is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 47, 02-09-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TIEN JAAR

GEMEENTE-OPBOUW

Op 27 Augustus 1940 hield prof. Kraemer een rede op de eerste vergadering van de Commissie voor Kerkelijk Overleg.

Deze commissie was ingesteld door de Algemene Synode der Ned. Herv. Kerk en zij had als opdracht de Synode bij te staan bij haar moeilijke taak om leiding te geven in de benarde situatie, waarin kerk en volk verkeerden. Een commissie, waarin alle stromingen binnen de Hervormde Kerk vertegenwoordigd waren.

Prof. Kraemers rede nu was als het ware het startsein van het nieuwe werk, waarvan wij nu hier en daar vruchten zien. Het was het startsein voor Gemeenteopbouw.

De naam is duidelijk. Prof. Kraemer, man met grote internationale ervaring, wist te goed, dat een kerk pas verandert, wanneer de gemeenten weer gemeenten, d.w.z. christelijke gemeenschappen worden. De gemeenten moesten weer gebouwd worden. Zij moesten weer leren, wat het betekent, gemeente van Jezus Christus te zijn. In haar wijze van samenzijn. En in haar dienstbetoon aan de wereld.

Dè,t is het grondstramien van Gemeenteopbouw.

Nu zijn wij tien jaar verder. En de vraag is gewettigd of Gemeente-opbouw werkelijk die vernieuwende functie heeft gehad, die zij als beweging beoogde.

Ik wil die vraag niet alleen beantwoorden, door te verwijzen naar het jongste nummer van „Wending”, dat geheel aan Gemeente-opbouw is gewijd. Ik zou dit nummer graag in de handen van è.l onze lezers zien. Van kerkelijken en buitenkerkelijken. Zij zullen daaruit kunnen proeven, dat Gemeente-opbouw niet alleen een zaak van oorlogspsychose was, en evenmin van vredig gladstrijken der richtingsoneffenheden. Zij zullen lezen, welk een revolutionnerende kracht Gemeente-opbouw in de kerk behouden heeft, en hoe het appèl van toen feitelijk niets van zijn actualiteit heeft ingeboet. Zij zullen, denkende aan de situatie van vóór de oorlog, beseffen, dat een blad, zó verbonden aan de Hervormde Kerk, met zulk een open, radicale, vrome wijze van ingaan op de problemen van heden, reeds een teken is, hoe Gemeente-opbouw niet zijn tijd gehad heeft, maar feitelijk nog krijgen moet.

Neen, ik wil op eigen wijze, juist met het oog op de problemen, waarmee ons blad zich in het bijzonder bezighoudt, zeggen, wat Gemeente-opbouw-nü betekent.

Ik richt mij daarbij tot kerkelijken van elke denominatie en tot buitenkerkelijken. Wantal is Gemeente-opbouw in aanleg een Hervormde zaak, de positie van de Hervormde Kerk in ons volksleven maakt, dat er niets wezenlijks-belangrijks in de Hervormde Kerk kan geschieden, of het raakt het gehele volk. De Hervormde Kerk draagt een oecumenisch karakter. Hoe vreemd het in het licht van de ontwikkeling der laatste jaren mag lijken, de Hervormde Kerk is niet kerkistisch. Zeker, ik weet wel, dat haar imperialisme verweten wordt. In het bijzonder van Gereformeerde zijde. De weg, die de Hervormde Kerk gegaan is, moet haar ook ten diepste schokken. Terwijl

vóór 1940 immers het christelijk-maatschappelijk en dus ook geestelijk leven zich in organisaties van christenen afspeelden en terwijl daarbij de Gereformeerden vaak uitmaakten, wie zij daarbij als christenen konden aanvaarden en wie niet, is het nu zo, dat deze figuur veel van zijn glans verloren heeft. Door de aandacht voor allerlei problemen van kinderbescherming af tot de radio toe binnen de kerk te betrekken, kreeg men als het ware meer vat op de wereld. Kon men de geijkte antwoorden opnieuw onder de loupe nemen. Hoe vreemd het klinke: deze „verkerkelijking” was een verruiming van de probleemstelling.

Daar komt nog bij dat geen enkel probleem aangepakt werd om de Hervormde Kerk als zodanig groter te maken. Heel diep in het besef van allen, die daar leiding geven, ligt het weten van de dienstbaarheid dezer kerk. En van de oecumenische verbondenheid der Hervormde Kerk. Let eens op: zowel in de Indonesische kwestie, als in de radio-aangelegenheid, als bij de buitenlandse betrekkingen als bij de bestudering van de sociaal-ethische problemen wordt bewust de Oecumene betrokken. Om een ander voorbeeld te noemen: in de Jeugdraad is óók de V.C.J.C. aangesloten, ofschoon zijn leden lang niet allen Hervormd zijn.

Dit alles heeft het beeld van het kerkelijke leven grondig gewijzigd. Dit heeft uiteraard de oudere organisaties, vooral die, welke van antithese-gedachten uit leefden, wel eens verdroten. Nochtans: deze ontwikkeling is tien jaar geleden gestart en wat ook de vertragende factoren mogen zijn, niets is er, dat deze ontwikkeling kan tegenhouden.

Gemeente-opbouw heeft dus de gemeenten opgeroepen te beseffen, dat zij een stuk verantwoordelijkheid in het geheel der kerk en der samenleving hebben te dragen en dat zij in haar uitingen waarachtig gemeenten moeten zijn. Dat men hierbij het eerst denkt aan de richtingstegenstellingen, ligt voor de hand. Deze tegenstellingen vulden nu eenmaal de kolommen van de wereldlijke en kerkelijke pers. Het zou onnozel zijn, te zeggen, dat ze er niet meer zijn. Maar het zou ook dom zijn, te beweren, dat deze tegenstellingen nu nog met precies dezelfde argeloze fröhliche-Kriegmentaliteit worden beslecht. Wó,ó,r spanningen zijn, daar heeft minstens een deel van de gemeente, en in ieder geval het geheel der kerk een katterig gevoel.

Intussen is de „liquidatie van de richtingsstrijd”, waarvan men wel eens eufemistisch sprak, niet het wezenlijkste voor „gemeente-opbouw’. Al hoort dit er zeker bij. Wezenlijker is de aanvaarding van het apostolaat èn van een pogen tot hernieuwd belijden. In-enen en te zamen gedacht. De aanvaarding van het apostolaat bracht al die raden, al die commissies. Bracht óók „Kerk en Wereld”. En het Paedagogisch Seminarium te Utrecht. Wie dat alles overziet en wie weet, hoe er gewerkt wordt, zal nooit meer schamperen en zeggen, dat het alles niets is. Wie echter zélf in „het bedrijf” zit, wordt wel eens moede van alle moeiten, die nodig zijn om de gemeenten

vertrouwd te maken met opzet en resultaten van die grote werk.

De pogingen tot hernieuwd belijden, waartoe de gemeenten geleid worden, zijn bekend. Kerkorde, Fundamenten en Perspectieven. Hier kan ik minder vurig spreken. Er is een reglementair perfectionnisme nodig gebleken om alle wantrouwen te bezweren (ongeloof dus in de werking des Geestes in de Kerk); er is ook een theologische arbeid met monnikengeduld verricht, om bevreesde lieden het vertrouwen te geven, dat er heus „niets” verloren ging van het aloude belijden der Vaderen. De narigheid is, dat één mens niet alles tegelijk kan doen. Men kan blijkbaar niet tegelijk apostel èn kerkvader zijn. Niet tegelijk de onchristelijke wereld toespreken èn de evangelistische waarheid zó formuleren, dat de doorgepreekten er nog iets van het christelijk belijden in horen.

Intussen; deze ontwikkeling is onvermijdelijk. Zij zou dodeiijk zijn, wanneer niet gemeente-opbouw volledig zijn appèl blijft doen op gans de Kerk. De invoering van het nieuwe en uitdrukkelijke geschiedt.

Nu nog iets.

Het is merkwaardig, dat de lectuur van het „Wending”-nummer weinig over politiek spreekt. Banning, Van Cleeff, J. A. Bakker en P. Smits schreven over de sociologische eri sociaal-economische aspecten van heden. Te recht. En verdienstelijk. Maar noch zij, noch anderen gaan in 0p... de Partij van de Arbeid.

Dit zwijgen is veelzeggend.

Het is in ieder geval een afdoend antwoord op al diegenen, voor wie Gemeenteopbouw een ander woord was als propaganda voor de Partij van de Arbeid. Wie dat dachten of zeiden zo waren en zijn er duizenden! —■ vinden hier als antwoord, dat het eenvoudig niet de moeite waard is, om er op in te gaan. De Gemeente-opbouw-vereniging heeft niet in de eerste, zelfs niet in de tweede of derde plaats een specifiek politiek doel. Zij wilde totale verandering van de gemeente op alle gebied des levens. Dat er düs ook verandering kwam op het gebied van de politiek, sprak vanzelf, behoefde niet eens meer gezegd te worden. Niemand werd en wordt overigens tot deze consequentie gedrongen.

Tóch is dit zwijgen ook weer jammer. Want er is zoiets als een politieke doorbraak en die is ondenkbaar zonder deze beweging in de Hervormde Kerk. Juist wanneer wij zien, dat Gemeente-opbouw zulke diepe wortels in het geloofsleven heeft, juist als wij óók zien, dat Gemeente-opbouw de grondpeiler van veel christelijk organisatieleven aantast, juist dan begrijpen wij het onvermijdelijke en het wèlgefundeerde van de politieke doorbraak.

öf is er tevens over gezwegen, omdat een lichte teleurstelling bij velen leeft, die gemeend hebben, dat juist in de socialistische arbeidersbeweging, openheid, steun, althans aandacht voor de roep van Gemeente-opbouw zou zijn?

Die teleurstelling is er. Maar waarom zich daar méér over verbazen, dan over véél onaandoenlijkheid in sommige kerkelijke kringen tegenover dit oer-evangelistisch verschijnsel?

Ook die teleurstelling te dragen, en met evenveel geduld als waarmee men in de Kerk staat steeds weer duidelijk maken wat het „Anliegen” van Gemeente-opbouw is onder deze buitenkerkelijke, dus vaak zéér antithetisch ingestelde groepen, dat is ook een opdracht met diepe zin.

Ook naar die kant zal in de komende jaren Gemeente-opbouw vruchten kunnen afwerpen. L. H. RUITENBERG