noemde, dan wees zij op een verkiaarbaar, triest gebrek. Hulpbehoevend, liefde-behoevend. Die ontmoette zij wél, en ze ontmoette velen. Ze zocht ze. Ze hielp ze met zorg. Trouwens, hoe zij ze hielp, ben ik nooit te weten gekomen. Dat ging schuil achter een wijs en ingetogen zwijgen. Ze had daar, weinig speculatief als zij was, misschien ook zelf geen woorden voor. Het .waren vooral vrouwen, die zij hielp Waarom ze deze hielp, vertelde ze niet. Toch is daar een verklaring voor. Zij wist zich gelukkig. Vrouwelijk-gelukkig. En dat geluk was niet voor haar en haar kring alleen. Dat geluk moest voortvloeien. Van de wijsheid van het hart uit, die liefde heet.

Ik weet dat het precies dóar begon, dat ik voor mijn verdere leven niet de gewone mannen-eerbied voor de vrouw verwierf, maar de dwaasheid voor mij kwam te staan, die ik later duidelijk zou zien, de dwaasheid van onze cultuur, die de vrouw op een of andere manier lager stelt dan de man en die daarmede aan wezenlijke eerbied te kort schiet. Ondanks de gebruikelijke courtoisie. Daar heb ik voor het eerst ontdekt, wat ik later in mijn leven vaker, en nog dieper zou beseffen, dat de gelijkwaardigheid van man en vrouw niet gelegen is in politieke gelijkheid, in gelijke lonen, in gelijk levensgedrag. Dat is alles buitenkant en het kan op zichzelf de moeite waard zijn om er voor te vechten. Maar de waar achtige gelijkwaardigheid is gelegen zo heb ik van haar begrepen, ofschoon zij er nooit een woord over sprak in die wijsheid van het hart, die de man ontbeert en die hij nodig heeft, niet alleen in zijn huiskamer en bij zijn vrije tijd, maar vooral bij zijn dagelijkse werk, bij zijn strijd en bij zijn geloof. Zonder haar wordt al het handelen in de wereld een hard, kortademig, schriel gedoe.

Nu is zij gestorven. De laatste maal, dat ik haar bezocht, wist zij, dat het einde naderde. Dat wist zij trouwens al heel lang. Zij wist het door de afmattende pijnen, door het achteruitgaan van haar vermogens. Zij was moe. Maar zij zei, dat zij nu, op haar bed, gelukkig was. Want zij ontdekte de vreugde van de kleine dingen, die haar vroeger nooit waren opgevallen. Een troostwoord kon ik niet spreken. Ik ging getroost heen.

Dit is het beeld van een gestorvene. Ik noem haar naam niet. Slechts weinigen, die dit lezen, zullen haar herkennen. Daar ging het ook niet om. Het is geen „in memoriam” voor iemand, die gerucht verwekt heeft. Het is een vreugdevol heenwijzen naar een levenswerkelijkheid, naar een werkelijkheid van leven, die velen niet zien. Waar velen niet in geloven. Tot hun eigen schade. Tot schade van de wereld. De levenswerkelijkheid, die alleen de stillen in den lande kennen. Zonder hen zou de wereld, naar de mens gesproken, reddeloos verloren zijn, L. H. RUITENBERG.

De nivellering van de inkomens

Inkomensnivellering is momenteel een wereldverschijnsel. Het is van de allergrootste betekenis. Deze niveilering is volstrekt niet alleen een oorlogskind! e, al is zij door de oorlog wel zeer bevorderd, evenals trouwens door de oorlog van 1914—1918; zij is een van de belangrijkste kenmerken van onze eeuw. De twintigste eeuw verschilt juist daarin grondig van de 19de, ja ik zou willen zeggen dat zij daardoor grondig verschilt van de vier eeuwen die aan de twintigste vooraf zijn gegaan. Zij heeft een levensklimaat, dat geheel en al anders is dan dat van onze vaders en grootvaders. De oude tijd is radicaai verdwenen.

Die laatste vier eeuwen (1500—1900) gaven de emancipatie te zien van de mens uit de traditie van de piiddeleeuwen. Ook die middeleeuwen waren niet een periode van gelijkheid. Er heerste een gebonden ongelijkheid. Er waren rangen en standen, die daar was de hele wereld van overtuigd kwalitatief volkomen verschillend waren. Bij elke stand paste een andere levenswijze en natuurlijk ook een ander inkomen. Dat gold voor betrekkelijk kleine verschillen als die tussen de hertog, de baron, de ridder en de (voor zover aanwezig) vrije boer, en het gold natuurlijk in de eerste plaats voor de grootste standsverschillen: tussen vrije en horige, tussen burger (stadsmens) en edelman of tussen burger en horige boer.

Misschien spreekt dit wel het duidelijkst bij het verschil tussen bezitter en bedelaar. De bezitter was zeer belangrijk maar de bedelaar had óók een functie in de maatschappij ; de bedelorden herinnerden de mensen er aan, dat rijkdom wel oirbaar was, maar dat de rijke nooit mocht vergeten, dat in Gods oog de bedelaarsverhouding veel meer passend is dan die van het verzekerde bezit. De middeleeuwer verdacht de rijke er eigenlijk min of meer van dat waar vele schatten waren vergaard, ook het hart zou zijn; en de bedelaar, die aan de deur van een kerk, aan de poort van een kasteel of op een stadsmarkt zijn hand uitstrekte om een aalmoes, kon deze hand onmiddellijk met manend en vermanend gebaar tegen de bezitter opheffen, wanneer deze zijn plicht zozeer verzaakte, dat hij weigerde de arme in diens nooddruft te voorzien. De bezitter was een nuttig lid van de samenleving, zeker, maar de arme had óók een functie. De functie van de bedelaar was, dat hij de rijke altijd herinnerde aan diens eigenlijke positie tegenover God. Rijken en bedelaars behoorden zo in de maatschappij bijeen. Zij waren fundamenteel verschillend, maar zij hadden elkaar iets te zeggen, zij waren op elkaar aangewezen, en zij waren daarbij gebonden aan de regels die voor het gehele maatschappelijke lichaam golden, even goed als de regels voor het menselijke leven pasten in het geheel van wetten die aarde en hemel in stand hielden.

De vier eeuwen van 1500—1900 hebben de traditionele geestelijke en morele banden vervluchtigd en daardoor de rangen en standen en de individuen waar deze uit hadden bestaan op zich zelf gesteld. In de kern ging het er na 1500 om, dat de mens als persoonlijkheid werd gezien, gebonden niet aan van buiten af gestelde, door God gegeven regels, maar aan regels, die uit het be-

lang van zijn eigen opbloei, zijn eigen geesteiijke en stoffelijke ontplooiing volgden en die hij zich dus ook alleen zelf kon stellen. De volle draagwijdte daarvan is eerst langzaam doorzien en misschien eerst in onze eeuw volledig begrepen. Aanvankelijk hoopte men, dat een synthese tussen deze uit de renaissance geboren cultuur en het evangelie van de Gekruisigde zou ontstaan, maar, ook waar aldus de nadruk niet op het verschil werd gelegd, is het verband tussen de mensen, dat gegrond was geweest in „één geloof, één hoop, één doop” onder de stralen van de zon der renaissance verdampt of verpulverd en in de storm van de energie die deze eeuwen voort heeft gejaagd, verstoven.

Voor de inkomensvorming had dit de grootste betekenis. Mag ik het eens zo zeggen: nu de vermanende hand van de bedelaar niet meer gesteund werd door het ongebroken gezag van een christelijk mensbeeld, maar als onbelangrijk werd vergeten in de edele drang naar zelfontplooiing, was de rem op het streven naar persoonlijke verrijking verdwenen en er was ook geen grens aan het streven naar verrijking meer te zien. Alle herinnering aan de middeleeuwse normen van de „standesgemasse Nahrung” vermocht niets meer tegen de felle begeerte naar rijkdom en (bij de edeler geesten) de hartstochtelijke behoefte aan zelfontplooiing. De standsverschillen waren niet meer aan grenzen gebonden. De traditionele grenzen vervaagden nu de oudchristelijke vermaning haar pit had verloren. Er kwam natuurlijk wel iets voor in de plaats, want hoe zou ooit christendom kunnen bestaan zonder voor de naastenliefde de een of andere vorm te \dnden? Maar wat er nu kwam was een vrijblijvende filantropie, waarvan het kenmerk was dat, in tegenstelling tot de middeleeuwen, de plicht er toe ontbrak, dat althans de scherpe angel aan deze plicht was ontnomen. Dat desondanks deze filantropie een uiterst belangrijk christelijk werk heeft gedaan, is hiermede natuurlijk allerminst ontkend.

Onder de omstandigheden van een zich met reuzenschreden wijzigende productietechniek nam de ongelijkheid van inkomens in de 19de eeuw afmetingen aan, die sedert de verdwijning van de op slavenarbeid opgebouwde samenlevingen niet meer waren gezien. Tegelijk dat moeten we, vooral als socialisten, er meteen bijzeggen heeft deze formidabele groei van de ongeiijkheid de verhoging van het levenspeil, óók van de grote massa, tot een niveau als ter wereld nog nimmer was aanschouwd in de hoogste mate bevorderd. M.a.w., de ongelijkheid is niet alléén maar een verhaal van eenvoudige tegenstellingen in zwart en wit hier overdadige rijkdom, daar zwarte armoede —; zo simpel zijn de dingen meestal alleen in een derderangs gruwelverhaal. De rijkdom van de rijken stak in het productie-apparaat, dat tegelijk met hun persoonlijke rijkdom eveneens in de hoogste mate toenam en waarvan de voordelen op den duur voor allen, zonder enige uitzondering merkbaar zijn geworden.

Wie zich de wereld van vóór 1914 nog eens indenkt, staat verstomd over de enorme koopkracht van de grote kooplui en fabri-