is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1949, no 1, 01-10-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STRIJD, VERZET EN DODEN UIT 1940-’45

Zwijgzaamheid als opdracht

Er is een Griekse zegswijze uit antieke tijd: „’t Is beter te zwijgen dan onzin te zeggen.” Daaraan moest ik de laatste paar jaren wel denken, wanneer ter sprake kwam wat in de oorlogstijd onder ons werd beleefd. Bij het eind van de strijd werd de spanning van ons afgetild. Eerst konden we er nog niet goed bij; maar dan gingen we het ons helderder indenken: de oorlog is uit! En dan kan dankbaarheid geuit worden, en dat mocht ook, zelfs in aparte kerkdiensten.

Dan even later: bevrijdingsfeesten overal. De opgekropte spanning moest zich uiten in gefeest en gedans. En eenmaal begonnen hield dit niet zo dadelijk weer op. lederéén ging dansen, en die mensen, die dit niet mochten, keken toén zeker daarnaar met spijtig gevoel. Tegelijk wilde een ieder verandering: op reis; weg! Ook dè,t was begrijpelijk. Zelfs opoe liftte en wou d’r uit. Maar al deze deining heeft zich gelegd. Overgebleven is: de herdenking van die jaren van strijd en verzet. Ontstaan is de opgave om een nieüwe samenleving te grondvesten.

Van het eerste is meer terecht gekomen dan van het tweede tot dusver. Ja, wij weten wel van wat materieel is hersteld sinds 1945. Wij weten ook van de zeer grote moeiten om te leven, stoffelijk, geestelijk, in deze na-oorlogse jaren. Doch daarover denken we nu niet. Uit dat vele nemen we alleen de herdenking van het gebeurde in de jaren 1940—’45.

Nog heden, In het vijfde jaar sinds de bevrljdlng, worden telkens gelegenheden te baat genomen om te herdenken, juist ook bulten 5 Mei om. De radio laat zich daarin niet onbetuigd; zeker niet de grote verenigingen. Lulsterspel-schrijvers kunhier alle kanten uit. Zij laten ze spreken: de dlkgegeten onderduikers (hoe durfden ze te voorschijn te komen zó?!); de toen verboden zenders plus stoorzenders kllnken door de kamer; dolle Dinsdag In optlma forma. En de stem des vljands, satanisch weergegeven, klinkt ter lllustratle, In stukken vastgelegde redevoeringen, militair en politiek. Alles op een rij, alsof het onlangs gebeurde. Maar er zit een massa bravoure In deze weergaven; terwijl ten onzent toch wezenlijke angst en zelfzucht en gemakzucht niet zo’n klein beetje tierden In die jaren. Dan Is ook In deze maand al weer de processie naar de Waalsdorper vlakte bij Den Haag. Die geschledt wel In stilte, al Is het een hele organisatie tevoren, elk jaar. Maar al deze dingen, leder jaar weer herhaald, gaan lets önzlnnlgs. lets verdwaasds aan zich dragen. Het wordt onwerkelijk. Is het u

niet opgevalien, lezer, hoe snel na déze oorlog al dit herhalen als overbodig op zijn minst aandoet? Neen, ik bedoel dit niet oneerbiedig.

Alleen: een elk denkt wel aan eigen doden; en als volk doen wij dit ook. Daar hoeft geen luisterspel of processie of enige reportage aan te pas te komen. De blijdschap en de droefenis moeten er echter alleen maar zijn; maar we mogen daar geen vorm bij herhaling meer aan geven. Het leidt de aandacht af van wat moét: in deze wereld te zamen, ondanks haar moderne verschrikkelijkheid, de weg zoeken, die van Godswege ons gezegd wordt te proberen te gaan. En die „ons” zijn wij: staat, partij, kerk, radio, pers, jong, oud, man, vrouw. Maar daarbij is zwijgzaamheid geboden aan ons ter zake van herdenkings-dadenmanie. Ik vermoed, dat die herdenkingen in hun herhaling de Heer een gruwel zijn, als eens de herhaalde offers in Israël. Laat ons hier echter geen risico nemen; het kan niets hoegenaamd meer lijden hier>, dacht ik. Maar zwijgen wij voortaan; wij zwegen tussen 1930 en 1940 grotendeels ook. Onvergeeflijke fout, en formidabele schuld. Dan nu ook geen onver geef lijk spreken en demonstreren, maar verantwoord zwijgen en zeer grote stilte, waarin bravoure en haat verdrogen. Wie nu nog opnieuw bouwen mag op aarde, zwijgt over de afbraak, opdat deze zijn schrikbeeld in ons gestalte en stem blijft geven. Wellicht spreekt dan de Heer in ons nieuw-bouwen duidelijker mee. |

I I Ds VAN MEDEVOORT

oorlog, zeker gestegen, met name in Den Haag; uit de andere grote steden wordt weer een kleine achteruitgang gemeld. Toch blijft het toneel, vergeleken bij de film, maar een kleine groep toeschouwers trekken, wellicht door de hogere toegangsprijzen, maar stellig ook door de grotere inspanning, die het toneel nu eenmaal vraagt. |

D6 film oefent trouwens ook wel invloed op het toneel uit; daar is een grotere zorg ▼oor de décors; daar is in sommige moderne stukken een snelle opeenvolging van taferelen, die de stukken van Shakespeare trouwens ook vereisen: er is niets nieuws onder de zon!

Maar in een moderne opvoering zal men veel minder aan de immers door de film verwende verbeelding van de toeschouwers overlaten dan enkele eeuwen geleden. Daarom was juist de reeds genoemde vertoning van „Onze Stad” zo’n merkwaardig experiment.

De aesthetische zijde wordt stellig niet verwaarloosd: décors, costuums en belichting voldoen aan de hoogste eisen. Ook onze

regisseurs en acteurs stellen zelden teleur. De tijd Is sinds lang voorbij, dat zoals mevr. Mann—Bouwmeester In haar toneelherinneringen vertelt, de bewoners van ’n plaatsje, waarin een voorstelling zou worden gegeven. Ijlings de was binnenhaalden: „de toneelspelers komen”. De moderne auteur is een algemeen ontwikkeld, veelzijdig kunstenaar, die zich met grote zorg op zijn taak heeft voorbereid en die er aan medewerkt het toneel een culturele factor te laten zijn.

G. J. DE VOOGD

„Die schone, blaüe Donau”

Bezorgt Oostenrijk echter veel ellende

Eind Augustus kwam uit Londen belangrijk nieuws voor de Oostenrijkers: de plaatsvervangende ministers van de U.S. S.R., de U.S.A., Groot-Brlttannlë en Frankrijk waren het eens geworden over de wijze, waarop Oostenrijk zijn 150 mlllloen dollar aan de Sowjet-Unle moet betalen om het zgn. Duitse eigendom In de Russische zone terug te kopen. Met deze overeenstemming Is de grootste hinderpaal voor het afslulten van het Oostenrijkse overwonnen en Is mijn hoopvolle voorspelüng dat dit althans „de winst van Parijs” was (zie Tijd en Taak van 25 Juni) bewaarheid. En als de Grote Vier nu begin September conform hun afspraak de deflnltleve tekst van het vredesverdrag gaan vaststellen, zal men ten minste met deze ~halve hebben afgerekend. Overeenstemming Is reeds bereikt over de volgende punten:

1- De grenzen van 1938 blijven gehandhaafd. 2. In Karlnthlë zullen Slowenen en Kroaten minderheidsrechten ontvangen. (Tlto had zelfbestuur gevraagd, maar m Parijs onthield Moscou verdere steun hierover aan deze „aartsvijand .) 3. Zuidslavië ontvangt generlei herstelbetalingen, maar mag Oostenrijks bezit binnen zijn grenzen In beslag nemen. 4. Voor $ 150 mlllloen, In maximum 6 jaar te betalen, hetgeen In Londen tot twee

jaar werd teruggebracht, te weten ruim s6mlllloen per maand, koopt Oostenrijk pl.m. 300 fabrieken terug, die nu onder beheer van de U.S.I.A. (= Admlnlstratle van Sowjet-bezlttlngen In Oostenrijk) staat. Dit zijn vaak seml-mllltalre gewapende eenheden, die bij staatsgreep-plannen de communisten In de rest van het land moesten steunen. Dit gevaar Is nu geweken (althans fermeel) en Oostenrijk mag 58.000 man troepen (op een bevolking van 4 mll-Hoen) aanhouden.

5. De oliewinning van Zistersdorf zal Oostenrijk voor 60 pet gedurende 30 jaar moeten afstaan, benevens concessles voor 25 jaar In een bepaald gebied, als de Sowjets daar binnen 8 jaar op olie stuiten. Wel een bewijs dat petroleum zeer gezien Is In de U.S.S.R.

rode Donau. Moscou heeft er niets aan gelegen laten liggen deze hartsader van Oost-Europa volledig te kunnen controleren. Vandaar ook:

Donau-scheepvaartmaatschappljen bniven eigendom van de Sowjet-Unle. . Dit is wel heel moeilijk te aanvaarden geweest voor Wenen, maar ten slotte meende het toch dat de herwonnen Industrie uit de Oostzone en het einde van de kostbare en psychologisch fnuikende bezetting dit