is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 47, 1949, no 48, 03-09-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aardse slijk heb nooit geminacht, maar uit logische drang” (blz. 111).

Het is ar mieixuage lueii uui uc mciia, uc werkelijke mens, maar om de mensheid, de idee der mensheid te doen. Hij is dan ook bereid, de werkelijke mens op te offeren, ten einde het rijk der mensheid op aarde te grondvesten, zoals het volgens hem ook niet de empirische maar de idee der mensen was, die aan Karei Marx voor ogen stond, toen hij ons opriep tot de sociale revolutie (talz. 180]

Ik noem dat een liefdeloos socialisme. En dit liefdeloze socialisme is tegelijkertijd een goddeloos socialisme. Wie liefdeloos is, is goddeloos, want God is liefde! Laten velen dit boek lezen, om eens voor goed te weten te komen, waar het socialisme op uitloopt, wanneer het God en met God de liefde, de gemeenschap met en de verantwoordelijkheid voor de empirische mens, de mens, zoals hij reilt en zeilt, schrapt. Het mag, wat mij betreft, in economisch opzicht de meest volmaakte wereld zijn, het is een ijskelder, waarin geen hart, dat nog een beetje menselijk gevoel heeft, meer slaan kan. Met dit socialisme gaan wij de algehele bevriezing tegemoet. In dit boek voel je de kou al. Nu weet ik, waarom ik het die avond in 1936 zo griezelig vond: het was alles ijs. Dit socialisme heeft geen hart. Het is alleen maar hard en zo nodig in staat lees naast dit boek „Nacht in den middag” van Koestier de werkelijke mens (het kunnen er millioenen zijn) aan zijn idee van de mensheid, deze vraatzuchtige afgod, op te offeren.

Indien ik er ooit van overtuigd ben geweest, dat een alleen maar wetenschappelijk socialisme de volstrekte ondergang van de mens betekent dan na de lezing van dit boek „Herinneringen en Perspectieven”. Bij deze herinneringen komt al wat menselijk in mij is in opstand en bij deze perspectieven bevangt mij een angst voor de toekomst meer dan bij het toch zo afgrijselijke perspectief van de atoombom.

Litho ( 1898) H. J. Hamman

Dr Snethlage’s autobiographie is een afrekening met het christendom. Christus heeft onze tijd niets meer te zeggen en kan geen richtsnoer voor ons leven zijn (blz. 33—34). God wordt geloochend. Maar deze ex-dominee, die, zoals Bomhoff terecht zei, het christendom alleen maar achterna loopt met zijn hatelijkheden en betweterijen, deze communist met zijn platvloerse redelijkheid, die tegen alle edele waarheden gemakkelijk spel schijnt te hebben, in zijn eigen ogen althans, maar die eigenlijk nooit de waarheid zelf treft, beseft niet, om met Nietzsche te spreken, welke zon hij uitdooft en welke zee hij leeg schept. Dat zal straks wel blijken.

De weg, die dr Snethlage ging, is volgens hem de weg het zijn de laatste woorden van zijn autobiographie die ons naar steeds wijder perspectieven en naar steeds diepere menselijke gemeenschap leidt” (blz. 226).

Hij moge weten, al zal hij wel weer hautain glimlachen om mijn onwetenschappelijkheid en stichtelijkheid, dat deze steeds wijdere perspectieven mij tot stikkens toe benauwen, omdat ik nu eenmaal niets geloof van een diepere mensengemeenschap, gegrondvest door mensen, die openlijk erkennen, geen sympathie en deernis voor de werkelijke mens te hebben. |

Wie onze diepste bezwaren tegen het Russische communisme wil leren kennen, luistere niet naar Pater de Greeve en De Linie, maar leze „Herinneringen en Perspectieven” van dr Snethlage.

Griezelige, maar heilzame lectuur. ! J. J. BUSKES Jr. i

KOMEND MOEDERSCHAP

Ze trad aan ’t venster in het middaglicht; De blik, die ze naar buiten wierp, liet zij verglijden;

Een zachte glans toog over ’t aangezicht En in een zee van vreugd stond zij en dacht: „Wij beiden!" Toen, in een golf van licht ging zij te loor En lichtte mede en ze liet zich stralen ...

Zo stond ze roerloos en het uur bleef dralen, Geluid verliep, geen levend ding ging door.

En in die eeuwigheid rees in haar hart Het schoon en oeroud moederlijk verlangen En in een oogwenk was ze gans verward

En bloosde, ’t bloed warm-tintlend in haar wangen ... Zij neigde’t hoofd en lachte voor zich heen

En Wist: dit is aan andren duizendmaal verschenen In even schoon en nameloos verenen En toch bezitten wij dit eerst geluk alleen! Johan Toot