is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 48, 03-09-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jeugd van Nederland (2)

N.a.v. de tentoonstelling Jeugd van Nederland, RAI-gebouw, Amsterdam, 19 Aug.-18 Sept. 1949. De Ned. Spoorwegen geven reductie op treinreis en tentoonstellingsprijs. Vraag inlichtingen aan de stations.

„De tentoonstelling is mooi, misschien wel te mooi”, hoorde ik iemand zeggen. „Ik ben bang, dat de bezoekers na afloop zullen denken: wat gebeurt er toch veel door en voor de jeugd.”

Wie zo uit de RAI weggaat, heeft inderdaad een verkeerde indruk meegenomen. Hij heeft zich laten verblinden door het vele moois wat er te zien is en vergeten in zich op te nemen, dat de tentoonsteliing wil laten zien wat er gedaan en wat er verzuimd wordt om de moderne 'jeugd geestelijk en lichamelijk gezond op haar bestemming te brengen. Vorige week zagen we een „Ons Huis”- club aan'het werk. Hebt u gezien wat daar op de muur stond, nl. dat er voor 2% van de ongeorganiseerde arbeidersjeugd clubhuizen beschikbaar zijn. En die 98% ? Hun jeugdjaren gaan voorbij op straat, in bioscoop en dancing...

„Jeugd heeft jeugd nodig” is het motto van de sectie „Vorming buiten schoolverband”. Verwacht u hier een etalage van alle bestaande jeugdorganisaties. Wie meedeed kreeg alleen of met anderen één onderdeel van het werk uit te beelden, bv. de A.J.C. vertoont een sociaal spel uitgewerkt; Padvinderij komt met kampeertechniek; werk van de V.C.J.C. vindt u bij de afdeling „Culturele vorming”. Dikwijls

wordt hier door jeugdgroepen gedanst en gezongen.

Maakt u nu niet de fout van te denken dat iedere jongen en meisje in ons land bij een van die groepen zijn „vorming buiten schoolverband” ontvangt. Zij die er bij zijn, behoren tot de kleine groep bevoorrechten. Wordt er in de plaats waar u woont wat voor de jeugd gedaan? Zijn er sportvelden, is er speelgelegenheid, een clubhuis? „Jeugd van Nederland” wijst u op mogelijkheden. Van ons, volwassenen van nu, hangt het af hoe de jeugd van ons land zich voorbereid op een plaats in de maatschappij. Voelen wij onze verantwoordelijkheid?

Als u vandaag energie hebt om veel te bekijken en te lezen, ga dan naar de sectie Kinderhygiène. Veel en mooi opgesteld materiaal. Wilt u liever iets luchtigers, geniet dan van feestelijk gedekte kindertafels, speelgoed, knutsel- en verzamelwerk, kinderlectuur in de afdeling „Het gezin”, eenvoudig materiaal (bijv. vlechtrepen, pijpenwissers, enz.), speelgoed, waarvan het meeste binnen ieders bereik is. Knutselwerk vindt u ook nog in een hoekje in de buurt van de sportdemonstratie-zaal. Het is maar een kleine stand, die van De

Stedenspiegel, N.Z. Voorburgwal 365, A’dam. Een bouwboek „De familie Hanebalk zoekt een woning” wil de moderne wijkgedachte onder de jeugd brengen. Door een aantal bouwplaten uit te knippen en te vouwen (lijm komt er niet aan te pas!) maken we hoge en lage, grote en kleine huizen, scholen, een fabriek, een kerk, garage, leeszaal, enz. enz. Een nieuw stadsdeel „Zonnewijk” wordt ontworpen. Waar moeten we aan denken bij het groeperen van al dat materiaal? In de buurt van de school geen drukke verkeersweg. De woonhuizen moeten geen hinder hebben van de fabrieksschoorsteen, geen water bij de speelwei, enz. Wat een mooi werkobject voor een groep opgroeiende jeugd.

Er zijn ook dioramaprenten door kunstenaars verzorgd. Ik zag er een van het Scapinoballet in een kijkdoos. Er zijn ook historische bouwprenten. Een prachtige winteravondbezigheid en zinvoller dan de vliegmachines en boten uit mijn jeugd. Van de sectie Onderwijs hebben we nog niets gezegd, stellig niet omdat er niets belangrijks te zien is. Maar ik beloofde u om het „kalm aan” te doen. U moet beslist nog eens terug komen. R. B.—V. R.

(liefdeloos óocialisme

Dr Snethlage heeft zijn leven beschreven en van commentaar voorzien. „Herinneringen en Perspectieven” heet zijn autobiographie. |

Toen ik dit boek las bekroop mij precies hetzelfde gevoel, dat zich van mij meester maakte, toen ik in 1936 in Amsterdam met dr Snethlage debatteerde over de Sowjet-Unie. Slechts één herinnering is mij van dat debat bijgebleven: ik vond het griezelig. Vaak heb ik gedebatteerd, maar het debat met dr Snethlage is het enige, waaraan ik geen plezierige herinnering heb bewaard. Niet omdat ik het verloor. Volgens dr Snethlage was de stand aan het einde: O—o. Maar omdat ik debatteerde met een mens, met wien ik, ondanks al mijn pogingen daartoe, geen menselijk contact vond, een mens, in wien ik geen menselijkheid ontdekte. Onder menselijkheid versta ik: liefde, wil men: belangstelling voor de mens. Dr Snethlage werkte met ideeën en geloofde in de wetenschap. Daarom was zijn toon tegenover mij, die dat zeer bepaald niet deed, nog al hooghartig. Ik kon duidelijk voelen, dat hij mij een stumperd vond, zoals een ieder in deze autobiographie kan merken, dat dr Snethlage allen, die nog in Christus en niet in de wetenschap geloven, stumperds vindt. Ik ben op grond van de lectuur van dit boek er van overtuigd, dat hier ook ressentiment achter zit heel deze autobiographie is doortrokken van ressentiment maar het is toch wel vooral het onwrikbare geloof in de wetenschap en dan nog in het bijzonder zijn wetenschap, die dr Snethlage over zijn Vader, over Banning en Kohnstam,

Ovink en Franke en nog zovelen meer doet schrijven zoals hij doet. Griezelig! Erger voor de schrijver dan voor hen, over wie hij zo smalend, kleinerend en krenkend schrijft. Dat een zoon bezwaren tegen zijn vader heeft, kan ik begrijpen, maar dat een zoon deze bezwaren tegen zijn vader laat drukken en dat op de wijze, waarop dr Snethlage het doet, vind ik stijlloos en weerzinwekkend.

Arme wereld, wier opbouw en toekomst in handen komt van mannen van dit slag. Ik zeg dit heus niet, omdat dr Snethlage communist is en voor de Sowjet-Unie kiest, al doet hij dat op een manier, zo devoot, dat zelfs „De Vrijdenker” schrijft: „wat voor de theoloog het Koninkrijk Gods betekent, betekent voor dr Snethlage de Sowjet-Unie”. Ik zeg het, omdat ik huiver voor de toekomst, wanneer dat wat dr Snethlage „wetenschappelijk socialisme” (het Russische communisme volgens hem) noemt, door de wereld aanvaard zou worden. Dit socialisme is in de letterlijke zin van het woord liefdeloos, indien liefde ten minste betekent liefde van de werkelijke mens.

Men leze dit boek en hore van de schrijver, dat het hem toch eigenlijk niet om de mens, maar om ideeën te doen is. Voor het predikantschap bezat hij, zoals hij zelf beweert, weinig geschiktheid: „omdat ik niet tot het sociale type behoorde, niet veel belangstelling gevoelde voor de mens, zoals, hij reilt en zeilt... zoals ik reeds eerder opmerkte, interesseerden ideeën mij meer dan mensen... mij interesseerde

niet zozeer de mens gelijk hij is, maar de bestemming van de mens” (blz. 49). Wanneer hij sociale belangstelling krijgt, dan is dat „niet aan een ingeboren menslievendheid toe te schrijven; toen ik in latere jaren het socialisme leerde aanvaarden, bleef ik toch steeds een unsocial socialist”. „Ik heb ook als socialist nooit tot het sociale type behoord... Dit sociale type heeft sympathie en deernis voor de medemens. .. Degenen, die zich thans democratische socialisten of personalisten noemen, zijn behoudens enkele uitzonderingen geen wetenschappelijke socialisten, maar vertegenwoordigers van het sociale type. De wetenschappelijke socialisten moet men thans niet onder hen zoeken, maar onder degenen, die zich communisten noemen. Deze zijn soms schijnbaar onbewogen lieden, die zich niet door hun sentiment laten beheersen, maar het zijn degenen, die streng logisch denken, die ver vooruit zien, die weten waar het om gaat... Hoewel zij misschien niet tot het sociale type behoren, zie ik in hen de ware weldoeners van de mensheid.” (blz. 46—47)

Geen wonder, dat deze man zonder te beseffen, hoe gruwelijk en godgeklaagd zo’n confessie in wezen is, openlijk uitspreekt; „Mensen ben ik dikwijls ontrouw geworden, wanneer zij mij niets meer te zeggen hadden of verveelden, ideeën nooit” (blz. 46).

Wanneer hij voor de Sowjet-Unie kiest doet hij dat „niet uit edele mensenliefde, want van nature een mensenvriend ben ik nooit geweest, en evenmin op grond van het evangelische ideaal der armoede, want het