is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 19, 11-02-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vonkjes

Op een morgen kwam ze bij ons, Elly’s moeder. Zij en haar man, Rotterdamse middenstanders, werkten hard, om hun kinderen „een goede opvoeding” te kunnen geven. Maar Elly was het zorgenkind. Erg moeilijk, altijd dwars, het leven in huis werd er totaal door bedorven. Kibbelen met het jongere broertje, zó erg, dat het vaak op vechten uitliep en de ouders bang moesten zijn voor ongelukken. Elly kon behoorlijk leren, was na de lagere school naar de Ulo gegaan, maar een goed half jaar geleden wou ze er niet meer heen. Ze was er niet meer toe te bewegen. Ze wou naar kantoor. Dat gebeurde, maar na drie maanden had ze haar ontslag: voortdurende onenigheid met haar collega’s was de reden. Omdat moeder veel werk in de zaak had, zou Elly dan maar thuiskomen. De eerste dag was prettig: Elly bevrijd van het geplaag der andere kantoormeisjes voelde zich thuis veilig en ging zorgen. De tweede dag zocht ze al weer ruzie met haar broertje. En na een week was het geen harden meer. Dan maar weer gezocht naar een betrekking. Ze kreeg een plaats als leerlingverkoopster in De Bijenkorf. Dat leek haar wel. De ouders waren ook blij met deze mogelijkheid, De Bijenkorf gaf aan het personeel een behoorlijke opleiding en ook verdere ontwikkelingsmogelijkheden. Vol verwachting en met goede voornemens begon ze de eerste van de volgende maand. Maar... ook hier liep het mis. Ofschoon ze een behoorlijk verstand had, ook wel eigenschappen, die haar geschikt maakten voor verkoopster, was ze zo moeilijk in de omgang met anderen, bemoeide ze zich zo vaak en zo opdringerig met het werk van haar collega’s, dat men na de proeftijd besloot, haar niet aan te stellen. En nu was Elly weer thuis en maakte het leven daar tot een hel.

Op de een of andere manier had de moeder gehoord van de cursussen „Tussen School en Leven” op de Vonk en nu kwam ze eens praten. Zou het iets voor Elly zijn? Haar man had gezegd: „och, in zes weken zal ze heus niet zo veranderen, maar dan hebben we hier ten minste rust! ”

B. Essers: Waterlelies in 0.1. inkt)

En Elly kwam. De tweede dag had ze al een „echte” vriendin. Ze zaten aldoor naast elkaar, ze liepen gearmd, ze scheidden node, als ze verschillende bezigheden hadden. Na twee of drie dagen was het uit, en werd een ander de dierbare. Maar al gauw lag Elly er uit, een heel enkele ging met haar om, de meesten hadden allerlei op haar aan te merken...

Toen werd ze een beetje ziek. Niet erg, maar zó, dat ze toch in bed moest blijven. De eenzaamheid, het niet hoeven leven in die.

voor haar gevoel vijandige, groep, deden haar goed. We kwamen tot praten. Eerst was ze zeer agressief, maar langzamerhand werd dat anders, werd ze echt verdrietig. Ze had het ook moeilijk: wou zo graag in vriendschap met leeftijdgenootjes omgaan en telkens mislukte het. „Ze wist wel, dat ze zelf de oorzaak was. Ze kon niet uitstaan, dat ze voor minder werd aangezien, dan ze was en daarom werd ze dan scherp”. Het gesprek kwam op thuis en vooral op

vader. De groentenzaak, waarin ze woonden, was eigenlijk van grootvader en vader kon helemaal niet doen, wat hij toch stellig meende in het belang van de zaak te zijn. Grootvader was te voorzichtig, was bang, durfde niet met moderne machines te beginnen en nu kon de zaak lang niet zo goed tot bloei komen, dan wanneer vader zijn gang mocht gaan. O, ja, grootvader was aardig en ze kregen vaak wat van hem, maar ze merkte best, hoe vader onder dit alles leed en als ze dat dan zag, kon ze grootvader wel ik weet niet wat doen.

Dit gesprek was voor Elly wel een beetje een bevrijding. Rustig bespraken we haar toekomst en het resultaat was, dat ze weer naar school zou gaan. Ten minste, als ze met September in de derde klas mocht. Dat lukte.

Nu gaat het thuis veel beter. Maar moeilijk is ze nog in de omgang. Dat merkten we, toen ze het vorige weekend hier was op een reünie. De school heeft wel een goede invloed op haar, maar ze prikkelt haar vriendinnetjes nog voortdurend. Als de puberteit voorbij is, wordt het misschien C. H. D.

vorm van medezeggenschap kan worden bereikt.

2. De onderneming, die wil zijn een gemeenschap, die goede en kwade tijden doorleven kan. De organische band, die in onze kapitalistische structuur ontbreekt, zou op deze wijze misschien verkregen worden door een aantal rechtsbindingen. De vaststelling van normlonen, waarbij vermeden wordt, dat geschoolde arbeiders maar zeer weinig meer verdienen dan ongeschoolde arbeiders zal een einde kunnen maken aan het euvel, dat de vakbekwaamheid dreigt af te nemen.

Ik wil dit boek van harte aanbevelen. Niet in het minst, omdat het in 200 bladzijden vlot geschreven voor heel velen begrijpelijke taal bevat en telkens aan het eind van een hoofdstuk een korte samenvatting geeft, waardoor de lijn van het betoog duidelijk zichtbaar blijft. Moge dit boek niet alleen bij socialisten maar ook bij anti-revolutionnairen en christelijk-historischen een gunstig onthaal vinden! J. G. V. d. PLOEG.

‘) Dr Ir J. Bergmans, Rechtszekerheid in de Arbeid. Uitg. W. ten Have N.V. A’dam. Ing. ƒ 6,90, geb. ƒ 7,90.