is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 48, 1950, no 50, 23-09-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vele kleine Negerkindertjes In Zuid-Duitsland een probleem op zich zelf vormen, dat begrijp ik. Maar dat een goed verzorgd geïllustreerd Duits weekblad, dat ik op het station kocht, zóveel vuiligheid afbeeldt en schrijft, dat ik het moest verscheuren, dat begrijp ik niet. Evenmin als ik begrijp, waarom de paar Duitse films, die ik zag, zó laag bij de grond zijn en zo vol van vuile grappen. En lachen dat men doet! De gids in de touringcar kruidde zijn uitleggingen ook met grappen. Ze waren niet alleen flauw, maar ook zo vies, dat ik me weer verbaasd heb afgevraagd, waarom het Neurenbergse volk zich zelf zo vernedert.

Er is een tijd geweest, waarin Hitier zijn grote partij vergaderingen in Neurenberg hieid. En na de oorlog kwamen de Duitse leiders in Neurenberg voor de rechtbank der geallieerden. Er is het één en ander gebeurd in Neurenberg. Maar de Neurenbergse bevolking is alleen maar boos en verongelijkt. En ze lacht om vuile grappen.

Ja, ik weet het, meneer Schneider, het is een droevig beeld, dat ik geef van de Neurenbergse straatbevolking. En nu heb ik nog helemaal niets gezegd van de nazi’s, die hier nog rondlopen. Een tennisleraar, met wie ik lang doorpraatte, vertelde me in vertrouwen, dat de Joden het weer even bont maken in Duitsland als vóór de oorlog. Ze hebben weer alle machtsposities in handen. Ze zijn weer rijk.

„U moet het vooral niet geloven”, zo zei hij tegen me, „als men u vertelt dat er zoveel Joden zijn omgekomen. Allemaal Quatsch. Ze zijn allen weer teruggekomen. En laat u toch ook niets wijsmaken over de concentratiekampen. Slechts 5% van de gevangenen was om politieke redenen gevangen genomen. 95% waren misdadigers. Velen van de vrijgekomenen zitten nu al weer in de gevangenis. In Rusland is een slechte dictatuur. Wij hadden een goede dictatuur. Het Duitse volk kan niet zonder dictatuur. Toen één man regeerde, gebeurde er wat hij zei. „Nu hebben we een democratie, nu gebeurt er niets. De bonzen in Bonn worden rijk van ons geld. De regering doet niets. De arbeiders komen om van de honger. Ze hebben geen huizen, geen werk, geen geld. Dat is de democratie: de pest voor ons volk.”

Als u dit leest, meneer Schneider, aan wiens kant staat u dan? Eigenlijk hebben wij over deze vragen niet gepraat. We hebben ons bij de kunst gehouden. En ik heb zo’n vermoeden, dat u zich überhaupt bij de kunst houdt. Ik hoor het u al zeggen: „Och, daar heb ik geen verstand van. De politiek laat ik aan anderen over.” Want zo spreekt de gemiddelde intellectueel in Duitsland, is het niet? En de gemiddelde kerkmens zeker!

Nachtwache

Maar nu ga ik toch in een andere toon schrijven, meneer Schneider, want nu komt de Kerk. En nu moet ik u heel hartelijk bedanken, dat u mij bij ons afscheid nog de raad gaf, om de film „Nachtwache” te gaan zien. U zei zo aarzelend: „Ik kom zelf bijna nooit in een bioscoop en ook niet in een kerk. Maar ik weet, dat de geestelijken hun gemeenteleden opwekken om deze film te gaan zien. Misschien denkt u ook christelijk?”

Ik ben gegaan, en ik ben diep onder de indruk gekomen. Goddank, dat dit Duitsland uit „Nachtwache” er ook nog is! Nachtwache een dominee en een kapelaan gebruiken dezelfde kerk. Natuurlijk. Hoeveel kapotte kerken zijn er al niet

alleen in Neurenberg? De oorlog leert oecumenisch denken. Tussen de dominee en de kapelaan groeit vriendschap en geloofsverbondenheid. „Aflossing van de wacht” zegt de kapelaan, als hij het altaar verlaat en de dominee toetreedt.

Om hen heen de nacht: de verbitterde, ontgoochelde mens in de na-oorlogse wereld. Maar ook: de beslotenheid van de kerkelijke gemeenschap, die de wereldling niet begrijpt en veroordeelt. In deze film een diaconessenhuis, waar de zusters vroom zingen, terwijl hun vrouwelijke arts in geestelijke nood onder hen. leeft.

Ik vertelde u reeds, meneer Schneider, dat ik de laatste jaren nogal eens in Duitsland heb rondgereisd. De grootste bewondering heb ik gekregen voor het sociale werk van de kerken. Wat men voor de vluchtelingen bijv. doet, is bijna ongelofelijk. En volgens mijn indrukken vindt men in de kerkelijke wereld de fijnste mensen in Duitsland. Mensen, voor wie men slechts diep respect kan hebben. En veel predikanten heb ik ontmoet, die diep gebukt • gaan onder de nood en verwording van hun volk. Maar steeds weer rijst toch de vraag bij me: benaderen de predikanten wel de buitenkerkelijke mens? Blijft de Kerk in Duitsland niet toch nog een onder-ons?

En nu is daar deze film, waarin een predi-

kant vertwijfeld uitroept: „Hoe bereik ik de harten van deze' mensen-in-nood?” Een film, waarin de diepste geloofsvragen eerlijk en nuchter worden uitgesproken. Nee, het is geen kerkelijke propagandafilm. Het is een film van de wereld, die vragen stelt aan de Kerk. In deze film voel ik de smeekbede van het Duitse volk, voor zover het nog niet afgestompt is: Kerk, help ons. Breng je leer in praktijk. Laat geloofsdaden, laat liefdedaden zien. 'Verlaat je isolement en kom ons tegemoet.

Het is deze film, meneer Schneider, die me weer hoop geeft gegeven. U vertelde me, dat de bioscopen stampvol zijn bij deze film. Ook in Neurenberg dus. In dat Neurenberg, waar van ’s morgens heel vroeg tot ’s avonds heel laat de heiblokken dreunen, omdat er uit alle macht gebouwd wordt, en waar een lawaai en een drukte heersen, dat men elkaar op straat niet verstaan kan. In dat Neurenberg, waar men scheldt op de bezetters en van eigen schuld niets begrijpt. In dat Neurenberg een schreeuw tot de Kerk om hulp. En u en ik hebben die schreeuw gehoord, en hierin begrijpen we elkaar, is het niet? Een hartelijke groet uit de verte van uw Hollandse vriendin

MARY J. DE GEUS—SMELT

V V OEDSELVERNIETIGING

Ten tijde van de vooroorlogse regeringen van Colijn behoorde het tot de grieven in de socialistische partij, dat voedsel vernietigd werd, terwijl er nog behoefte aan bestond. Thans vindt onder socialistische verantwoordelijkheid die zelfde vernietiging op vrijwel dezelfde, soms nog grotere schaal plaats. Dat is een nare kwestie. Er zijn zo van die mensen, die daar dan ook liever maar niet over praten. Daarom lijkt het mij goed, om dit onderwerp toch nog maar eens aan de orde te stellen. Het was destijds fout en nü fout, of het was destijds goed en nü goed. Er is nog een derde mogelijkheid: het was destijds fout en nu goed, omdat er een gewijzigde situatie is ingetreden. Laat ik dan wellicht tot deernis van sommige partijgenoten moeten constateren, dat er geen principiële wijziging in de situatie is ingetreden. Wij zullen dus met dezelfde maat moeten meten. Hetgeen overigens hierbij dan ook aan onze waarde tegenstanders zal moeten worden verzocht! • Goed of fout?

Als men de zaak abstract stelt, dan moet men de stelling verdedigen: zolang er nog enig mens of dier behoefte heeft aan groente, dan mag deze groente niet vernietigd worden. Maar aan abstracte stellingen hebben we niet veel. Want de werkelijkheid stoort zich niet aan onze abstracte stellingen en wee ons, als wij de werkelijkheid te lijf gaan met onze ijle gedachtenschema’s.

Allereerst is daar de complicatie: is de mens, die behoefte heeft aan groente, te bereiken? De verhongerende Chinees heeft niets aan onze groente. Het ruimteverschil is te groot. Zijn er mensen op bereikbare afstand, die behoefte hebben aan groente? Jawel, buiten en binnen onze landsgrenzen. Buiten: men wil onze groente wel, maar de deviezen om ze te betalen ontbreken. Cadeau doen? Dat kan, maar wie betaalt het dan? De Nederlandse belastingbetaler. En is hij daartoe bereid? Bent u, ben ik bereid een offer te brengen voor die hongerende buitenlander? En nu geen stichtelijkheden, maar eerlijkheid!

Binnen onze landsgrenzen is er ook nog wel behoefte. Niet zo groot overigens. Het is nu eenmaal de tragiek van de menselijke natuur, dat iets, dat een „vrij” goed is (water bijv.) niet erg hoog aangeslagen wordt. Zelfs in de oorlog, toen wij snakten naar wat groente, hebben wij bij anderen en ons zelf ondekt, dat na veertien dagen overvloed van andijvie tegen normale prijs, de andijvie een niet-begeerd goed werd. Als de Nederlandse groenten, die nu vernietigd worden, gratis zouden worden gedistribueerd, dan zou de animo zeer gering blijken.

Maar zelfs als ik mij hierin zou vergissen en er dus wel afzetgebied binnen onze (landsgrenzen zou worden gevonden, dan moeten deze groenten en de daarbij komende kosten van transport e.d. toch betaald worden. Door wie? Door de Nederlandse belastingbetaler. Zijn wij daartoe