is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1949, no 13, 24-12-1949

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ontmoetingen met H. R. H.

Domela Nieuwenhuis-herdenking voor een groep werkloze arbeiders in Amsterdam die aan het culturele werk van de Dienst voor Sociale Zaken deelnemen. Ach, er zijn velen die een lezing over Domela Nieuwenhuis kunnen houden, ’t Moet méér zijn dan een „lezing”. Wie anders dan Henriette Roland Holst zou deze man en zijn tijd zó kunnen benaderen en naderbij brengen, dat hij meer wordt dan een „historisch figuur”? „Voor werklozen? Natuurlijk doe ik het”, is haar antwoord. En zij staat zij wil niet gaan zitten en spreekt in die typische arbeiderszaal tot arbeiders. Zij vertelt. Aantekeningen heeft zij niet nodig. Haar manier van vertellen is direct. Zij schetst de achtergrond van een voorbij tijdperk, het begin van een nieuwe kameraadschap, het vlammende vuur van een inspirerend man. En zij versmaadt het, ter wille van romantisering en idealisering, te retoucheren in deze schets. Zij heeft critiek; en ook haar critische opmerkingen zijn duidelijk en helder, denkresultaat van een geconcentreerde geest.

Hoeveel lezingen en kunstzinnige bijeenkomsten zijn er al gehouden voor de werkloze arbeiders in de hoofdstad maar géén als deze met Henriette Roland Holst. De mensen in de zaal, communisten en katholieken en velen die alleen maar verbitterd zijn zij zaten niet alleen maar naar een lezing te luisteren. Deze twee uur werden een belevenis voor hen. Aan de persoonlijkheid van Domela konden zij zich niet onttrekken, en niet aan de persoonlijkheid van die tengere oude vrouw, die er dan op stond ook een nabespreking te houden. Er kwamen veel vragen, schuchter meestal, eerbiedig. Er kwam een hartelijk gesprek. En mevrouw Roland Holst zeide-: „Ik ben blij dat ik zo met jullie kon spreken, kameraden.”

H. R. H. in het ziekenhuis Prinsengracht. Haar vrienden vrezen het ergste. Maar zij weten ook, hoe sterk en brandend haar levenswil is. Tegen haar bezoeker spreekt zij maar weinig over zichzelf en haar been in gips. Des te meer over de bloemen die zij straks van vrienden heeft gekregen en die zo mooi zullen staan naast de bloemen die haar gast zojuist heeft meegebracht. En zij verontschuldigt zich dadelijk, dat zij drie weken geleden! deze bezoeker.

ondanks de gemaakte afspraak, niet heeft kunnen ontvangen; onverwachts en dus onaangemeld waren oude vrienden uit het zuiden overgekomen. Drie weken geleden, en sedertdien heeft mevrouw Roland Holst véél bezoek gehad en toch herinnert zij zich meteen deze „oncorrectheid”

Klein is haar kamer in het huis van de Vrouwenclub op de Keizersgracht. Zij moet zi.ch zeer behelpen; ’t is niet steeds gemakkelijk. Maar zij heeft een tafel en papier en een vulpenhouder. En een actieve geest. En, steeds weer, gevoel voor orde en logica. „U kunt vandaag niet meer werken, u hebt rust nodig, mevrouw Roland Holst.” Wat geeft het vier brieven moeten moeten nog worden beantwoord. „Dat moedertje in Rotterdam mag niet langer op antwoord wachten. En die lui in Antwerpen moeten ook weten, waar zij aan toe zijn.” En zij schrijft haar brieven.

De post heeft het druk met haar. Er komen opdrachten van uitgevers, verzoeken van tijdschriften. En alles wordt serieus gelezen en correct beantwoord, zo spoedig mogelijk.

Honoraria? H. R. H. weet, dat de „ ” geen cent kan betalen. Maar daarom medewerking weigeren? Wel neen! „Dit blad moet blijven bestaan!” zegt zij raeoluut. Zij ontvangt en gééft opdrachten. Haar getrouwe bezoekers weten er van zo een en ander te verhalen. R. kan haar brieven posten en meneer B. mag in de Universiteits-Bibliotheek naar een détail uit het jaar 1905 informeren, dat voor haar autobiografie, die zij juist bezig is te schrijven, belangrijk is. K. kan vanavond naar haar neef toe gaan, zij moet weten, hoe het staat . met En vergeet niet mevrouw W. op te bellen, al vier dagen heeft zij niets van haar gehoord, zij maakt zich ongerust

En dan de middagwandelingen in het Vondelpark Zij woont nu in een pension in de Van Eeghenstraat, dicht bij het park. Als het weer het even toelaat, wordt die wandeling gemaakt. En wie dan bij’ H. R. H. op visite is, gaat met haar mee. Opdracht? Een geschenk, dat door de bezoeker vreugdevol wordt geaccepteerd. „Gelukkig dat u er bent! Ik had de hele ochtend van die vervelende oude dames op bezoek ”

„Zie je die boom?” zegt zij in park, „een week geleden was hij nog stralend groen, en nü is het een heel ander groen, zo rijp, zo ingetogen ” Zijn bomen en bloemen en die zwanen ginds niet belangrijker dan avondkrant en opwinding der mensen ? Neen, ondanks haar grote liefde voor de natuur, denkt Henriette Roland Holst niet zo. Haar diepste liefde gaat, zoals altijd, uit naar de mens. De lijdende mens. De vijf negers die gelyncht werden in dat democratische Amerika. De vrouwen die door het Franco-régime ter dood veroordeeld zijn. De Indische volkeren die elkaar verscheuren. En vooral naar Indonesië. En naar de D.P.-kampen. En geestdrift leeft in haar woorden, wanneer zij het heeft over die negerzanger die de stompzinnige bestialiteiten der blanken trotseert. Of over vriend M. die in de Internationale Brigade voor Madrid voor de mensheid heeft gestreden. Of over de beminde Gandhi die de moed van het genie had. Of over een gaaf mens als Sjahrir. Of over het nieuwe Israël. Zij noemt dit woord, en dat woord al ontroert haar

Op een bank zit een dame die ons aan Louise Kautsky doet denken. Louise in het Amsterdam van de Grüne De herinnering voert H. R. H. terug, naar de tijd van Rosa Luxemburg, Karl Liebknecht, de jonge Kautsky’s. En haar woorden die het verhaal vormen van een tijd die lang achter ons ligt, die wij uit boeken ook uit haar boeken kennen, deze woorden zijn niet die van een kroniekverteller; het verleden wordt héden. Nu, in dit Amsterdamse park 1949, leeft het begin van een eeuw, die thans met haar vijftig jaar al oud, ontzettend oud is Lopen wij nog in het Vondelpark? Wandelen wij niet in Unter den Linden ? Gaat naast ons niet Rosa, de dochter van een Pools rabbijn, die vrouw die te groot was voor onze eeuw ? Plotseling begint het te leven, dit verleden, een tijdperk met veel geloof, strijdvaardigheid en kameraadschap „Zeg niet, dat het' er nü niet is!” maant zij waarschuwend. „Misschien is het moeilijker te ontdekken nu dan een halve eeuw geleden, maar het kan niet dood zijn ”

En ook zonder veel argumenteren, pro’s en contra’s, weet ik, dat H. R. H. gelijk heeft, zij, deze bijna tachtigjarige, die in verleden én heden leeft, intensief en gelovig een idealiste, geen illusioniste. Daarom ook kan zij niet „gedesillusionneerd”, niet „ontgoocheld” en ontmbedigd worden. Een idealist blijft strijden. H. WIELEK

politiek, van haar geloof een politiek gemaakt; zij heeft, omgekeerd, van haar politiek een geloof gemaakt. Voor velen gaat dit te ver. Zij zien de levensbeschouwing niet op één lijn staan met hun politiek. Hun levensbeschouwing staat achter hun politiek. Het is echter onmiskenbaar, dat H. R. H. met haar religieuze socialisme voor velen geestelijke verdieping heeft gebracht en een geloofsgrondslag heeft gegeven aan hun maatschappelijk streven: „diep benee ’t verward bewegen de ondergrond van vaste rust”.

Dit heeft zij betekend en betekent zij nóg. Als wij haar 80ste verjaardag gedenken, dan is dat dan ook niet een sentimenteel bewenen van wat geweest is, maar een voortzetten van haar strijd en een opnieuw bezield worden door de kracht van een, „die onze kracht ontwaken deed”. Misschien

doen wij het in sommige opzichten wat anders dan zij. Doch in één opzicht zal het nooit anders mogen zijn: „Het vuur brandde voort” in haar en zal het evenzeer in ons moeten doen. Dit vuur gaf zij ons en wij gaan het overreiken aan wie na ons komen. Zonder dit vuur wordt het socialisme „een politiek”. Menselijkerwijs zal zij niet vele jaren meer onder ons zijn. En er zal een tijd komen, waarin de laatsten van de grote. Zieners van het socialistisch ideaal zullen zijn heengegaan. Dat is de tijd, waarin een zakelijke omvorming en opbouw ener socialistische maatschappij onze taak is. Die tijd is reeds begonnen. Die tijd zal echter nooit kunnen komen zonder de gedachten, die de grote Voorgangers ons hebben gebracht, en nooit zonder de stuwkracht, die van hen uitging. Een van hen was Henriëtte Roland Holst. H. J. DE WIJS