is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 38, 24-06-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kerk en het communisme

Dat de weigering van de Evangelische Kerk in Duitsland, om zich vast te leggen op de machten en ideologieën van het Westen niets te maken heeft met een bekrompen Duits nationalisme, maar integendeel alles met de breuk met dit inderdaad verfoeUyke en levensgevaariyke nationalisme, biykt wel heel duideiyk uit het referaat, dat dr W. A. Visser ’t Hooft op de Synode van de E.K.D. 24 April jl. hield: „Wat kunnen de kerken voor de vrede doen?” Het referaat werd in zyn geheel opgenomen in het maandblad van de Belijdende Kerk „Die Stimme der Gemeinde” (Mei 1950).

In dat zelfde maandblad vonden wy een opstel van prof. Günther Dehn uit Bonn: „De kerk en de maatschappy”, waarin hy het pleit voert voor de volstrekte onafhankeiykheid der kerk van alle maatschappelyke gebondenheden. Günther Dehn was al lang voor de oorlog een overtuigd socialist en tegeiykertyd een principieel tegenstander van het nationaalsocialisme.

Wat hij in het genoemde artikel zegt over het probleem Oost-West achten wij van zo groot belang, dat wij met eigen woorden enkele van zijn gedachten ter overdenking aan onze lezers willen doorgeven. Wy mogen niet ontkennen, dat de Westerse wereld door het Russische communisme bedreigd wordt. En er zal ook wel niemand onder ons gevonden worden, die het niet als een groot onheil zou beschouwen, wanneer wy onder de hiel van het communistische regime zouden geraken. Het is volkomen met de waarheid in stryd, dat de principiële afwyzing van de Westerse machten en ideologieën een keuze voor het Russische communisme zou betekenen.

Anderzijds is het volkomen begrijpelijk, dat een soort kruistochtstemming zich van de volken in het Westen meester maakt: volken van Europa, beschermt uw heilige rechten! Er zijn er die spreken van een heilige oorlog, al zeggen zij, dat deze nog niet dadelijk een oorlog met atoombommen behoeft te zijn.

Ook de kerk wordt opgeroepen, om aan deze kruistocht deel te nemen en godsdienstige sanctie te verlenen. Moet de kerk aan deze oproep gehoor geven? Moet zij het evangelie van Christus inzetten in de strijd tegen het Russische communisme en zich zelf als één van de meest waardevolle krachten laten opnemen in het anti-Russische front?

Er zijn er, die deze vraag bevestigend beantwoorden, het zelfs vreemd vinden, dat anderen aarzelen. Voordat de kerk een beslissing neemt, zal zij goed doen, enkele dingen ernstig te overwegen. De kerk moet weten, dat deze gemeenschappelijke strijd tegen het communisme in elk geval ook een strijd van de volken der kapitalistische landen tegen de volken van de radicaal proletarische. Marxistische ordening is.

Hiermede is niet te veel gezegd. Socialistische landen zijn er op het vasteland van Europa niet. Günther Dehn zegt heel eerlijk, dat hij de kapitalistische ordening prefereert boven de communistische. Maar even eerlijk erkent hij, dat ook de eerste een ordening van bloed en tranen is, een ordening, waarin het leven van de mens verkracht wordt. Het kapitalisme voert geen heilige oorlog en wanneer het pretendeert, dat het dit wel doet, moet de kerk deze pretentie afwijzen. In geen geval mag de kerk deze tot een heilige proclameren.

Dat is het wat Karl Barth ons telkens opnieuw op het hart tracht te binden, men schynt dit niet te willen en te kunnen begrypen. Men noemt hem een fellow-traveller, een man, die heult met het communisme. Hoe is het mogeiyk? Hij is in geen enkel opzicht een vriend van het communisme. Geesteiyk is hy voor honderd procent geworteld in het Westen. Hy is een man van de kerk en hy heeft alles over voor de vrijheid van de kerk, maar hy is er diep van overtuigd, dat deze vrijheid ook betekent, dat de kerk niet door dik en dun verbonden mag zyn met de burgerlijk kapitalistische maatschappy.

In de loop der jaren is het de kerk Goddank duideiyk geworden, dat zy het kapitalisme op een afstand heeft te houden. En het is een zegen, dat ook van kerkeiyke zyde scherpe woorden over het kapitalisme gesproken worden, wy zouden echter deze nauweiyks verworven vryheid weer verliezen, wanneer wij als kerk ons zouden laten opnemen in een kapitalistisch afweerfront tegen het communisme.

Dit betekent allerminst dat de kerk zich vastlegt op een socialistische ordening. Een religieus-socialistische kerk moet evenzeer als een christeiyke politieke party worden afgewezen, wy zouden van de ene slaverny in de andere vervallen. De kerk biyve in de vryheid waartoe Christus haar geroepen heeft en biyft roepen. Geen heilige oorlog, maar ook geen heilige verbroedering.

De kerk heeft zich voorzover zy kerk was.

nooit met het nationaal-socialisme verbroederd, maar de kerk heeft ook niet in één front met alle mogelijke wereldiyke machten een heihge oorlog tegen het nationaalsocialisme gevoerd. Zij heeft als kerk het evangelie gepredikt, met al de consequenties daaraan verbonden. Dat deze evangelieprediking een conflict met het nationaalsocialisme betekende men denke slechts aan het goddeloze antisemitisme is zonder meer duideiyk.

Een andere houding, dat is de mening van Karl Barth en Günther Dehn en ook de onze, is ook ten opzichte van het communisme voor de kerk niet mogeiyk. De kerk zal het communisme antwoord geven, niet vanaf het spreekgestoelte van de kapitalistische burgerlijkheid, maar vanaf de preekstoel met de bijbel. Alleen het woord van God blijft tot in eeuwigheid. Dat kan van geen enkele economische ordening en maatschappy vorm gezegd worden. Men kan vragen: is de kerk hiertoe in staat?

Moet de kerk, alleen gegrond in de roeping van Christus, zich op geen enkele maatschappy vorm vastleggen, maar er kritisch tegenover staan, waarby de mogeiykheden van kritiek variëren van bovenmate welwillend tot volstrekt vijandig, maar blijft het een kritische houding van een kerk, die haar zelfstandigheid tot het uiterste wil bewaren?

Het enige antwoord op deze vraag is, dat God zelf het aan Zijn kerk schenken moet als een genade, om waariyk vanuit deze vryheid te spreken en te handelen. J. J. BUSKES Jr.

Wereldfederalisme in stormtij

Met alle critiek, die men op de wereldfederalisten kan hebben is een ding zeker: hun analyse is juist en hun oplossing de enige. Een wereldvrede is niet denkbaar zonder iets als een wereldregering. En de wereld is te klein geworden om alle zaken nog op natioriaal niveau te kunnen regelen. Als elke juiste idee grijpt het aan. Vandaag aan de dag des te sterker, nu de vrees voor de atoombom en een derde wereldoorlog koortsachtig doet zoeken naar een uitweg, naar een oplossing. Het wereldfederalisme is geworden tot een vliegenvanger van geexalteerden en verstandigen. De afkeer van de ene groep mag daarom nooit leiden tot bezinning op wat de tweede leert.

Maar het wereldfederalisme verkeert in een wanhopige tijd, waarin de kreet, de kreet van de mens zelf, te loor gaat in de woestijn van politieke tegenstelling, politiek „realisme” en politieke realiteit. Het zijn slechts weinigen, die de moed vinden te blijven getuigen ondanks de hopeloosheid. De meesten verliezen zich in een getheoretiseer, in een organiseren an sich, of zij trekken zich terug en bewijzen slechts lippendienst aan hun „ideaal”. Weinigen slechts durven zich met de realiteit te confronteren.

Het sterkst blijkt dat alles in de houding van de meeste wereldfederalisten tegenover het probleem Rusland. De meesten willen het niet zien. Voor hen telt alleen, dat hun analyse juist is. Zij bouwen die uit. Zij bouwen door aan hun eigen gedachtenconstructies. Zij houden zich bezig met het opstellen van wereldgrondwetten, met het uitrekenen hoeveel nationale souvereiniteit aan bovennationale organen moet worden overgedragen en hoeveel voor de „nationale provincies” kan worden bewaard. En voor de rest organiseren zij hun meetings, hun lezingen, hun studiegroepjes. Zij maken

plannen en zij maken propaganda. Zij leven in hun ideaal. En onderling debatteren zij over de juistheid of onjuistheid van elkanders leerstelligheden. Het stellingnemen in de politieke problemen zelf wagen zij niet in vrees een eenheidsfront van het Wereldfederalisme, dat, te recht boven de partijen uitgaand wordt geacht, te verstoren.

Anderen spreken wel over Rusland. Sommigen menen, dat de ontwikkeling van de geschiedenis Rusland zal leren, dat een wereldfederatie het enige is. Zij hopen. En zij durven daarom geen stelling te nemen in de koude oorlog tussen de twee blokken. Het Westen beschouwt hen daarom als „appeasers”. Het Oosten als zo onpraktisch, dat het er geen nut van hebben kan.

Anderen hebben Rusland voorgoed afgeschreven, althans in de huidige wereldsituatie. Zij hanteren het argument, dat een wereldfederatie ook theoretisch pas dan mogelijk is, indien er fundamentele eenheid bestaat tussen de leden, die de federatie moeten vormen. En zij pleiten daarom voor een soort Atlantische Federatie, een federatie van het gehele Westen. Zij komen daarmee direct terecht in de verdeeldheid van vandaag. Zij kunnen zich van harte stellen achter de inspanning, waarmee het Westen zich verdedigt. Zij verdedigen immers hun eigen cultuur, ja zelfs de bestaansmogelijkheid van een wereldfederatie. Zij leven daarom niet meer in de tweestrijd van de idealist, die achter de koude oorlog een vraagteken zet, maar geen oplossing meer ziet. Wereldfederalisme is voor hen een ideaal in een verre toekomst. Voor de meest onoprechten, onoprecht tegenover zich zelf, dient het wereldfederalisme als dekmantel: de oorlog tegen Rusland is immers de laatste waar-