is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 31, 06-05-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GEEN CIRCUSPAARDEN

Op de Hervormde Predikantenvergadering heeft ds C. D. Moulijn van Leeuwarden een voortreffelijke redevoering gehouden over de missionnaire activiteit van Rome. Daarbij kwam uiteraard óók de vraag van ons antwoord aan Rome aan de orde.

Hij vroeg, wat wij als protestanten politiek konden presteren. Aarzelend, zonder zich in de merites van het geval te begeven, wees hij op de suggesties van de a.r. hoogleraren Anema en Okma, die het helemaal niet zo gek zouden vinden, wanneer de ARP en de PvdA samen in een regering zaten en de KVP ook eens oppositiepartij werd. Daar moet toch wat inzitten, veronderstelde ds Moulijn.

Nu heb ik het a.r. georiënteerd Fries Dagblad van Zaterdag 22 April voor mij. Het hoofdartikel gaat op de opmerking van ds Moulijn in onder de kop: Niet politiek gedacht.

Ik heb mij over dat artikel verbaasd. Het stelt nl. ds Moulijn als de domme jongen aan de kaak. De dominee, die over politiek spreekt, maar er niets van weet. Hoe kan je zo iets voorstellen... AR+PvdA! Alsof niet Geert Ruygers en Brongersma lid van de PvdA zijn. Bestuurslid zelfs. Neen, al kan er een tijd komen, dat men zakelijk samen moet gaan, AR en PvdA, „voor die samenwerking is er principieel geen basis aanwezig”. „Wanneer men op politiek gebied tegen de politieke invloed van Rome een principieel verzet wil bieden, dan is dat alleen mogelijk door een partij, die principieel uit de beginselen der reformatie wil leven.”

Dat is stoer gezegd. De drievoudige herhaling van het woord principieel, afgewisseld door het woord beginsel, geeft een metalen klank aan het geheel.

Maar hoe stoer ook gezegd, de zaak rammelt.

Wat de ergernis mag wekken is dit: het idee om eens te onderzoeken of AR en PvdA iets gemeenschappelijks hadden tegenover Rome kwam waarlijk niet uit <iie Leeuwarder pastorie. Het kwam van twee hoogleraren aan de Vrije, düs principieel-beginselvaste, Universiteit te Amsterdam. Twee hoogleraren, die in politiek opzicht in ieder geval geen domme jongens zijn. Waarom zégt het „Fries Dagblad” dat niet?

De zaak rammelt nog in een ander opzicht. Je kunt nu wel heel principiële woorden zeggen over reformatorische beginselen, maar ik heb nooit gemerkt, dat de ARP zo’n hecht bolwerk was tegen het politieke rooms-katholicisme.

Ik herhaal alleen de vraag die ik ook op de Predikanten vergadering stelde: hoe komt het, dat het rooms-katholicisme speciaal in Nederland zo voortreffelijk georganiseerd is, met een uitputtende gebruikmaking van alle politieke, vooral subsidiale middelen? Daar kan ik maar één antwoord op vinden. Dit: wij hebben veertig jaren coalitie achter de rug. Wij hebben, dank zij de politiek van de A.R.P., in ons gehele sociale en culturele leven een splitsing doorgedreven school, radio, ziekenhuiswezen, sociale zorg die elke zin voor gemeenschappelijke verantwoordelijkheid stuk maakte; die de vrijheid gaf aan elke groep om zich uit te leven; die geen remmen oplegde aan ongebreidelde zuilen-

bouw. De moker van het principe sloeg het in ons volksleven. Gevolg: aan de r.k. organisatie werd een prachtige gelegenheid geboden om volkomen wettig, zonder reserve, binnen het maatschappelijk-cultureel bestel een staat in de staat te bouwen. Nooit werd van A.R. zijde daarbij één strobreed in de weg gelegd. Allemaal vanwege de reformatorische beginselen.

En nu is, sinds de bevrijding, de P.v.d.A. als politieke figuur voor het voetlicht gekomen. Zij neemt graag r.k. in haar gelederen op. Want juist dan wordt hersteld, wat door de antithese-politiek der anti’s stukgemaakt werd, nl., dat men te zamen, zonder machtsvorming, als mens met gelijk doel voor ogen, verantwoordelijkheid draagt; dat men eikander niet meer ontmoet als loerende van achter bunkergaten, maar als kameraad, van wie men weet, dat het hem niet begonnen is om in de politieke sector zijn wil door te zetten met clericale machtsmiddelen.

De leden van de P.v.d.A., behorende tot de r.k. kerk, zijn trouwe zonen hunner kerk. Maar hun gevolg-zijn dragen zij niet in het stalen harnas van de machtsformaties, wél in het gesprek van mens tot mens. Hun aanwezigheid in de P.v.d.A. is juist een teken van afwijzing van clericalisme in het politieke leven (natuurlijk zéggen ze dat niet op deze wijze!) dat wij als protestanten bestrijden. In ’s hemelsnaam dan maar zónder reformatorische beginselen in het beginselprogram!

Een sterke Partij van de Arbeid is ook zijdelings een aangelegenheid voor het kerkelijk gesprek tussen reformatie en

Rome. Het betekent immers, dat er ten minste ergens een plaats in Nederland is, waar rooms-katholieken en „andersdenkenden” niet alleen samen spreken, maar ook een stuk gemeenschappelijke verantwoordelijkheid dragen, kortom, elkander niet als exponenten van macht, maar als mensen, kameraden, ontmoeten.

Zeker, dit alles verstaat men niet altijd binnen de Partij van de Arbeid. Daar leeft óók nog een stuk 19de eeuws rationalisme, dat de mens in mootjes hakt. Dat denkt in provincies. Een geloofsprovincie, subsidiair ongeloofsprovincie, een politieke provincie, een economische provincie en een culturele provincie. Met eigen administratie, zonder veel innerlijk verband. Deze visie zal overwonnen moeten worden, wanneer men werkelijk de mens in de ander wil ontmoeten en wanneer men ernst wil maken met het partijprogram, dat zegt; „de Partij erkent het innig verband tussen levensovertuiging en politiek inzicht en waardeert het in haar leden, als zij dit verband ook in hun arbeid voor de Partij duidelijk doen blijken”.

Zulke dingen moeten groeien. Zullen groeien naarmate men zeer algemeen dat innig verband, waarvan het partij-program spreekt, ook zélf beleeft.

Deze zin werpt licht op de reden, waarom wij zo ontzaglijk blij zijn, dat er roomskatholieken in de Partij van de Arbeid zijn. Het wijst de weg tot een nieuwe vorm van samenleven tussen de geloven. Een betere weg, dan die in de afgelopen zestig jaren gegaan is door hen, die op reformatorische beginselen de consolidatie van de roomse politieke macht hebben bewerkt. Wie werkelijk ziet wat er aan de hand is, laat zich op die weg niet meer teruglokken. Wij zijn, ofschoon levend uit het erfgoed der reformatie, niet de oude circuspaarden, die gaan draven in de carrousel, wanneer wij de schelle fanfares van „bolwerk tegen Rome” en „machtsvorming op principieel-reformatorische fundamenten” horen. Wij willen andere muziek! L. H. R.

OVERWONNEN KRIJGSMAN

Wat achtervolgt Gij mij, wat ben ik U gelegen? Laat mij met rust, ik ben genoeg gekweld; ik ken de eindeloosheid van Uw wegen, het aanwaaien van Uw geheim geweld.

Waarom houdt Gij niet op met mij te werven voor ’t heir dat Gij met licht bekleedt? ik ben toch niet bereid voor U te sterven en te afkerig van berouw en boetekleed.

Geef mij mijn zwaard terug, ik wil het eerlijk kruisen, ik gaf het U in een zwak ogenblik, toen ik Uw beken in mij hoorde ruisen en ik gestameld heb: zie, hier ben ik.

En nu wilt Gij dat ik een kind zal dragen mijn handen zich verbinden met zijn lot; mijn voeten gaan alreeds, maar ’t hart blijft vragen: wat hebt Gij met mij voor, o ijverzuchtig God?

DIRK JORRITSMA