is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1950, no 5, 28-10-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buskes versus Scheps

Zaterdagmiddag, een rokerige, overvolle zaal van „Kunst en Wetenschappen” in Utrecht. Landelijke vergadering van de P.C.W.G., de Protestants-Christelijke Werk Gemeenschap in de Partij van de Arbeid. Het ging om een gesprek over de houding der Partij tegenover het militarisme. Concreter, tegenover Korea, het Atlantisch pact. Rusland. Twee mannen zouden spreken: Buskes en Scheps.

Ze hebben beiden gesproken. Uiterst welsprekend. Met prachtige verve en met weldadige openhartigheid. Twee mannen uit geiyk milieu. Beiden verrieden in hun wyze van spreken, hoe de training van de Gereformeerde jongelingsvereniging niet aan hen voorbijgegaan was. Beiden zyn zy wegen gegaan, die van de Gereformeerde Kerk afvoerden. Beiden ras-evangelisten, als é,lle evangelisten de mens aanziende in zijn sociale nood. Dus getrokken naar het socialisme.

Alleen: Buskes werd predikant in de Hervormde Kerk en Scheps werd Tweede-Kamerlid. Twee werelden, twee verantwoordeiykheden.

Deze twee mannen nu leidden het onderwerp in, dat ons allen diep beroerde. De christen, die socialist is, zal steeds zijn reserves hebben tegenover het militarisme. Bovendien: in de meeste stromingen in het christendom, die tot socialisme leidden.

zat een dik stuk anti-militarisme. Ja, menigeen onder ons is tot het socialisme gekomen, omdat hy de oorlog onderging als een vreseiyk kwaad, als een zonde èn dus zocht naar een macht, die maatschappelyke vormen nastreefde, waarin het militaire apparaat afgedankt kon worden. Zo werd hij óók socialist.

En nu zitten wy er mee. Buskes schilderde het fel en waarheidsgetrouw: het militarisme wordt in onze kringen niet alleen aanvaard, maar ook zonder reserve goedgekeurd. De eenzame stemmen, die in de rijen van het socialisme tegen het vertrouwen op wapenen waarschuwen, worden amper aangehoord en niet in ernst genomen. De Kadt heeft in zijn geruchtmakende „De consequenties van Korea” op de meest felle en denigrerende wijze over de anti-militaristen geschreven, en de verspreiding van dit boek wordt al blijft de Inhoud er van voor rekening van de schrijver door de Partij bevorderd. In de officiële uitingen van de Partij wordt wel gezegd, dat Europa niet alleen militair sterk, maar ook sociaal en economisch rechtvaardig moet zyn, maar dat laatste schijnt meer een memoriepost voor de propaganda te zijn. Waarom toch dat wit-zwart schema tegenover het communisme? Waarom niet in ernst de voorstellen van Nehru bekeken? Aldus Buskes.

En nu Scheps. Hij begon met te zeggen, hoe hij zich anti-militarist voelde. Maar hy bestreed Buskes door hem er op te wyzen, dat hij te veel naar de buitenkant keek van de besluitvorming. Politiek is ten slotte: beslissen. Ja of neen. Een tussenstandpunt is er niet. Waar het op aankomt is, dat men de totstandkoming van dat ja of dat neen goed ziet. En de beslissing voor Scheps tegenover het aanvaarde militarisme-nu is gelegen in de onmogelykheid een ander antwoord te geven op de vraag wat men te doen heeft, als nietdoden dóden is. Er is in het afstaan van alle militair geweld op dit ogenblik een groot zedelijk moment. Men kan respect hebben voor hen, die het voor zich zelf kiezen. Maar mag men het kiezen, wanneer men daarmee de levens en de vryheid van duizenden, de cultuur en het christeiyk leven in de waagschaal stelt? Dat was de kern van de betogen, vrij weergegeven.

En daar zaten wij, toehoorders. Wat ging door de vergadering?

Ik ben, dacht ik, niet ver mis, als ik zeg, dat deze twee mannen met hun pathos, hun visie, beiden tot de onzen behoorden. Ik voor mij kan niet zeggen, wie het grootste gelijk of het grootste ongelijk had. Hun gelijk en hun ongelijk lag op verschillend vlak. Vlakken, die men niet mag afdoen met: de realistische politicus of de moraliserende dominee. Niemand zal het gevoel hebben gehad, dat Buskes niet realistisch was in zijn waarschuwing tegen het militarisme, in zijn stelling, dat het militarisme nooit vrede brengt en de bloed doordrenkte akkers nimmer de grond zijn, waarop het socialisme bloeien kan. En niemand zal kunnen ontkennen, dat bij Scheps de zedelijke normen, de loodzware verantwoordelijkheid scherp functionneerden.

Het verschil was, dunkt mij, dat Scheps poogde een uitweg te vinden in de huidige machtsverhoudingen, waarbij hij héél goed wist, dat deze „uitweg” wellicht helemaal geen uitweg was. Buskes zag duidelijk

DE HERBEWAPENING VAN WEST-DUITSLAND

De kwestie der Westduitse herbewapening, die de gehele wereld van het Westen bezighoudt, is in West-Duitsland aanleiding geworden tot een ministeriële crisis. Dr Heinemann, de minister van Binnenlandse Zaken en lid van de C.D.U., heeft zijn portefeuille ter beschikking gesteld. Hij kon zich niet langer verenigen met de wijze, waarop dr Adenauer, de Bondskanselier, het vraagstuk der Duitse herbewapening behandelt.

Heinemann heeft grote bezwaren tegen het eigenmachtige optreden van Adenauer, die zich van de democratie niets aantrekt en, wat de buitenlandse politiek betreft, telkens uitspraken doet en bepaalde maatregelen neemt buiten het parlement om. Zonder enig overleg met Heinemann heeft hij een plan voor een speciale politiemacht ontworpen en aan de Geallieerden toegezonden. Het eigenmachtige optreden van Adenauer is echter niet het eigenlijke bezwaar van Heinemann.

Zijn eigenlijke bezwaar is de herbewapening van West-Duitsland. Hij acht het onjuist, dat alleen de Westduitse Bondsregering over de herbewapening beslist. Zolang West-Duitsland niet volkomen souverein is, om aan de Geallieerden herbewa-

pening te vragen of militaire hulp aan te bieden. Daarover zal het Duitse volk zich via een referendum moeten uitspreken. In dit opzicht trekt Heinemann één lijn met de Duitse socialisten. Er zit aan de kwestie echter nog veel meer vast.

Heinemann, die voorzitter is van de Algemene Synode der E.K.D. (Evangelische Kirche Deutschland) is een vertegenwoordiger van de Belijdende Kerk en de Belijdende Kerk voelt niets voor een herbewapening van Duitsland, die de tegenstelling tussen Oost- en West-Duitsland alleen maar kan verscherpen en toespitsen.

Reeds in verschillende toespraken, gehouden op de grote samenkomsten van de Protestanten in Esschen, kwam een en ander duidelijk aan het licht. Adenauer wil een politieleger, niet een politiemacht, maar zeer bepaald een politieleger. Hij wil herbewapening.

Dr Gerstenmaier, de leider van het hulpwerk der E.K.D., stelde zich achter Adenauer, maar vond weinig bijval, in tegenstelling tot prof. Iwand, een typische vertegenwoordiger van de Belijdende Kerk, die zich vierkant tegenover Adenauer stelde. En in de grote jeugdmeeting heeft

Niemöller zonder meer verklaard een tegenstander van elke herbewapening te zijn, onder een welhaast fanatieke bijval van de Duitse Protestantse jeugd.

Adenauer heeft kortgeleden een publieke aanval op Niemöller gedaan door te beweren, dat hij door zijn actie tegen de herbewapening aan de positie van Duitsland in de wereld de grootste schade toebrengt, maar Niemöller is er de man niet naar, om zich door deze felle beschuldiging van de wijs te laten brengen. Hij weet, dafr zijn stem de stem van de Broederraad der E.K.D. en de Belijdende Kerk is.

De Raad van de E.K.D. heeft intussen verklaring gepubliceerd, waarin hij zich stelt achter een goed functionnerend politie-apparaat, maar tegelijkertijd de remilitairisering van Duitsland zowel voor het Oosten als voor het Westen afwijst: „Het kan slechts de roeping der Kerk zijn aan de zwaar bewapende wereldmachten te vragen, aan de heilloze bewapening een einde te maken en een vreedzame weg te zoeken tot oplossing van de politieke vraagstukken. In elk geval dient hij, die op grond van zijn geloof de militaire dienst weigert, de zekerheid te hebben, dat hij zijn geweten ongeschonden kan houden.” Aan de