is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 27, 08-04-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allerlei andere min of meer nieuwe problemen. Het zijn mutatis mutandis vaak dezelfde problemen, waarvoor geheel Indonesië zich geplaatst ziet t.a.v. de samenwerking. Het zijn voor de Indonesische kerken allerminst eenvoudige problemen. En wij kunnen aan de oplossing er van eerst dan pas gaan medewerken, wanneer tot ons is doorgedrongen, hoe groot deze problemen zijn! Men krijgt dat besef nooit te pakken door theoretisch de zaak te ontleden, maar men wordt er van doordrongen, wanneer men voortdurend de houding van de kerken vergelijkt met de analoge gevallen op staatkundig gebied en dat doet in nauw contact dagelijks met de Indonesische christenen, zowel de gemeenten zelf als de leidende figuren. Bij dit laatste doet zich om een voorbeeld te noemen een grote moeilijkheid voor: de gemeente en het werk in de gemeente is beslist niet meer het werk en de verantwoordelijkheid van zendeling of predikant uit Nederland, maar van de Indonesische kerk zelf. En toch kan de Europese werker hier nooit zonder het contact met de Indonesische gemeente. In de zelfstandige kerken werd dit voor de oorlog nog geen probleem, althans niet voor de zendelingen, nu wekt dit contact met de eenvoudige gemeenteleden vanzelfsprekend de herinnering aan de vooroorlogse toestanden bij de leidende figuren en bij de gemeenteleden zelf. Dit impliceert echter tevens, dat een deel van de gemeente weer heimwee naar vroeger gaat. voelen, om allerlei verklaarbare redenen en dit heimwee belemmert niet alleen het verantwoordelijkheidsgevoel om tot volle ontwikkeling te komen, maar bedreigt de eenheid van de kerk. Het ligt voor de hand, dat deze met de komst van de Nederlanders gegeven mogelijkheid van innerlijke verdeeldheid zeer onaangenaam is voor de leiding van de kerk en dat men des te zorgvuldiger wil waken, dat de samenwerking geen innerlijke conflicten veroorzaakt. Dit voorbeeld maakt duidelijk, dat de in Indonesië gekomèn zendeling, in het besef, dat zijn aanwezigheid alleen reeds de groei der kerken kan beïnvloeden, de uiterste voorzichtigheid te betrachten heeft. Is de samenwerking geregeld en is er een bepaald terrein afgebakend als arbeidsveld voor de Hollandse werker, hetzij als predikant of als arts, of in welke andere functie dan ook, dan kan men stellig hoopvol zijn t.a.v. de toekomst.

In de laatste tijden is er naast het onderwijs en het medische werk duidelijk een nieuw arbeidsveld gekomen. De moderne wereld, die ook Indonesië in haar greep heeft, veroorzaakt een groeiende sociale nood. Zoals ziekte directe aanleiding kan zijn, dat iemand met christenen in aanraking komt, en de scholen vele jongeren in contact gebracht hebben met christenonderwijzers, zo zou de toenemende desintegratie van de plattelandssamenleving voor de kerken aanleiding kunnen zijn zich in toenemende mate bezig te houden met bepaalde vormen van sociaal werk. Wanneer na de sanering der onderlinge verhoudingen de kerken en de zending gezamenlijk de aandacht zouden gaan richten op de nood der verpauperiseerde kampongbevoiking en naar wegen gaan zoeken om deze nood onder ogen te zien, dan zou de verantwoordelijkheid voor Nederland en de kerken daar nog veel zwaarder kunnen worden. Het blijkt telkens weer, dat de christelijke bewogenheid met de sociale nood van de armste bevolkingsklassen in staat is om de grote leidende figuren van Azië te overtuigen van het recht van bestaan der christelijke kerken. Men zou soms geneigd zijn te denken, dat deze lei-

ders wegens die sociale activiteit bereid zijn de kerken hun „Westerse oorsprong” te vergeven. Het schijnt allerminst uitgesloten, dat de bezinning der Nederlandse kerken op de taak in sociaal opzicht (men denke bijv. aan een instituut als „de Horst”), in Nederland tot gevolg zou hebben, dat men beter ging verstaan, wat de Indonesische kerken thans en mogelijk in de toekomst het meest bezighoudt, nl. het algemeen welzijn van Indonesië. Openen zich in dit opzicht voor de zending in de toekomst nieuwe mogelijkheden, dan zal de verantwoordelijkheid der kerken nog groter worden en dan zal tevens blijken, dat we wel van Nederlands-Indië af zijn, maar allerminst van de kans om mede verantwoordelijk te zijn. H. J. F.

Nog eens: Uw communistische buurman

Nog geen twintig man zijn er in het lokaal; weinig hoopvol. „Wacht maar”, stelt de clubleider gerust, „de grote hoop moet nog komen. Over een kwartier is het vol!”

Wij zijn op een bijeenkomst van de „Culturele Werkgemeenschap” van de Dienst voor Sociale Zaken te Amsterdam: Werklozenzorg dus, maar het blijkt mij, dat dit door herinneringen uit de jaren dertig wrange begrip weinig met steun e.d. te maken heeft in de zin, die de praktijk er vroeger aan gaf. Dat komt heus niet door het veel geringere aantal werklozen, ofschoon dientengevolge de behandeling steilig persoonlijker zijn zal.

Voor vele mensen-zonder-werk is de Galerij een begrip geworden. In één van de morsige kantoren in de overkapte gang achter de open ruimte, waar vroeger het Paleis voor Volksvlijt stond, klopt het hart van de Culturele Werkgemeenschap; een ware gemeenschap, waaraan degenen, die in één der zes clubs samenkomen, waarachtig deel hebben. Zij voelen het als hun eigen gemeenschap. Dit wordt ook met alle middelen bevorderd. Geen paria’s, die ook iets van het cultuurleven toegeworpen krijgen. Neen, mensen zoals u en ik, die de tijd, beschikbaar gekomen door hun maatschappelijk ongeluk, besteden om wat meer ontwikkeling, wat grotere mensenkennis op te doen; door eigen werkzaamheid voornamelijk.

Het onderwerp van deze middag is Amerika, waarvoor, na het vermelde kwartier, grote belangstelling blijkt te bestaan. Dit blijkt ook bij de discussie. In ernstig debat wordt feit tegenover feit, mening tegenover mening geplaatst, vooral als wij af gedwaald zijn naar de positie van de Verenigde Staten in de wereld. Je voelt het, hierom gaat het voor velen. Er komt beweging in de groep. Socialist zit naast communist, katholiek naast anti-revolutionnair, en zij zijn het zich bewust. In het begin dreigt het mis te lopen. Een felle communist steekt een propaganda-speech af, waarin alie commentaren, die De Waarheid de laatste maand over Marshall-plan, Atlantisch Pact, wapenzendingen enz. verspreid heeft, zijn verwerkt. De man noemt de harde problemen van alle dag, waarvan hij de buitenkant beziet, en brengt die in verband met de ongelukkige situatie, waarin deze werklozen zich bevinden. De stemming is bijna om.

Toch zou deze middag zonder die communist veel minder geslaagd zijn geweest. Ik

bedacht dit, toen ik het artikel van ds L. H. Ruitenberg las, „De communist en U” getiteld. Als hij is uitgegaan van de actieve partij-communisten, heeft hij stellig groot gelijk. Discussie met hen heeft geen zin. Evenmin als in Kamer of gemeenteraad. Maar er zijn niet zo heel veel partij-communisten. Het getal min of meer losvaste aanhangers is veel groter. En met deze mensen heeft een rustig gesprek wel degelijk zin; dit leer ik op die middag. Al deze meelopers gaan niet uit van partij-program en -tactiek. Zij kennen alleen hun ongenoegen met bestaande toestanden, hun ongerustheid over de internationale gebeurtenis. Dit ongenoegen en die ongerustheid zelf hebben niets met de C.P.N. te maken. De communistische propaganda maakt er alleen maar gebruik van.

Door dat propaganda-gordijn zijn wij betrekkelijk gauw heen. Langs de weg van critiek in het algemeen op propaganda zonder meer. Het bewijs van de betrekkelijkheid van bepaalde „Westerse” propaganda leidt tot een gevoel voor de beperkte waarde van de communistische leuzen. Ontdaan van de verwarrende slogans blijven de politieke daden ter beoordeling over. Ook hierop komt critiek, maar zakelijke. Al pratende komen wij samen tot enig begrip omtrent het hoe en waarom van het Amerikaanse en het Russische beleid. Met heel wat misverstanden wordt afgerekend, waarbij vaak harde noten kunnen worden gekraakt. Kijk, zo heeft een gesprek met die communistische buurman toch wel zeker zin. Hij zal niet omdraaien als een blad aan de boom, maar als er meer van die gesprekken plaatsvinden, komt zijn critische zin stellig weer tot meer ontwikkeling. Uit begrip kan op den duur waardering groeien. Ik vind het de moeite waard om het gesprek voort te zetten, maar buiten de C.P.N.-sfeer, inderdaad!

G. VAN SANTEN

Leestafelnieuws

Dr J. S. Bartsma. Handboek tot de staatkundige geschiedenis der landen van onze beschavingskring, van 1648 tot heden, 2e deel, van 1763 tot 1815. Uitgave L. C. G. Malmberg, ’s Hertogenbosch 1949, 471 blz. Per deel ƒ 17.50, met uitvoerige tabellen. Het eerste deel van dit standaard-werk hebben we onlangs mogen aanprijzen. Dit deel handelt grof gezegd over de Amerikaanse, de Franse, revolutie en over Napoleon, een aantrekkelijke geschiedenisperiode, d.w.z. om over te lezen, want indien ooit, dan geldt hier het woord van Montesquieu; gelukkig de volkeren, die geen geschiedenis hebben. Bartstra handhaaft zich op het hoge niveau van het eerste deel. Hij had hier niet zo te zwoegen met de ordening van zijn materiaal; het verhaal verloopt langs lijnen van geleidelijkheid, maar in deze periode doen zich twee andere moeilijkheden voor, die bijna onoplosbaar zijn; ten eerste een evenwichtig betrekken van de buitenlandse politiek in de geschiedenis der Franse revolutie, die naar mijn smaak bijna altijd in het gedrang komt, zo goed als het Napoleontisch tijdperk bijna altijd eenzijdig vanuit Napoleon verteld wordt. De tweede moeilijkheid is: een rechtvaardige beoordeling der hoofdpersonen. Zelfs wie tamelijk veel over dit tijdperk weet, leest dit boek met profijt, niet zozeer om de verrassende details, maar om het evenwichtig overzicht en de milde toon van begrijpen. Wat Napoleon betreft, men zou wel eens een debat willen bijwonen tussen Bartstra en Presser. Het is duidelijk, dat de schrijver zich van Presser distancieert. Wie of hier gelijk heeft? Misschien ook zou toch het debat onvruchtbaar zijn. Kwestie van temperament? Sommige lezers zullen wel profijt trekken van de rijke voorraad tabellen. Persoonlijk kan ik ze slechts een matig belang toekennen. Kortom een uitstekend boek. J. G. B.