is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 44, 12-08-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dat ondoofbaar verlangen en iets van het blijde uitzicht lichten, anders schiet hij juist daar te kort, waar het eigenlijke van zijn taak begint. Hij mag een goedhartig mensenvriend zijn, een knap theoloog, voor mijn part ook stichtelijk en vroom, maar zijn bezoek wordt alleen de moeite waard, als zijn hart brandend is, omdat hij zich bewust is van zijn goddelijke opdracht. Anders redt hij ’t niet. Deze uitweiding was nodig om iets duidelijk te maken van de heilige kunst van het „overschakelen” in het gesprek.

Het duurzaam contact met het onderwijs van Jezus en vooral met de wijze, waarop hij in zijn gelijkenissen tot het hart van de zaak tracht door te dringen, is hiervoor zeer leerzaam. Het treft ons in de gelijkenissen, dat de natuurlijke dingen daar niet enkel als aanloopje of als vergelijking dienen, maar zo reëel verteld en volkomen ernstig genomen worden. Het valt ons ook op, hoe natuurlijk de wijze is, waarop over geesteiijke dingen gesproken wordt. Er is niets geforceerds, niets krampachtigs, niets geëxalteerds in. En toch valt zeer nadruk-

kelijk de aandacht op de wereld der geestelijke dingen. Het Koninkrijk, dat niet van deze wereld is, vormt het uitgangspunt bij alles, wat de grote leermeester heeft te zeggen. Het accent valt op de wijze, hoe men daar denkt en zich gedraagt. Daarop loopt heel het omschakelingsproces uit. Wee degenen, die dat niet verstaan! die zijn horende doof en ziende blind.

Meisje met antilope India XVIII ‘ eeuw

Welnu, als wij dat grootse doel slechts voor ogen blijven houden, dan is verder alles even interessant in het gesprek, ook de meest natuurlijke dingen en dan kan zelfs het schijnbaar gewone en onbeduidende een aanknopingspunt vormen om verder te komen; wanneer de pastor maar onverbiddelijk blijft in uitgangspunt en doel, in op, dracht en taak, die boven hem zelf uitwijst en wanneer bij de ander maar iets ritselt van verlangen en heimwee. Bij de limiet van dit „mits” wordt de beslissende strijd gestreden. Helaas komen wij niet altijd aan dit „mits” toe. Nog onlangs werd ik bij de voordeur opgevangen met het gebruikelijke verweer, dat tot een burgerlijke schablone is geworden: „Ik geloof wel, dat er „wat

bestaat, maar daar heb ik de kerk (lees: u) niet voor nodig, want ik leef toch goed en geef ieder het zijne”. Bij zulk een bombardement is men inderdaad bij de drempel uitgepraat. Bij deze ikzucht, bij deze geborneerde zelfvoldaanheid, bij dit volstrekt ontbreken van heimwee naar het heilige en „het-zijn-voor-God”, stuit men op zoveel zielige leegheid, dat men alleen maar teleurgesteld verder kan gaan.

Komen wij over die eerste versperring van dodende zelfgenoegzaamheid en afwijzing heen, dan dreigt nog telkens het gevaar, dat het gesprek vastloopt in oppervlakkig gepraat, in onbenullige algemeenheden, in details en bijkomstigheden, die in hun isolement nietszeggend zijn, alleen belangrijk worden, wanneer zij hun juiste plaats krijgen in het geheel, dat door geestelijke waarden gedragen wordt en saamgevoegd door het gericht zijn op God. De afmattende ervaring is vaak, dat men op huisbezoek niet over die hindernissen heenkomt, die door allerlei natuurlijke begrenzingen gesteld worden. Zonder dat men nog geheel onverschillig tegenover de Kerk staat, komt het toch vaak voor, dat het contact met het kerkelijk leven steeds losser wordt door de zorgen en bezwaren, die het maatschappelijk leven opwerpt. Ik denk aan de mannen, die in een continubedrijf werken, ik denk aan gezinnen waar een bittere strijd tegen de duurte gestreden wordt en waar de kosten aan de Kerk verbonden de*” eerste bezuinigingspost vormen en ook denk ik aan heel jonge mensen, die als inleiding op de strijd om het bestaan in een jacht naar diploma’s geworpen zijn en daarom geen tijd en lust hebben voor het kerkelijk onderwijs. Het is daarbij de mensen moeilijk duidelijk te maken, dat een slinkend contact met de Kerk op den duur een ondermijnende invloed uitoefent op het geestelijk leven in het algemeen. Of is dat pastorale propaganda en kerkelijke grootspraak? Ik meen, dat dit niet het geval is en dat het apparaat van de Kerk, hoe gebrekkig ook, toch een normaal, zelfs historisch noodzakelijk instrument is, dat God wil gebruiken om zijn doel te bereiken.

Onder die natuurlijke hindernissen nemen ook de politieke barrières een belangrijke piaats in. De verschuivingen tijdens de oorlog, die zo hoopvol stemden en nieuwe bindingen schenen tot stand te brengen, hadden slechts een negatieve achtergrond. En de predikant, die als christen ook socialist wil zijn, moet zich vooral geen illusies maken, dat hij verzoenend kan werken tussen groepen, die al te lang onnodig gescheiden waren. Integendeel, hij zal zich, vooral als hij orthodox is, des te meer geïsoleerd gevoelen. Mijn ervaring is, dat sinds de doorbraak, die toch al van geringe omvang was en op bedenkelijke wijze aan het afbrokkelen is, de verhoudingen weinig ten goede zijn gewijzigd. Er is, althans in mijn kring, geen toenadering van enige betekenis van uit de oude S.D.A.P. in de richting van de Kerk opgevolgd. Toch is er een kleine winst, juist op pastoraal gebied. Er mag dan geen sprake zijn van een gang naar de Kerk, toch wordt de tegenstelling tussen socialisme en Kerk, in het gesprek althans, niet zo scherp en veelvuldig meer gesteld. Dat kan winst betekenen, ’t kan ook uit een zekere matheid voortkomen en uit een gemis aan politiek idealisme. Helaas moet ik vaststellen, dat in de kring van de gemeente wel heel weinig veranderd is. De Kerk heeft door gebrek aan sociale bewogenheid bij de opkomst van de S.D.A.P. niet kunnen verhinderen, dat de stroom van het socialisme zich in hoofdzaak een materialistische bedding koos, maar de Kerk heeft in 50 jaar nog niet veel geleerd bovendien. Men hoort nog