is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 32, 13-05-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christendom en humanisme

In de laatste tijd is het gesprek tussen Christenen en Humanisten weer eens ontaard in een ruzie. Dit keer tussen Rooms Katholieken en Humanisten. Aan beide zijden vallen moeilijk ernstig te nemen woorden en die camoufleren de eigenlijke kwestie. Ik meen, dat het bij de eigenlijke kwestie gaat om de vraag, of zij, die zich buiten het Christelijk geloof stellen op den duur tot immoraliteit zullen komen. Om een tweetal citaten te geven: '

„Van moraal kan geen sprake zijn voor wie niet gelooft aan een God ” (Vastenbrief der Bisschoppen in Nederland 16 Februari 1947).

„De rechten van de rede en van de voortgang der wetenschap hebben vanwege het geloof geen enkele bedreiging te vrezen. Hun vijand is niet God; het zijn al diegenen die, op de één of andere wijze, aan God hebben verzaakt of God hebben uitgesloten, om op zijn plaats een afgod te stellen”. (Rede van de Paus met Pasen 1950 tot Franse pelgrims; citaat uit de Linie, die er boven de volgende opmerking maakt: „Verlangen de Humanisten te begrijpen, waarom volgens de Kerk, de Godsbestrij ding zo gevaarlijk is voor ’s mensen moraliteit?” Daarop volgt dan de Pauselijke uitspraak, die mij overigens gematigder voorkomt dan die der Nederlandse bisschoppen).

Het is een merkwaardige zaak, dat men deze dingen zo maar zegt zonder duidelijk met voorbeelden aan te geven, dat deze zienswijze uit de practijk valt op te maken. Immers een verwijzing naar de nazi’s kan niet opgaan, want deze nazi’s behoorden tot de nihilisten, terwijl er talrijke niet-Christenen zijn, die zich evenzeer als de Christenen verzetten tegen het normloze. Bij ons zijn deze Humanisten op zeer gelukkige wijze verenigd in het Humanistisch Verbond en blijkens de beginselverklaring van dat Verbond is men daar evenzeer overtuigd van de noodzaak van normbesef als bij de Christenen. Wil men billijk tegenover deze mensen zijn (en dat behoort toch ook nog tot onze algemeen aanvaarde normen), dan zal men op grond van het gedrag van norm erkennende niet-Christenen moeten aantonen, dat de niet-Christen tot immoraliteit komt.

Overigens mogen de Christenen zich dan wel realiseren, dat het wel heel gemakkelijk is voor de Humanisten om voldoende voorbeelden te geven van immoreel gedrag door Christenen. Het is niet helemaal onjuist als zij de bal kaatsen met een historisch overzicht van het begin onzer jaartelling af tot nu toe over de wandaden door Christenen bedreven. Voor een soort Christelijke hoogmoed is zeker geen plaats. De Christenen zijn in hun moreel gedrag geen haartje beter geweest dan de niet-Christenen. De Christelijke beschaving heeft het er niet beter afgebracht dan de Chinese beschaving; misschien is zelfs het tegendeel aan te tonen. Als dan ook Garmt Stuiveling tot de conclusie komt, „dat volgens Roomse opvatting iedere atheïst een potentiële misdadiger is”, dan valt hier alleen maar op te antwoorden, dat de Reformatorische Christen en naar ik meen ook de Rooms katholiek elk mens (Christen of niet-Christen) als een potentiële misdadiger ziet. Van hoogmoedig neerzien op de atheïsten kan geen sprake zijn.

Maar ik geloof, dat wij ook helemaal op de

verkeerde weg zijn, als wij menen, dat de moraal, de wetenschap, de ethiek en de logica niet meer veilig zouden zijn in handen van niet-Christenen. Wij zijn op de verkeerde weg, omdat wij op die manier de grens tussen God en mens toch weer vervagen. Slechts in Gods handen zijn al deze dingen veilig. Hij is niet alleen de Schepper, maar ook de Onderhouder, Hij is nog meer. Hij heeft al deze dingen in Jezus Christus herschapen en om deze herschepping en in Christus’ Koningschap zijn moraal en ethiek, wetenschap en logica veilig. Maar wee ons, als we nu maar al te vlot gaan zeggen: en dus in onze handen. Want dat is een grensoverschrijding. Niet bij Christenen is dit alles veilig, maar slechts bij Christus. Bij Christenen is het zo min veilig als bij niet-Christenen. Maar door Christus’ genade zijn wij allen, die wij zijn. In de zon dezer gerechtigheid koesteren zich Christenen en paganisten. Noch de Heilige Schrift, noch de belijdenisgeschriften geven aanleiding tot het kunstmatige onderscheid tussen algemene en bijzondere genade. In Jezus Christus zijn wij allen weer in genade aangenomen en weer in de vrijheid van de kinderen Gods gesteld. De wel eens gestelde antithese tussen gelovigen en ongelovigen is een onderscheiding, die aanleiding kan geven tot ergerlijke hoogmoed. Natuurlijk is er uiterlijk een onderscheiding te maken. Ik kan mij zelfs voorstellen, dat deze uiterlijkheid onder bepaalde omstandigheden kan leiden tot een groepering van gelijkgezinden. Een principieel afwijzen van elke Christelijke groepering in elke tijd lijkt mij even schematischstar als het tegengestelde. Maar hoe dit ook zij, steeds moet voor ogen gehouden worden, dat niet wij de uitdelers van de genade zijn, maar God en dat Hij vrijmachtig is (om dat oude maar rake woord te gebruiken). En voorts, dat elke Christen ook paganist is, omdat hij niet steeds in zijn leven Christus belijdt als zijn Heer en Heiland. Het geeft voldoening, dat ook Trouw thans de valse antithese afwijst. Was immers niet te lezen in de serie van hoofdartikelen over de positie der antirevolutionnairen tegenover het socialisme, in het nummer van 19 April:

„Velen beschouwen de antithese als een soort politiek organisatorisch schema, dat de mensen verdeelt in Christenen en Heidenen. Zij menen, dat de een of andere partij zich daarmede het recht aanmatigt over de harten van de mensen te oordelen en hun het etiket „Christen” of „niet-Christen” op te plakken. Niets is minder waar dan dit (Cursivering van mij, v. d. P.) Het is indertijd reeds aan dr A. Kuyper verweten, dat hij dit deed. Maar Kuyper heeft dit nooit of te nimmer gedaan en tot vervelens toe tegen deze misvatting van zijn opvattingen moeten strijden.

De antithese is een in deze bedeling steeds aanwezige tegenstelling. Zij is echter niet een organisatorische tegenstelling (weer cursivering van mij, v. d. F.), maar een geestelijke tegenstelling. Die tegenstelling treffen wij aan in het hele leven en in alle Christenen zonder uitzondering”.

Het ware te wensen geweest, dat Trouw in 1945 hetzelfde standpunt zo duidelijk had uitgesproken. Dan was Nederland een onvruchtbare strijd bespaard gebleven. Om nu echter tot het uitgangspunt terug

te komen; Christenen hebben niet het monopolie der moraal, enz. Dat heeft slechts Christus, aan Wie God immers de wereld heeft onderworpen. Wij zijn geen onderhorigen, maar onderdanen. Bovendien onderdanen aan wie een grote schuld is en wordt kwijtgescholden en die dus ook tegenover anderen hebben kwijt te schelden en te vergeven. Dat is het tegengestelde van de hoogmoed.

Nu dreigt nog een ander gevaar, nl, dat wij het bovenstaande aan de Humanist voorzetten en meewarig tegen hem zeggen: „je bent je er wel niet van bewust, maar als je fatsoenlijk optreedt in deze wereld, is dat een bewijs van Christus’ genade met jou”. Want ook deze uitlating is een vorm van hoogmoed. Wat wij aan de Humanist hebben te zeggen is: „Wij geloven dat het alles zo is, maar wij dringen je daar niets van op, want het geloof is niet iets, wat wij je kunnen schenken.” En het tweede is dat wij niet zullen moeten praten, maar doen. Wij zullen als kwijtgescholden schuldenaars in de blijdschap van die vrijspraak moeten leven. Want woorden alleen zijn niet voldoende. Men wil iets aan de Christen merken en te recht.

Er zijn veel mensen, die neerkijken op de Humanisten en schampere opmerkingen maken over de wankele basis van goedkope woorden. Een hechte basis kan slechts aanwezig zijn, als de woorden gevolgd worden door daden. Met „eeuwige beginselen” zonder meer komen wij er niet. Deze beginselen zijn er om gevolgd te worden door de practijk. Een practijk van liefde en nederigheid, van de minste zijn en vergeving. Daar ontbreekt nogal wat aan bij ons Christenen. Is het misschien daarom, dat wij zo gewichtig doen tegenover de Humanisten? J. G. V. d. PLOEG.

Late rectificatie

Veel schrijven hrengt zorgen met. zich mee. Soms schrijft men wel eens dingen neer, waarvan men overtuigd is, dat ze de feitelijke waarheid weergeven, daarbij puttend uit het geheugen. Achteraf blijkt, dat men ongelijk gehad heeft, en dat het geheugen een bedriegelijke zaak is. Vooral voor iemand, die met een slecht geheugen gezegend is, zoals ik.

Het is alweer enige jaren geleden, dat ik over zedelijke volksgezondheid schreef. Dat moet in 1947 zijn geweest. Ik houd geen boek van alles, wat ik schrijf. In de veronderstelling, dat er nooit iemand aan zal denken een lijst te gaan samenstellen van artikelen door L. H. R. geschreven. In dat artikel schreef ik. dat m de jaren tachtig van de vorige eeuw een voorstel tot afschaffing van de reglementering der prostitutie was ingediend in de Tweede Kamer door Domela Nieuwenhuis. maar dat de hele Kamer, óók de afgevaardigden der christelijke partijen, zich daartegen verzetten, en dat zij hem hartelijk uitlachten.

Ik schreef dit, omdat ik als het ware de bladzijde uit P.D.N.’s „Van Christen tot anarchist” m de geest voor mij had.

Daarop kreeg ik een brief van mr A. Bouman, de secretaris van „Zedenopbouw”, die meedeelde, dat ik mij hierin bepaald vergiste Ik beloofde toen onderzoek.

Zodra ik tijd had, ben ik gaan zoeken in de autobiografie van P.D.N. en in de Handelingen van de Tweede Kamer uit de tijd, dat Domela Nieuwenhuis daarvan lid was. Noch in het een, noch in het ander kon ik een spoor van bewijs vinden van wat ik neerge.schreven had.

Er gingen enige maanden mee heen, voor ik er ook zelf zeker van was, dat ik hier gefaald had. Dat ik mij zó vergist had, terwijl ik zó zeker van mijn zaak was, wilde er, eerlijk gezegd, moeilijk bij mij in. Ik had toen een rectificatie moeten geven. Dat dit achterwege bleef, vond nergens anders zijn reden in, dan in de gedachte, dat rectificaties zó lang na een reeds vergeten stuk weinig zin hebben.

Maar zie, één heeft het in Nederland niet vergeten. Dat is de heer O. Smeenk, de grote man van Patrimonium, rustend, maar nog zéér strijdbaar antirevolutionnair voorman.

Hij schrijft In „Patrimonium” van 16 Maart 1950 het volgende; „Soms baat het weinig, of men op verkeerde, op