is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 43, 29-07-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jan Publiek, een man met vooroordelen

Oordeelt men niet, zelfs in deze tijd nog, over het werk van een serveerster als iets minderwaardigs? Onzin! Gaat u eens op een avond in Heek op het Remtarandtsplein zitten en probeert u eens op uw gemak al het gedoe om u heen te doorgronden. Dan ziet u op de krukjes aan de kanten de serveersters zitten. Een stroom mensen komt binnen, rumoert, lacht en zoekt zich een plaats uit. Aan het oog van de meisjes aan de kant ontsnapt geen enkele gast. Met een oogopslag weten zij, wie ze voor zich hebben, zijn direct bij de hand en vragen naar hun wensen. Dan haasten ze zich weg, overladen met bestellingen, die stipt uitgevoerd worden. Zijn deze meisjes minder waard dan een secretaresse, een typiste of een verpleegster? Dat zou onzin zijn!

Nog eens, gaat op uw gemak zitten en bekijkt u het werk van deze meisjes eens dieper. Ze komen op u af, altijd vriendelijk en

Zomer, B. Esser (Houtsnede)

geduldig; niettegenstaande onze grillen. Zij ondergaan die en staan u zult het niet kunnen ontkennen op dat moment mijlen bóven de lastige klant. Nietwaar? zy hebben dezelfde moeilijkheden als wij, hie in het café verstrooiing zoeken. Heus, zy zitten er niet voor hun plezier. Het leven is nu eenmaal zo, dat de zwakken het zwaarste deel te dragen krijgen. Het zijn niet de sterken en frivolen, die dat beroep gekozen hebben; zij verdwijnen al heel gauw weer van het toneel. Neen, het zijn meestal de door het leven geslagenen, de zwakkeren, die tot dit beroep gekomen zijn en de lange, zware uren hier doorworstelen, Die het desondanks toch kunnen doen en... zelfs van dit beroep zijn gaan houden, omdat zij hier achter het masker, dat de mensen dragen, leren kijken, juist, doordat zij zich zelf weten te blijven. Het oordeel dat deze meisjes op vele gewone dagelijkse din-

gen krijgen is verbazingwekkend in zijn eenvoud en raakheid. Daarom is het zeer waardevol eens nader met hen kennis te maken. Ze zijn vriendelijk en behulpzaam deze meisjes, waardoor een afspraak om een van hen na afloop van de avond naar huis te begeleiden en een en ander over haar werk te vragen, gauw gemaakt is. Een wandeling in de stille nacht na lange üren van ingespannen werken! Is er een geschikter moment om het nog van de pas gedane arbeid borrelende gemoed te laten luchten? Nog even de asbakken uitwassen en de stoelen op de tafels zetten en om kwart over twaalf verlaten de serveersters de lunchroom. „Effetjes m’n fiets halen”. Een donker steegje in en dan een fel verlichte kelder. Enige mannen staan daar te praten. De fiets wordt afgegeven. Een korte scherts, even lachen. Nu het verlichte Rembrandtsplein over en langs de donkere grachten. Eerst worden enkele beleefdheden uitgewisseld, want deze meisjes hebben perfecte manieren. Daarna volgt het gesprek over het werk.

„In het begin was het niet erg gemakkelijk. Twee dagen om dit werk te leren is niet veel. Maar met een beetje handigheid kom je toch wel een heel aardig eind op streek. Het moeilijkste voor de beginneling is de aanraking met het publiek. Gelukkig was ik al een beetje gewend met mensen om te gaan, zodat dit mij ten minste niet meer zo erg vreemd was. Het publiek kan lastig zijn, mijnheer, daar hebt u geen idee van en vooral 00k... wreed!” Vluchtig kijkt ze me even aan.

„In mijn vorig beroep heb ik dat nooit zo gemerkt. Ik moest het wegens mijn gezondheid helaas opgeven. Mijn omgeving was er erg op tegen dat ik deze baan aannam. Maar wie het publiek kent in zijn wreedheid, kent het ook in zijn goedheid en kan er ten slotte niet meer buiten. Ons werk heeft bij veel ouderwets denkende mensen geen goede naam. Wanneer je echter je zelf blijft, is er geen gevaar te duchten. ledereen die eerlijk voor zijn brood werkt, verdient toch zeker de grootste achting? Al gauw leer je echter de mensen er uit halen, die werkelijk een innerlijke beschaving hebben en wie niet. Dat is een der mooie kanten van ons beroep. Typisch is het, dat je heel weinig op de kleding kunt afgaan. Er zijn er, die keurig netjes gekleed gaan en, om indruk op hun omgeving te maken, zeldzaam onbeschoft tegen je zijn. Anderen, heel sober gekleed, tonen begrip als je eens moe bent en laten zich van een veel menselijker kant zien. Ook zijn er van die ogenschijnlijke gentlemen, die heel gewichtig tegen je doen en naderhand vragen of je met hen meegaat. Dat doen we natuurlijk nooit. „We zijn niet te koop!” Trots en zelfbewust kijkt ze ’naar het zwarte stromende water in de gracht, zwijgt een poosje en vervolgt dan: „Ook de fooien zijn niet leuk! Ik voor mij had liever, dat ze er niet waren, ofschoon we er van leven moeten. Als iemand mij geen fooi geven wil, zal ik er niets van zeggen. Bedelen doe ik niet! lemand, die bij mij zijn consumptie bestelt, verlangt een arbeidsprestatie van me en het is toch logisch, dat hij me daarvoor betaalt? Je treft ook wel eens mensen, die ontzettend hoge fooien geven. Dan krijg ik meestal het voorgevoel, dat er iets achter die gulheid steekt. Zo iets doet niemand voor niemendal en meestal komt het wel uit ook. Dan voel ik me plotseling wel eens heel erg ellendig en krijg eventjes de opwelling de hele boel in den steek te laten. Maar ja, zoals ik zeg, zijn er ook een heleboel mensen, die begrip voor je tonen en bij wie je aan een klein gebaar of aan hun gezicht kunt zien, dat ze erken-