is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 43, 29-07-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Crisis in de kunst

In het destijds beroemde boek van Huizinga „In de schaduwen van morgen” komt ook een hoofdstuk voor over het falen van de moderne kunst, als symptoom van een dreigende cultuurcrisis. De kunst verwijdert zich van rede en natuur, aldus constateerde met spijt de Leidse hoogleraar. Wie vandaag dit hoofdstuk leest, zal het om zijn inhoud beamen, maar tev;ens het onbehaaglijk gevoel hebben dat dit beroemde boek toch eigenlijk hier maar oppervlakkig is. Het leven in een crisis, die Huizinga aankondigde, heeft ons besef verdiept. Veranderd is er niets, maar wij hebben zo lijkt het ver trouwelijker met de verschijnselen geleefd en kunnen beter hun zin verstaan.

Ik weet wel: nog steeds roept de zng. moderne kunst om haar zgn. onbegrijpelijkheid verzet op. Als Achterberg bekroond wordt, zijn er wel ingezonden-stukkenschrijvers, die beweren dat ze ook zulke onzin kunnen schrijven; en als een modern schilder een prijs krijgt van een deskundige jury, gaan er allerlei lieden protesteren tot in gemeenteraad en Tweede Kamer. Maar toch is het gerucht minder dan in de tijd dat Gorters Mei bespot werd, of Bontens’ duistere verzen. De kampen der tegenstanders zijn bestendigd. Een groot gedeelte, ook van het ontwikkeld publiek heeft er zich bij neergelegd, dat „moderne kunst” voor hen onbegrijpelijk is, terwijl het resterende deel weet of vertrouwt dat deze kunst uitspreekt wat er duister in hen zelf leeft.

Het is jammer, dat Redeker in zijn „De dagen der artistieke vertwijfeling” zo omslachtig en vaak zo duister schrijft; het is ook jammer dan hij het beneden zijn filosofische waardigheid acht concrete voorbeelden te geven. We zouden anders een boek bezeten hebben, dat we graag in handen hadden gegeven van mensen, die de verborgen drijfveren der moderne kunst zouden willen verstaan. Ik meen dat dit heel belangrijk is, niet alleen omdat daardoor een rijk belevingsgebied opengesteld wordt, maar ook omdat het verstaan van eigentijdse kunst een zeldzame toegang verschaft om zich zelf en zijn tijd te begrijpen. Als men over crisis in de moderne kunst wil denken, moet men niet aan het verkeerde eind beginnen. Ach-en-wee-jammeren, dat wij geen Rembrandt bezitten of Vondel, is volkomen zinloos. Hun grootheid in het verleden was ontoegankelijk voor de tijdgenoot, die in het gunstigste geval hen herkend heeft als exponent van zijn levensgevoel. Slechts langs een omweg kunnen ze dat vandaag nog zijn. Rembrandt en Vondel, dat is onze Gouden Eeuw, en slechts omdat ze deze zo intens uitdrukken, kunnen we hun glorieus werk genieten en tevens er iets van onze eigen ervaringen in beleven, voor zover de menselijke ontroering aan zich zelf door de tijden gelijk is. Maar de eigentijdse kunst gaat de omgekeerde weg. Als het goed is, herkennen we in haar ons zelf en van daaruit vermoeden we haar vermogen tot spiegeling van het eeuwige. Kort en onvolledig gezegd: moderne kunst is éérst interessant en dan mooi, oude kunst is éérst mooi en dan interessant.

De teleurstelling over de boodschap der kunst is misschien daarom zo ver achter

ons, dat na het failliet van de overgeleverde kerkleer en de godsdienst, na of gedurende het failliet der wetenschap, de kunst uitgeroepen werd tot behoeder der Westerse mensheid. Na de eerste wereldoorlog kon men dit vaak bij humanisten als Coster en Havelaar lezen: het traditionele Christendom kon de mensheid niet meer bevredigen, noch kon dit gemis aangevuld worden door de inzichten en resultaten der moderne wetenschap. Maar dan waren daar de grote kunstenaars: ze vertolkten het diepe, ongerepte Leven. Naar hen moesten we luisteren. De kunstenaars zelf hebben dit ook geloofd: terwijl ze elkander heftig bestookten in de strijd der -ismen, was hun één overtuiging gemeenzaam: die van hun hoge roeping. Het rationele levensinzicht der wetenschap, de nuchtere boodschap van het evolutionisme en van de ontsluierde dans der atomen werd vervangen door het op hogere intuïtie berustende evangelie der Schoonheid. Wetenschap, dat was het koele verstand. De kunst, dat was verbeelding en gevoel. Hierheen vluchtte de moderne mens en de kunstenaar zou zijn Messias zijn.

Nochtans, waar vroeger godsdienst, kunst en wetenschap innig samenleefden, waren reeds sedert lang de kunst en de kunstenaar afgezonderd tot een eigen specialiteit, volkomen terzijde van het gewone maatschappelijk verkeer. In het burgerlijk tijdvak was de kunstenaar een rare sinjeur. En nu moest hij het geheel vertolken en vertegenwoordigen. De levensproblemen van de mensheid werden op hem, die buiten de gewone mensen leefde, afgewenteld. Lange tijd was de kunst doorgegaan voor een ijdele tijdspassering, een lieve levensverfraaiing, ejen vlucht juist uit het alledaagse leven, maar nu werd de kunst aangezien als de waarzegster, die aan een vertwijfeld mens ten slotte zijn lot zal ontsluieren en het alledaagse leven in zijn raadselachtigheid doorlichten.

De rede had de godsdienst ontmaskerd als illusie. Nu werd ze zelf ontmaskerd als slechts een technische vaardigheid om de stof te beheersen, maar kunst dat was aanschouwing van de waarheid. En aangezien men de rede ten uiterste wantrouwde, werd aan de kunst als exploitatie-gebied aangewezen het terrein van de intuïtie, van de droom (surrealisme), van het gevoel, van het lichamelijke (rhythme), van het zintuigelijke (abstracten, cubisten). Deze gebieden kreeg de kunst te exploreren en wel onder de voorwaarde, dat ze uitdrukking van verzet, en dus revolutionnair zou zijn. Hoe kon het anders dan dat ze een hoog gevoel van eigen waardigheid kreeg. Zelden is er zoveel kunst over kunst gemaakt. In een volgend stadium moest de kunstenaar van zijn veranwoordelijkheid schrikken.

We zijn nu gekomen aan een punt, waar de horizon der moderne kunst zich aftekent tegen het verleden. Een volgende keer hoop ik, nogmaals dank zij Redekers boek en enige andere Nederlandse geschriften, de situatie der kunst zelf te schetsen en ook enige aanvullingen te schrijven bij bovenstaande visie. J. G. B.

N.a.v. H. Redekers De dagen der artistieke vertwijfeling. Uitgave De Bezige Bij, A’dam 1950. 261 blz. f 7,90.

Langs de Zeeuwse Stromen (I)

Bij een blik op de kaart van ons land blijft uw oog ongetwijfeld een ogenblik langer dan anders gevestigd ddar op die merkwaardig gevarieerde eilandengroep in het zuidwesten. Misschien, ja waarschijnlijk slaat u even de aparte bladzijde van uw atlas, welke aan Zeeland gewijd is, op.

En, naar wij hopen, staan ook uw gedachten even stil wanneer gij dan de namen leest van Noord en Zuid-Beveland, Walcheren en Zeeuwsch-Vlaanderen, Schouwen eri Duiveland. Gij zoekt, indien gij althans de verschrikkelijke oorlogsjaren nog niet vergeten zijt naar plaatsen als Middelburg en Westkapelle, Renesse en Baarland enz. en vele, helaas meest droeve, herinneringen komen weer bij u boven.

Maar wanneer gij dan nog zoekt naar Veere en Zierikzee, Goes en Hulst gaan uw gedachten weer verder terug en een rijke geschiedenis trekt aan uw geestesoog voorbij. Gij weet van de invloed en macht van deze en dergelijke steden, welke tot in de Middeleeuwen terugreiken. Namen van Jacoba van Beieren en Borssele, Arendskerke en Haemstede, gij herinnert ze u weer, want meerdere plaatsnamen getuigen er van.

Zeeland, de provincie, welke zo te recht het devies „Luctor et Emergo” in haar wapen voert, is rijk in velerlei opzicht. Rijk aan verscheidenheid naar vele zijden, maar toch weer niet aldus, dat de éénheid teloor zou zijn gegaan. Wij bezien allereerst enkele zijden dier verscheidenheid om daarna iets over de éénheid op te merken.

Zeeland draagt zijn naam terecht, want grenzend aan de Noordzee, werd en wordt het niet alleen omspoeld, doch ook doorspoeld door het zeewater. De Wester- en Doster-Schelde dringen diep het land binnen en een gedeelte van onze provincie wordt hierdoor zelfs geheel van het overige deel van Nederland afgesneden en is goeddeels op België georiënteerd. Een bezoek aan Zeeuwsch-Vlaanderen zal er u van overtuigen, hoe de bevolking daar in leven en werken anders is ingesteld dan bijv. op N.- en Z.-Beveland.

Dan is er ook weer het land van Schouwen en Duiveland met zijn mooie duinstreek en dientengevolge veel vreemdelingenverkeer. Wel is waar ook een agrarisch gebied, maar toch weer van een totaal ander karakter dan bijv. op het aangrenzende Tholen. Laat ons ook Walcheren niet vergeten! Middelburg, de oude stad, welke ondanks het oorlogsgeweld, waarvan zij zozeer te lijden heeft gehad, toch haar voorname cachet heeft weten te bewaren. Maar enkele kilometers verder slechts ligt Vlissingen, de haven- en industriestad, welker talrijke kranen en fabrieksschoorstenen u in het westen des lands doen wanen.

Maar deze verschillen zijn niet slechts uiterlijk, zij werken veel dieper door. In Middelburg woont de oude, Zeeuwse adel, welke zijn aristocratisch karakter heeft behouden; hier zetelen de griffie en de rechtbank, hier is het aloude gymnasium gevestigd en woont de Zeeuwse intelligentsia. Vlissingen is de fabrieksstad, dédr woont het personeel van de maatschappij „De