is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 44, 12-08-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heer behoort de aardt en haar volheid. Psalm 24:1 >

Jljd en Tank

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE 'EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR 48STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 12 Augustus 1950 Nr44

Redactie: ds J. J. Buskes Jr ds L. H. Ruitenberg dr J. G. Bomhoff

Redactie-Secr.: Roerstraat Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. Bomhoflf

Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet ds H. J. de Wijs Mej. dr M. H. v. d. Zeyde e.a.

Aitnn. tf tooruitbtt. ftr /aar f 8.00, halfjaar f 4.2 i, kmart. f 2.30 plus fo. 13 incasso. Losst nrs fo. I}, Postg. 21876, Gtm. giro V 4300, Adm. N. V. Dt Arbeiderspers, Hekelveld 13, A 'damC

VERTROUWEN IN DE MENS

De tijd ligt ver achter ons dat een sluitstuk der socialistische gedachten, een thema van het so*cialistische lied de herhaalde verzekering was: de mens is goed. Ik weet wel dat er altijd nog mensen zijn, die deze stelling niet prijs kunnen geven, maar hun getal is slinkend en zij koesteren vandaag deze stelling met zo veel reserves, dat men niet de indruk heeft dat ze nog hetzelfde bedoelen als hun voorgangers.

Voor Christenen die van de zonde wisten, was deze stelling in zijn eenvoud onaanvaardbaar en voor zover socialist, hebben ze altijd beperkingen gehad bij deze uitspraak.

Vandaag hoort het tot de goede toon het tegenovergestelde te verkondigen. Het zijn niet de minsten onder ons, die verklaren dat ze geen vertrouwen meer in de mens kunnen hebben. De gedachte is ons vertrouwd geworden in de laatste jaren. Wie zich het enthousiasme herinnert voor de Volkerenbond, verstaat de bittere desillusie, die volgde toen de droom van een wereldvrede, waaraan men eerlijk geloofde en waarvoor men van harte zwoegde, een illusie bleek te zijn; en welk een ontwaken!

Het menselijke hart is onvermoeibaar. Reeds in de oorlogstijd werden er nieuwe plannen gemaakt en „een wereld zonder vrees” zou ontstaan op de puinhopen van de tweede wereldoorlog. Men had uit het gebeurde geleerd en met meer realisme werd de Uno opgebouwd. Nochtans Korea! En de wolken die langzaam samentrekken boven ons hoofd!

Zo in ’t groot, zo in ’t klein. Weet u nog, wat voor heerlijke toekomst we voor Nederland gedroomd hebben in de duistere jaren der bezetting en hoe ook deze verwachtingen ons stuk voor stuk uit de handen zijn geslagen?

Is het wonder, dat juist degenen die over dit alles nadenken, zich laten gaan tot het somberste besluit: „Neen, op de mensen mag je niet rekenen”. Bewonderenswaardig is vaak, dat ze toch doorwerken. „En toch”, zuchten ze, en zwoegen verder. Juist in christelijke kringen ontmoet men deze houding en wordt ze aangepreekt als de enigjuiste. Ze schijnt zo helemaal aan te sluiten bij het gelovig weten van de menselijke slechtheid. Wat uit de Bijbel gekend werd over de ontaarding van het menselijk hart, schijnt wonderwel aangetoond te worden

door de ervaringen der laatste tijden. Als de concentratiekampen ons huiverend deden aanschouwen, tot welk dieptepunt een mens gaan kan, mocht het schijnen, dat hier in aanschouwing gegeven werd, wat het geloof reeds lang leerde.

En nog op een ander gebied vond men een bevestiging. Men kan niet zonder meer zeggen, dat de moderne mens, de moderne asfalt-jeugd, de zgn. ongrijpbare jeugd, een oorlogsresultaat zijn. Wel werd men hier geconfronteerd met een menselijk bestaan, zo volkomen beroofd van elke drang naar hoger, zo volkomen overgelaten aan instinctmatige aandriften, zo illusie-loos en zo zonder enige ideale menselijke binding, dat men wederom concludeerde, dat er geen vertrouwen te stellen was in de mens.

Het zijn de kwaadsten niet, die vandaag met deze gedachte als met een bitter kruid zich voeden en zich door deze zelfkwelling a.h.w. opgehitst voelen tot steeds harder, tot steeds onvermoeider werken. Juist nu zo schijnt het hun is eindelijk de kans daar, louter op God vertrouwend, zuiver in Zijn dienst te werken, onder de leuze: „En toch...”.

Ik wil maar zeggen, dat deze bedwelmende gedachte er alles van heeft het enig christelijk uitgangspunt te worden van maatschappelijke, caritatieve, paedagogische activiteit. Ik meen nochtans, dat ook in deze visie, hoe verleidelijk ze schijnen mag en eminent christelijk, een gevaarlijk element schuilt. Ik zeg het met grote aarzeling. Men moet door veel pijn heengegaan zijn om tot dit uiterste te komen. En zeker wil ik niet aansporen tot een luchtig verwerpen van al deze overwegingen, hetzij uit een bot optimisme, hetzij uit een even bot egoïsme (is dat niet vaak hetzelfde?), dat zich geen zorgen maakt, dat de problemen niet zien wil en dat doorloopt onder de leuze: „Het zal mijn tijd nog wel duren”. Leven uit het geloof is leven in de schemering. En we moeten wantrouwend worden, als een geloofswaarheid zichtbaar heet te zijn. Wel geeft het geloof licht over de zichtbare feiten dezer wereld, maar deze laatste kimnen nooit zonder meer als bewijzen aangevoerd worden van datgene, wat God ons geopenbaard heeft. Als God ons leert, dat het menselijk hart bedorven is kan dat niet hetzelfde zijn, als wanneer

wij mensen menen waar te nemen in het alledaagse licht der feiten, dat de mens zo ontaard is, dat men niet meer op hem kan vertrouwen.

Daarenboven, en ook dat doet ons vermoeden, dat God iets anders gezegd heeft is zijn woord niet aan een tijd gebonden, terwijl de huidige pessimistische visie zich baseert op verschijnselen van deze laatste tijd en dan ook vaak in zijn uitspraken een eschatologisch accent heeft, ik bedoel: de schijn aanneemt te spreken van uit de overtuiging, dat het einde der tijden nabij is.

Onze wezenlijke armoede is, dat we niet weten, wat de mens is en al onze uitspraken slechts gebrekkige stamelingen zijn, vermoedens gebaseerd op onbetrouwbare gegevens. De mens is geen probleem, maar een mysterie en altijd weer vergissen we ons, omdat de waarnemingen ontoereikend zijn voor volstrekte conclusies.

Het doet zeer zich te herinneren dat onze hoop op de Volkerenbond stukgeslagen, ons bescheiden vertrouwen op de Uno ondermijnd is. Maar wat leert het ons over de mens? Hoe ver staan deze menselijke bouwsels zelfs van de ideeën dergenen, die geholpen hebben ze te verwezenlijken? Van het idee naar de verwerkelijking, van de verwerkelijking naar het resultaat, het is een lange weg en niets machtigt ons een uitspraak te doen over het menselijk hart bij de ruïne van een menselijk plan, ruïne overigens waarvan men nimmer kan zeggen, hoe ze nog bouwsteen zal zijn van het huis der toekomst. De grote idealisten der geschiedenis, ze hebben tranen geschreid bij de brokstukken van hun werk, ook als de nakomelingschap zich jater dankbaar hunner herinnert.

Men ijst bij de aanschouwing der verworpenheid, die de concentratie-kampen ons doen aanschouwen. Laat ons toch niet vergeten, dat terzelfdertijd en op dezelfde plaats er mensen waren, die stegen tot nimmer vermoede hoogten van heldhaftigheid en opofferende liefde.

Van Jezus is slechts dit roerend woord bekend: „Ik heb medelijden met de schare” (lees: massa). Hij leerde ons niet, dat hun jeugd ongrijpbaar was, dat de massa geen gezicht had en ontoegankelijk voor enig ideaal. Hij wist slechts, dat er geleden werd en hij leed mee. Het kan heel nuttig zijn samenvattende overzichten te geven over de eigenaardige morele en psychische gesteldheid van de massa-mens en van de massa-jeugd. Maar ook een massa bestaat uit individuen. En deze mensen hebben, behalve hun typische massa-eigenschappen, nog steeds enige afzonderlijke trekken, die ons bij elke analyse van de zgn. massamens ontsnappen. Het aanknopingspunt ligt daar! Ik weet het: deze waarheid is te