is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1950, no 9, 25-11-1950

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONVOLLEDIG DAGBOEK

17 November.

Er gaat een demonische werking uit van de woorden: gelijk hebben. Soms kan iemand de lugubere gedachte overvallen, dat de macht van deze woorden zo groot is, dat ze meer dan iets anders het politieke, het kerkelijke en vaak ook het persoonlijke leven bepalen. Het maakt het politieke en kerkelijke bedrijf zo vermoeiend, de gewone betrekkingen tussen gewone mensen zo bitter en verdrietig.

„Gelijk hebben” is een machtige meester en hij heeft veel slaven. Het is bovendien niet eenvoudig om aan zijn slavernij te ontkomen. Hij heerst over de politieke dagbladen en brochures, die meestal geen ander doel schijnen te hebben dan van dag tot dag in talloze variaties bij alle gelegenheden aan te tonen, dat de regering, waarin mensen zitten van de partij, die zij vertegenwoordigen en dat bovenal die partij zelf steeds gelijk heeft gehad, op dit moment gelijk heeft en zonder twijfel in de toekomst ook voortdurend gelijk zal hebben. Hij heerst in zoveel gedegen artikelen in kerkelijke bladen en over zoveel kerkelijke gesprekken, waarbij alle argumenten eentonig steeds weer cirkelen om dat ene punt: wij hebben gelijk.

Hij heerst bij het onbenullige gebeurtenisje, waardoor misverstand rijst tussen een man en zijn buurman of vriend of familielid en waardoor tussen hen misschien enkele harde, onbillijke woorden vallen. Zodra dit gebeurd is strekt „Gelijk hebben” zijn hand naar hen uit en gaan ze zijn taal spreken. Hij leert hun, onbenulligheden opblazen tot monsterachtige proporties. Hij brengt hen in een doolhof van zelf-misleidende en zelfrechtvaardigende redeneringen, totdat hij een kloof tussen hen heeft veroorzaakt en elk zich in het fort van zijn gelijk-hebben ontoegankelijk heeft gemaakt voor de ander.

Deze slavernij is ons op het vlak der persoonlijke relaties allen bekend en meestal erkennen wij daar, tenminste als het anderen betreft, ook volmondig de tragiek en de domheid van deze slavernij.

Als het anderen betreft... want voor we het weten worden wij zelf de slaven van „Gelijk hebben”, als het ons en onze partij en onze kerkelijke groep betreft. Wat mij tot deze bespiegelingen bracht? Drie dingen.

Het eerste: de professor, die nu al enkele jaren lang week in week uit in een kerkelijk blad al maar ijverig en minutieus zijn artikelen schrijft om aan te tonen, dat in een dogmatisch conflict, dat in de oorlog in zijn kerk tot een scheuring leidde, zijn groep volkomen gelijk had. Misschien is dat ook wel zo, maar in deze eindeloze artikelenreeks ligt voor mijn gevoel iets van deze tragische slavernij.

Het tweede: het verhaal van twee jonge mensen, die weigerden bij de doop van het eerste kindje van hun zuster en zwager aanwezig te zijn, omdat die doop in een „valse kerk” plaats vond.

Het derde: een brochure die mijn vriend van de A. R. Partij stichting mij toezond. Een brochure van de heer Gosher onder de titel: De tragiek van de Partij van de Arbeid. Ik heb die brochure alleen nog maar doorgebladerd. Ik heb al wel begrepen, dat de strekking van het betoog van de heer Gosher is, dat de P.v.d.A. volkomen ongelijk heeft gehad en nog heeft en dat de A. R. Partij geheel gelijk heeft. Wat was mijn reactie bij het doorbladeren van deze

De ogen dicht. Odilon Redon

brochure? Deze: ik ga hierover schrijven in „Tijd en Taak” 0m... aan te tonen, dat de heer Gosher ongelijk heeft. Ik sta immers ook aan een bepaalde kant en het is een andere kant dan die van de heer Gosher

Ik zal proberen het anders te doen. Zodra ik tijd heb, zal ik de brochure rustig lezen, aannemende, dat de heer Gosher misschien allerlei juiste en ware dingen zegt. Want de P. v. d. A. heeft stellig niet altijd gelijk, evenmin als de partij van de heer Gosher. Ik ben bang geworden voor de slavernij van „Gelijk hebben”. De consequentie er van is te zien in iedere totalitaire staat, waar leider en partij nooit anders dan gelijk hebben en aan dit gelijk duizenden mensen opofferen

19 November. De Nederlandse delegatie bij de V.N. heeft me opnieuw verrast. Volgens de krant is in een der vergaderingen de kwestie van de rassenpolitiek in Zuid-Afrika weer aan de

orde geweest. Een besluit is genomen over de zgn. „apartheidswetten”, waarin deze politiek haar wettelijke (niet te verwarren met wettige!) vorm heeft gevonden. In het bericht, dat ik er over las, werd meegedeeld, dat de Nederlandse delegatie had verklaard van mening te zijn, dat dit een binnenlandse aangelegenheid van de Unie van Zuid-Afrika is. Dat de V.N. de apartheidswetten zouden gaan toetsen aan de Verklaring van de rechten van de mens, vond onze delegatie blijkbaar niet erg juist en niet erg gewenst. Alsof er nog ten aanzien van zulke kwesties werkelijk binnenlandse aangelegenheden bestaan. Door een blanke groep, die daartoe krampachtig gebruik maakt van haar machtspositie, worden in Zuid-Afrika grote bevolkingsgroepen van Afrikaanse, maar ook van Aziatische oorsprong onderdrukt en beknot in hun menselijke rechten. Daarmee staat meer op het spel dan de interne politieke situatie in Zuid-Afrika. Hier ligt één der toetsstenen voor de verhouding tussen het westen en Azië. Maar de Nederlandse delegatie denkt in „binnenlandse aangelegenheden”.

Wat belangrijke! is: een groei naar een internationale rechtsorde, die gebaseerd is op zedelijke normen, mag niet ook niet in gevallen als Zuid-Afrika worden