is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 29, 21-04-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overdreven, bewonderende uitbeelding van het soldateske in leger, arbeid en leven. leder scheppend initiatief is verstikt of werd vermoord, iedere oprechte critiek is onmogelijk.

Wat hem verder verontrust, ja zijn verontwaardiging oproept is een groeiend antisemitisme. Volkomen dwaas acht hij de religieuze, ja bigotte verering voor Stalin en Rusland. Men kan geen Russische krant meer lezen of men struikelt over het woordje „groot”: „het grote vaderland, het grote volk, de grote oorlog, de grote leiders, de grote Stalin!” Dostojewski aldus Lieb is weer verboden, het gevoel voor humor, dat toch al gering was, vrijwel verdwenen. De degeneratie-verschijnselen ontwaart hij vooral in de religieuze verering van Stalin, „onze zon”, die hem herinnert aan de verering als góden van de keizers van het ondergaande Romeinse rijk. Meer nog herinnert deze verering hem aan de tijd van de tsaren. En naast de goddelijke Stalin verrijzen de „kerkvaders” Marx, Engels en Lenin, die bestudeerd, gecommentarieerd en geïnterpreteerd worden als hadden zij een nieuwe goddelijke openbaring gebracht. Overigens is Lieb allerminst blind voor de enorme prestaties die Sowj et-Rusland geleverd heeft op economisch en wetenschappelijk terrein. De tragiek als men het slot van zijn bewogen betoog aldus mag interpreteren van deze enorme machtsontplooiing en productie-verhoging is de totale ontmenselijking en verslaving van de mens. Bestreed Karl Marx de ontluistering van de mens in het kapitalisme, de Sowjetheersers, die zich zijn enige rechtzinnige nazaten plegen te noemen, hebben de mens niet minder van zijn waardigheid beroofd. Zij hebben „een onuitputtelijke aanvoer van arbeidskrachten tegen een schandalig lage prijs” georganiseerd; zij exploiteren die arbeidskracht op een schandelijke manier voor de meest onmenselijke projecten. En aldus Fritz Lieb daarom heb ik gebroken met Rusland, heb ik bedankt als voorzitter van de Vereniging „Zwitserland-U.S.S.R.”!

Eerlijk gezegd vind ik deze „afzwering” nogal mager. De argumenten die Fritz Lieb thans tegen het communistische regiem in het veld brengt zijn ten eerste niet nieuw, ten tweede had hij die ook tijdens het schrijven van zijn waarderende boek in rekening kunnen brengen.

Wat mij zwaarder weegt, is dat hij zowel in zijn pro-bolsjewistische als in zijn huidige anti-bolsjewistische houding blijkbaar te weinig reële visie op de feiten vermag op te brengen. Alsook dat hij niettegenstaande de bestudering van de bolsjewistische interpretatie van Marx en Engels toch te weinig de grote lijn van deze bolsjewistische gedachtengang heeft gezien, althans die niet aan zijn lezers heeft weten duidelijk te maken.

In zijn afscheid van Moskou gaat hij uit van de laatste bladzijde van zijn boek, waar hij dit schreef: „Het huidige Rusland mag zijn wat het wil; het gaat zijn eigen weg naar een grote en zeker ook vruchtbare toekomst, deze weg mag dikwijls krom zijn

hij leidt... niet in een slop, doch naar een reële toekomst, een toekomst niet alleen voor het Russische volk, maar ook voor die volken van Europa die op dit Russische volk zijn aangewezen. Laat men Rusland tegemoet treden met een verstandig, niet met een blind vertrouwen, en nog minder met een permanent, kleinzielig wantrouwen. Dan zal het Russische volk zeker niet bolsjewistisch reageren, doch met hetzelfde vertrouwen dat het ontmoet de hand reiken om te zamen met ons een nieuw Europa,

een nieuw verworven vrede en een nieuwe zwaar bestreden vrijheid der volkeren gestalte te geven.

Vanzelfsprekend zijn de tendenzen die ik in de ontwikkeling van de huidige Sowjet-Unie heb aangegeven slechts mogelijkheden...

De hierin uitgesproken hoop aldus Fritz Lieb is de bodem ingeslagen. Eerlijk gezegd heb ik die laatste bladzijde altijd de meest aannemelijke geacht. Zelfs bij herlezing mi, zet ik wel is waar achter verschillende zinnen dikke vraagtekens, doch als gedachtegang, als stramien voor een minimum van verstandhouding tussen Rusland en „het Westen” acht ik dit de enige reële mogelijkheid.

Ik geloof namelijk noch in de mogelijkheid van een gewelddadige omverwerping van het regiem door het Russische volk zelf; ik geloof al evenmin in de militaire vernietiging van het communisme in en buiten Rusland.

Als ik het goed zie streven Amerika en de landen van het Atlantisch pact niet naar zulk een militaire overwinning maar naar een modus vivendi op de basis van een machtsevenwicht. Of zij zich over die dan te ontstane verhouding tot Rusland enige reële voorstelling hebben gemaakt, weet ik niet ik twijfel er wel eens aan maar dat deze basis van leven en laten leven veel

af zal wijken van wat Lieb op de laatste bladzijde achter de romantiek der verwachtingen als feitelijke mogelijkheid laat zien, geloof ik niet.

Daarom begrijp ik niet waarom hij nu juist door deze punten zijn desillusie gewaar wordt. Tenzij wij Fritz Lieb als voorlichter over Sowj et-Rusland terug moeten plaatsen in de rij der dromende en hopende lieden, die betrekkelijk weinig van de feiten weten en nog minder in staat zijn deze te interpreteren.

Kortom noch zijn argumentatie voor een anders georiënteerde ontwikkeling in Rusland zoals hij die in zijn veelbesproken boek geeft, noch de argumentatie bij zijn zich afkeren hebben mij overtuigd.

Tramlijn Moskou rijdt, Fritz Lieb stapt onderweg uit en gaat in de menigte verloren, boos en gedesillusioneerd, maar... de tram rijdt verder!

Waarheen, met welke kracht en snelheid, uit welke diepste overtuigingen, op welke passagiers rekenend... Wij gissen, tasten vooralsnog in het schemerduister. Wie op grond van gefundeerde kennis van de werkelijke achtergronden, overwegingen en feiten daaromtrent een nuchter en verantwoord beeld zou kunnen geven die verdient meer aandacht dan de boeiende, zeker niet ondeskundige, maar wel te emotionele Fritz Lieb! A. VAN BIEMEN

DE JONGEREN EN EEN VERENIGD EUROPA

Toen ik een dezer dagen mijn boekenkast weer eens wat in orde bracht bij mij moet zo iets van tijd tot tijd dringend gebeuren en het heeft dan altijd iets van een avontuur had ik bij het samenrapen van kranten, brochures, losse artikelen enz. over de Europese Beweging op een gegeven ogenblik een stapel in mijn armen waar ik versteld van stond. Nee, we hoeven niet te klagen dat er, ook in Nederland, niet genoeg over de Europese eenheid en haar problemen geschreven wordt. En toch drong zich onmiddellijk de vraag bij mij op: Wat lééft er van dit alles in het hart van de jongeren? Een vraag, die ik mij de laatste tijd al vaker met enige verontrusting heb gesteld.

Wó-dr zit het hem toch in, dat in het spontane gesprek van jongeren in kleine kring het woord Europa zo weinig klinkt? Men zou toch mogen verwachten, dat de gedachte aan Europees samengaan wel allereerst bij de jóngeren weerklank zou vinden. Naar menselijke berekening zullen de ouderen vertrouwd moeten zijn met de gedachte, dat de vruchten van hun dikwijls harde arbeid in deze eerst voor het nagesiacht zullen rijpen. Maar de jongeren zullen, ■—■ indien het slaagt! —in hun leven nog de verrijking kunnen bespeuren, die in allerlei opzichten dit samengaan in Europees verband brengen zal. En zij zullen er naarmate het niet slaagt in hun leven door gedupeerd zijn. De strijd voor een Europese eenheid is voor de jongeren niet een avontuur in hun leven het hoort tot het avontuur van hun leven zelf I Is het tot nu toe in de jongeren-kring dan dood gebleven in zake de Europese beweging? Laat ik mij haasten om te zeggen, dat er zeker nog al wat aan gedaan is. Veie verenigingsorganen schreven er over, op tal van bijeenkomsten werd dit thema door

deskundige sprekers ingeleid. Maar als ik de resultaten daarvan probeer te wegen, komt toch in twijfel weer diezelfde vraag naar voren: Wat is daardoor in het hart van de jongeren aan spontane, actieve belangstelling gewekt? Het getal van jongeren, dat zich inzet voor de eenheid van Europa is nog maar klein, hoewel er ook hier lichtpunten zijn.

Een van de belangrijkste lijkt mij wel de Nederlandse Jongeren Raad van de Europese beweging, die na een wel zeer zwaar en langdurig geboorteproces er dan toch eindelijk gekomen is. En lééft!

In tegenstelling met het inmiddels ook opgerichte Europese Jongeren Contact is deze jongerenraad geen ledenwervende organisatie. Het is een werkgroep van een veertigtal personen, die door beroep of door functies in het verenigingsleven of anderszins geacht worden een zeker publiek te hebben en te kennen. De taak die zij zich gesteld hebben, is vooral voorlichting te geven in de jongerenwereld over de zaak van de Europese eenheid en de actieve belangstelling van de jongeren er voor te wekken. Elk der leden poogt op de plaats waar hij of zij gesteld is en met de mogelijkheden die hem of haar gegeven zijn de Europese gedachte uit te dragen. Van tijd tot tijd komen de leden van de raad bijeen om over het volvoeren van deze taak te beraadslagen en ook om na te gaan wat er gezamenlijk, onder auspiciën van de raad dus, gedaan kan worden. Het betreet hier niet een nieuwe jeugdorganisatie, die de bestaande verenigingen concurrentie aandoet. Het college, waarvan Thijs Booy voor – zitter is, is voor hen slechts een serviceorgaan, dat overal waar het gehoor vindt, de Europese zaak wil bepleiten. Jongeren uit alle levensbeschouwelijke kringen maken er deel van uit. Nieuwe leden worden