is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 45, 13-08-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De laatste ronde Een nieuw begin

De jongste gebeurtenissen in Indonesië de afkondiging van de order „Staakt het vuren”, de resultaten van de Bijeenkomst Federaal Overleg, de redevoeringen van de meest verantwoordelijke leiders en het begin van de Ronde-Tafelconferentie zo aanstonds in Den Haag, zijn voor ons een even beschamende als diep verheugende 'verrassing. Laat ons over het beschamende niet al te veel meer zeggen; men kent ons standpunt: wij hebben een politiek gevoerd, die vol goede bedoelingen en vol ellendige mislukkingen is geweest, en innerlijk hadden wij niet meer durven hopen op een aanvaardbare redelijke afloop. Dat die redelijke afloop toch nog mogelijk schijnt te worden, hebben wij te danken aan een samenstel van krachten, dat voor een niet-ingewijde niet te doorzien is, maar waarvan twee factoren toch wèi duidelijk zijn: de bijzondere bekwaamheid van dr Van Royen (en stellig ook van enkele van zijn voornaamste tegenspelers aan Indonesische zijde) en de duidelijke druk van de Ver. Staten van Amerika. |

Wat de eerstgenoemflß laclOr betreft, men vergunne ons daarover één opmerking. Het optreden van dr Van Royen, eerst in de Veiligheidsraad, later in Indonesië, is een bewijs dat karakter en bekwaamheid, dat zedelijke factoren óók in de wereldpolitiek een beslissende rol kunnen spelen. Van Royen is naar Indonesië gegaan niet alleen met een kennis van zaken als geen ander (hij kende uit de eerste hand de internationale situatie) maar ook met het inzicht, dat alleen iets bereikt kon worden op basis van vertrouwen, en met de vaste wil om vertrouwen te winnen door het te schenken. Zó staat het beeld van deze politicus, wiens naam en daad in de geschiedenis zullen voortleven, voor ons: een man, die het gewaagd heeft om in een impasse, in een met bloed bezoedelde situatie, een beroep te doen op zedelijke kracht. Zeker, dat hebben de mannen van Linggadjati óók gedaan, dat hebben meerderen gewild en gehoopt hier heeft het gestalte aangenomen. Na alle bruutheid en Macchiavellisme, ook na alle zgn. realisme van scherpslijpers, is het een feit om ontzaglijk dankbaar voor te zijn. De Ronde-Tafelconferentie is de laatste ronde van het proces gevaarlijk genoeg overigens nog, omdat van de uitvoering van de order „Staakt het vuren” zo enorm veel afhangt!, en deze uitvoering niet ligt in handen van de Van Royens, Roems, Hatta’s. Moge de gelegde grondslag van vertrouwen sterk genoeg bßlken!

Dan staan wij dus voor een nieuw toegin.

Daarbij hebben de Indonesiërs hiin verantwoordelijkheid, wij de onze. Ik denk nu aan de vraag, of ons Nederlandse volk, althans de leidende figuren daarin, in staat zal zijn om de nieuwe situatie geestelijk te dragen. Er zijn stellig een paar heel kwade dingen. Het komt mij voor, al weet ik, dat zulke dingen moeilijk bewijsbaar zijn dat de Indonesische kwestie ms volk dieper gespleten heeft dan ooit mig ander politiek geschilpunt, dieper dan ïijv. de werkloosheid, de schoolkwestie, jelfs dan de „revolutie” van 1918. Dat verjaast ook niet, omdat er zulke geweldige reële belangen mee gemoeid waren; boveniien; er is betaald met bloed; en bloed is in Ie politiek een zeer bijzonder vocht! Deze iiepe scheur door ons volk betekent in elk jeval een belemmering voor de doorwerfeing van het werk van Van Royen en de ïijnen. Men mag daarbij hopen en verwachten, dat historische feiten belangrijker zijn dan artikelen en brochures, dan redevoerigen en demonstraties, en dat een deel der oppositie wel zal moeten buigen. Voor diegenen in ons volk, die van de aanvang af het zedelijk recht der Indonesische revolutie hebben erkend, komt het er thans op aan de grondslag van vertrouwen in dit eigen volk zo sterk mogelijk te maken. Ik ontveins mij niet, dat er enorme moeilijkheden liggen, wanneer wij deze op zichzelf nog maar brave algemeenheid gaan concretiseren. Daarbij denk ik bijv. aan de soldaten, die uit Indonesië terugkomen. Eerste vraag; hoe, in welke geestelijke gesteldheid? Hoe heeft „men” hun geesten geleid en gevoed in de situatie, die hün het leven kon kosten, zonder dat zij de gevoerde politiek konden doorzien? Tweede vraag: wat zal hun plaats zijn in het vaderland? worden zij opgenomen in het arbeidsproces of zullen zij moeten vechten met de ellebogen? Hoe zullen zij, die het immers zelf gezien hebben, ons volk voorlichten en geestelijk beïnvloeden? Als ik de zo even gestelde taak: de bodem van vertrouwen in ons volk zo sterk mogelijk maken, concretiseer, zie ik hier, onder de terugkerende troepen, werk te over.

Wij kunnen stellig óók denken aan werk in Indonesië. Alle culturele werk, dat In onbaatzuchtigheid ginds wordt verricht door onderwijs, medische zorg enz. betekent tevens een versterking van de vertrouwensgrondslag hier. Men heeft de oproep van Hatta aan de jonge generatie van Nederland gelezen. Ik hoop vurig, dat jonge socialisten en Christenen in deze oproep iets zullen verstaan van een stem, waarop zij als voor Gods aangezicht staande, antwoord hebben te geven.

Daarmee ben ik bij het wezenlijke van wat ik vandaag wilde zeggen. Ik heb het sterke gevoel, dat als de Ronde-Tafelconferentie inderdaad een nieuwe periode inluidt, wij dat niet hebben verdiend, maar dat God ons een nieuwe kans geeft, die wij in ootmoedige dankbaarheid mogen grijpen de kans óók om groot werk van vorige generaties in nieuwe verhoudingen voort te zetten. Daarom begeleiden wij het werk der R.T.C. met onze gespannen aandacht, met ons gebed. Maar tevens beseffen wij, dat een eventueel slagen van de conferentie roept tot nieuw werk, in onbaatzuchtigheid en dienst. Als het inderdaad waar is, dat Van Royens politiek een bewijs is van de betekenis der zedelijke krachten, dan eist dat van hen, die daarvoor danken, nieuwe toewijding. Een oude spreuk legt innig verband tussen orare en laborare, tussen bidden en werken. Dat verband moge aan dit zeer concrete geval: het nieuwe begin met de Vrije Republiek Indonesië, scheppend duidelijk worden. W. B.

licht van historisch realisme en deze samen met elkaar in evenwicht te torengen. Dat kan waarlijk alleen in de nuchtere zin voor het reëel verloop der dingen, maar niet minder in de kracht van het geloof. Geloof in de toekomst, ook van Indonesië maar naar mijn vaste overtuiging toovenal geloof in Hem, die de geschiedenis leidt van verleden tot heden en van heden tot toekomst en door de toekomst heen tot de voleinding, waarvan wij nu alleen nog maar dromen, maar die, als ’t er op aan komt, de grootste realiteit is tooven alle menselijk denken en doen uit. M. VAN DER VOET

DE BEDELAAR

De bedelaar behoort als figuur reeds min of meer tot het verleden. In veel landen hebben de sociale wetten gedurende de laatste halve eeuw een zo sterke uitbreiding ondergaan, dat in bijna alle gevallen een voorziening kan worden getroffen, waardoor iemand voor bedelarij behoed wordt. Dit is wel geheel anders dan in de eerste eeuwen van het christendom, toen de christen de bedelaar als een aanleiding zag om zijn dankbaarheid tegenover God te tonen en er zichzelf slechts een verwijt van maakte, dat hij dit niet genoeg deed, zonder op de gedachte te komen, dat bedelarij eigenlijk 'een vloek is voor het maatschappelijk geweten. Maar laat ons niet vergeten, dat ook in het Nieuwe Testament met een haast tere liefde over de bedelaar gesproken wordt en dat de belangstelling voor Lazarus in de gelijkenis haast even groot is als voor de rijke man, die toch het middelpunt vormt. Maar er zijn dingen, die strijdig zijn rnet de geest van Christus, ofschoon Christus zelf de strijd daartegen niet heeft aangebonden. Men denke slechts aan de slavernij. Zo kunnen wij slechts dankbaar zijn, dat de bedelarij tot het verleden gaat behoren en het wegblijven van haar verschijning slechts afhangt van de juiste toepassing der sociale wetten, j

Met het verdwijnen van de bedelaar is echter een andere figuur op het toneel verschenen, die er veel en veel erger aan toe is. De geestelijke bedelaars vormen het grote probleem van onze tijd. Zij zijn niet de geestelijk armen, die door Jezus zalig worden gesproken, integendeel, zij missen alles, waardoor de geestelijk armen innerlijk juichen van geluk. Zij missen kinderlijkheid, eenvoud, blijdschap, openheid en nog vele dingen meer. Zij zijn de mensen met wie men haast nooit in contact komt, omdat zich niets aanbiedt als een mogelijkheid tot contact. Als zij zouden spreken maar dat doen zij zeker niet dan zouden zij zeggen: „Ik heb niets, werkelijk niets. Ik ben doodarm.” „Ik ben een geestelijke bedelaar, van de eerste orde en er zijn geen sociale wetten, die mijn last kunnen helpen verlichten.” „Niets” is de ziekte, waaronder onze tijd gebukt gaat en het is niet eens zo eenvoudig ons geval voor geval deze diagnose te stellen. |

De geestelijke bedelaar zoekt naar het toverwoord, dat hem tegen ondergang beschermt. Vele toverwoorden dienen zich aan en ieder toverwoord is een god, die nieuwe hoop doet lichten. De hang naar het mysterieuze moet zich uitleven, niet ondanks, maar dank zij het rationalisme. In zijn poging om al het geloof als bijgeloof te ontmaskeren, bereikt het rationalisme, dat het bijgeloof machtiger dan ooit de kop opsteekt. Het mysterieuze zweert de mens krachtens zijn natuur trouw en het hangt slechts van de geaardheid van de mens af, of men zijn toevlucht zoekt tot Steiner of tot Mieremet. I

Het Woord is om zijn eenvoud verdacht. Het woord is niet een toverwoord, maar slechts een naam: Jezus Christus. Toch blijft deze naam ondanks het vele misbruik meer mysterieus, een groter verborgenheid, dan alle toverwoorden. Zelfs de aarts-tovernaar Simon blijkt er gevoelig voor te zijn. Maar van de eenvoud on de waarheid heeft hij niets begrepen en daarom blijft hij een geestelijke bedelaar. God bevrijde onze wereld van deze ziekte, die niet als ziekte herkend wordt. En het Woord in al zijn eenvoud vorme opnieuw het middelpunt

van ons denken en doen. Etten (Gld.). A. F. L. VAN DIJK.