is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 45, 13-08-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gesprek over het Communisme

Democratisch-socialisme en communisme. Het lijkt misschien wat vreemd, dat ik in mijn laatste artikel zoveel over de P.v.d.A. gesproken heb, terwijl het toch gaat over het communisme. Het ene hangt echter ten nauwste met het andere samen: het dem. soc. is het enige positieve antwoord op het communisme. Het kapitalisme heeft afgedaan. Met een scherp woord van Laski: „De tijd, waarin de kapitalisten de staat beheersten op de wijze, waarop hun dat goeddacht, keert niet terug, om de eenvoudige reden, dat niemand meer vertrouwen heeft in hun beleid behalve zijzelf ”

Het communisme wil een antwoord zijn op dit verdwijnende kapitalisme. Maar in dit antwoord geloven wij niet. De omweg over dictatuur en terreur zal blijken een dwaalweg te zijn.

Het democratisch socialisme is geroepen het andere antwoord te geven. Hier is onze hoop èn onze verlegenheid. Het valt mij op hoeveel er gesproken wordt over vleugellamheid, matheid, gemis aan eigen socialistische visie, verburgerlijking, van het democratisch socialisme (allemaal termen uit „Socialisme en Democratie” Mei en Juni ’49).

Wij moeten de tijd hebben voor onze hervormingen, zegt men. Dat kan wel zijn, maar het lijkt er erg veel op, dat we de tijd niet krijgen. De tijd zal óns nemen in plaats van wij de tijd. De radicale uitdaging van het communisme eist een radicaal (en niet een behoedzaam) antwoord van het democratisch socialisme. En dit laatste is helaas maar al te zeer geneigd het woord „radicaal” met „ridicuul” te vertalen.

De vermilitarisering van de P.v.d.A.

Mr Hogerzeil vraagt van mij om concreet te zijn op het punt van de schuld en op het punt van de weg-eruit. Ik noem, na Indonesië, allereerst de fatale vermilitarisering van het democratisch socialisme.

De hypocrisie van het pacifisme van de CPN heb ik heus wel door. Maar toch wanneer ik met communisten spreek en het gaat over het militairisme, dan denk ik er niet aan, de vermilitarisering van de P.v.d.A. goed te praten evenmin als het communistische militairisme. Precies 9 jaren na de beruchte Meidagen is de begroting van Oorlog en Marine behandeld in de Eerste Kamer. De CH minister van oorlog mr Schokking heeft Evert Vermeer (P.v.d.A.) geprezen: „Geef mij maar 20 Vermeers voor dat werk!”: dan zouden de misverstanden met betrekking tot de nationale defensie wel uit de weg geruimd worden

In „De Waarheid” van 12 Mei verscheen een hele rij hoofden van E. Vermeer met de uitspraak van de CH minister er boven. We kunnen zeggen: o, dit doet ons niets. Ik geloof, dat dit niet juist is. Het doet ons wél wat. In deze critiek zit een stuk waarheid, dit is een stuk oordeel over ons democratisch socialisme, dat totaal vermilitariseerd dreigt te worden. Geen huichelachtig CPN-pacifisme (wanneer dezelfde oorlogsbegroting, waar de communisten nu tegen gestemd hebben, een pro-Russisch doel had moeten dienen, dan hadden ze vóór gestemd) kan mij beletten, dit oordeel red-

dend en verontrustend op mij te laten inwerken.

De P.v.d.A. zegt zich nu belast te gevoelen met het anti-militairistische verleden van de SDAP. Wat eens een glorie der socialisten was, is nu hun last en ze zeggen het zelf. Hoe is het goud verdonkerd, het edele goud van glans beroofd! (Klaagliederen 4 : 1).

In één en hetzelfde nummer van „Paraat”, het weekblad van de P.v.d.A. kan dan ook tot tweemaal toe worden herinnerd aan het revolutionnaire, gezond-socialistische „Niet met de waap’nen der barbaren ”, maar even verder lezen we: „De tijd is nu rijp om nu eens een progressief man de gelegenheid te geven het aan conservatieve verstarringsverschijnselen lijdende militaire lichaam nieuw leven in te blazen”, (8-4-’49).

Deze vermilitarisering, die door de P.v.d.A. op geen enkele wijze wordt tegengegaan, is één van de grootste gevaren voor ons volk (moreel, financieel, politiek, godsdienstig) maar ook voor het democratisch socialisme. Men leze eens de toespraak van J. G. Suurhoff, bestuurder van het NVV, opgenomen in het boekje „Leger en volk” (uitgave Regeringsvoorlichtingsdienst). In dat boekje zeggen ze allemaal hetzelfde; Luitenant-Generaal Kruis en prof. Van Kuier, pater Henri de Greeve en J. G. Suurhoff. Het is eigenlijk om je dood te schamen.

! Hebben we dan als socialisten geen eigen; ! geluid meer? Laten wij ons dan zomaar; I in alle onnozelheid in het vermilitarise-, I ringsproces gelijkschakelen? ! Mr Hogerzeil zal mij vragen: maar wat; dè,n? Ik antwoord hem: Laat de oude rode; anti-militairistische geest weer vaardig; over ons worden. Heus, er zijn nog moge-: lijkheden genoeg op dit punt. De P. v. d. A. heeft de taak, niet om voor „democratisering van de weermacht” te pleiten, maar; om die geest te wekken en te versterken,, die weerstand biedt aan militairisme en totalitarisme, omdat zij opkomt voor: Socialisme en Democratie. En er zijn, geen groter vijanden voor democratie eni socialisme dan totalitarisme en militairis-; : me. Het socialisme zal anti-militairistisch' zijn of het zal niet zijn. Dat heb ik eensj en voor goed van en in de P.v.d.A. geleerd, j Het verzet tegen de stelselmatige oorlogs-' voorbereiding moet van het volk uitgaan. j Dit verzet moet door ons niet worden platgepraat, het moet door ons worden aangewakkerd en georganiseerd. De fakkel van het „Niet met de waap’nen der barbaren” moet in het midden van ons volk geworpen worden. De kerk doet het niet. Als het socialism# het niet doet, _Hle zal het dan doenf

Idealisme? Maar waar komen we uit met het huidige „Realisme”? Het is niet onbarmhartig hierover te spreken. Onbarmhartig is het, de zaak te laten gaan, zoals die gaat. Want op deze wijze gaan we met z’n allen naar de kelder, op de andere manier niet?

Ik wil hier concreet op antwoorden. De keus is tussen deze twee mogelijkheden; 1. De anti-communistische wereld moet zich zo sterk bewapenen, dat Rusland niet aan een oorlog zal kunnen denken. Zo alleen zouden we de vrijheid kunnen behouden. 2. Wij voeren een radicaal-democratischsocialistische anti-militairistische politiek

en spannen ons in, het volk strek te maken voor een positief verzet tegen een eventuele Russische overheersing met alle risico en lijden daaraan verbonden.

De eerste mogelijkheid wijs ik vanuit mijn christelijk geloof en vanuit mijn democratisch-socialistische overtuiging absoluut af. Alleen de tweede mogelijkheid zullen we mogen aanvaarden. In vrees en beven.

In beide gevallen dat is het afschuwelijke van onze situatie gaat, wat men noemt „de massa” er aan. Want bij de eerste mogelijkheid zal ze permanent zuchten onder een knellend totalitair militairisme, dat haar als een Moloch verslindt, terwijl de kans, dat hierdoor een oorlog wordt voorkomen, miniem is bij de tweede mogelijkheid zal ze niet sterk genoeg blijken te zijn voor het verzet.

Onze keus moet in de eerste plaats bepaald worden door ons christen-zijn dat is onze nieuwe existentie en niet door eventuele consequenties.

DE NIEUWE GRONDSLAG VAN HET N.V.V.

In de jaren na de oorlog heeft de vraag op welke grondslag het N.V.V. zich stelt, ruimschoots de aandacht getrokken. Een van de redenen daarvan was het rapport over Kerk en Vakbeweging, dat door een commissie ad hoe aan de Generale Synode der Nederlands Hervormde Kerk werd uitgebracht. In dit rapport wordt zowel tegenover het N.V.V. als het Christelijk Nationaal Vakverbond een bepaald standpunt ingenomen. Voor wat het N.V.V. betreft, wordt o.a. het volgende opgemerkt:

„Wat het N.V.V. betreft, mag met erkentelijkheid worden geconstateerd, dat daar het streven werkzaam is, de feitelijke binding aan de historisch-materialistische levensbeschouwing, die daar in het verleden heeft bestaan, te doorbreken en een sfeer te scheppen, waarin ook de Christen in overeenstemming met zijn levensovertuiging leven kan. Wanneer deze ontwikkeling zich doorzet en de Christen de mogelijkheid gewaarborgd wordt in de organisatie te getuigen van de betekenis, die Gods Woord heeft voor de vragen van het sociale leven, is er voor de Kerk zeker geen reden haar ieden in het algemeen aansluiting bij deze vakbeweging te ontraden.”

Reeds kort na de oorlog heeft het N.V.V. als algemeen richtsnoer voor zijn arbeid aanvaard de normen van naastenliefde, gerechtigheid, waarheid, verantwoordelijkheid en eerbiediging van de menselijke persoonlijkheid. Deze grondslag is met het historisch-materialisme volkomen onverenigbaar. Want het historisch-materialisme of economisch-determinisme leert, dat de economische verhoudingen de inhoud der ideologieën als naastenliefde, gerechtigheid, waarheid e.d. bepalen. Bij het N.V.V. daarentegen worden deze ideologieën als zelfstandige zedelijke normen erkend en vooropgesteld. Ongetwijfeld kan men nog van mening verschillen over de vraag, waar deze normen hun wortel vinden. Naar mijn mening liggen zij verankerd in de Bijbel als Gods Woord. De niet-godsdienstige mens zal deze mogelijk funderen