is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 31, 05-05-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik scheidde; onverstand van aller[wegen.

van al mijn parels werd niet één [geregen. De dwazen! honderd dingen nooit [beseft

en nooit bereikt, zijn in mij dood[gezwegen”. J. H. Leopold.

Wij zijn er aan gewend in de lyriek de belijdenissen te lezen van de mens die liefheeft, die bidt en vloekt, kortom die zijn hart inventariseert met ai zijn gevoelens. Maar sedert 1880 kan het lijken, dat deze mens zijn maatschappelijke functie vergeten was, als hij verzen schreef. Tevoren hadden we veel domineespoëzie; G. Gezeile noch Schaepman verborgen dat zij priester waren; Potgieter en Vondel waren in hun poëzie soms hoorbaar als koopman, om van het eeuwig misverstand, de zingende landman Hubert Poot maar te zwijgen. Ik weet geen voorbeeld, ook niet in de buitenlandse literatuur, van poëzie, die het leraarsberoep zingend verheldert. Daarmee is gezegd, dat deze poëzie alvast er aanspraak op mag maken een geheel oorspronkelijk thema te hebben aangesneden.

Men kan over het beroep van leraar „zeer verheven” spreken en dat gebeurt nog al eens bij plechtige gelegenheden: „De schone taak van jonge mensen in te wijden in de geheimen van wetenschap en cultuur; het verheven werk van op te voeden tot zelfstandige volwassenen; de verrukkelijke omgang met jonge mensen, waarbij je zelf eeuwig jong blijft, enz. enz.”

Dat alles belet niet dat, in de dagelijkse omgang, men over de leraar een beetje meewarig spreekt, als men hem niet benijdt om zijn lange vacantie of hem fijntjes uitlacht als de beroepsintellectueel met het schrale inkomen. En de leraren onder elkaar...? Ze doen er het zwijgen toe, ze foeteren vaak op hun werk en toch, ze houden van hun werk en kunnen het niet laten.

Het eerste sonnet met zijn Duitse titel en zijn stroeve praattoon openbaart, ineens en feilloos, „de leraar” en wel de leraar in de klassieke talen; deze man met zijn eruditie die immers de enige Nederlander is, voor wie vandaag nog de Griekse mythologie van het „dichterpaard’”) leeft; deze man, een beetje smoezelig en sjofel en niet zonder zelfspot, die in de omgang met iachgrage jongens en meisjes geleerd heeft vooral niet zichzelf gewichtig te vinden; deze Classicus, die het beroep heeft de edelste teksten der oude cultuur in mondjesmaat uit te reiken aan kinderen van het electrische tijdperk van radio en auto. De dienst aan het kind dreigt telkens weer hem vleugellam te maken en toch moet hij vliegen. Wee hem, als hij niet tot zijn pensioengerechtigde leeftijd toe, zich opwinden kan over de avonturen van de Ilias, de strategie van Julius Caesar, de geheimen van het Griekse werkwoord en de schuilhoeken der Latijnse syntaxis, om over de goddelijke Plato, de tragiek van Oidipous en de gestrenge oordeelskracht van Tacitus maar te zwijgen. Maar intussen moet hij zijn artikel verkopen aan grote kinderen, die, o zeker wel van goeden wille zijn en aardig, maar hem nimmer begrijpen, doch steeds „doorhebben”, voor wie Plato huiswerk betekent en Homerus moeilijke woordjes, die eigenlijk verwachten en er recht op hebben, dat hy zich verdiept ondertussen in hun (niet kleine!) levensmoeilijkheden, maar voor wie hij de grote onaandoenlyke man is, van wie zy nimmer zullen vermoeden, dat hun goedbedoelde plagerijen hem nog altijd kunnen kwetsen. Zo’n leraar in klassieke

talen is eigenlijk een dichter die zich steeds verloochent, een vogel met sterke vleugels die over de grond huppelt, omdat immers de kuikens anders niet mee kunnen komen. Als hij niet, krachtens zijn beroep, wars was van alle pathos, want samen met zijn leerlingen wantrouwt hij de rhetor, zou hij van zichzelf moeten getuigen dat zijn hart voortdurend verscheurd wordt door de tegenstrijdige eisen van zijn liefde voor de Klassieken en de liefde voor zijn jongens”. Het tweede sonnet is document van deze tijd. Ik zei hierboven, dat deze bundel kans heeft een unicum te worden. Dat is niet helemaal juist. We bezitten in onze zo weergaloos rijke poëtische traditie een andere bundel poëzie van een leraar en als Gerhardt’s bundel uit is, reserveer ik nïe een stille avond om de hare te vergelijken met „Gedichten, gezangen en gebeden” van Guido Gezelle. Ik weet nu al, dat zij het van hem zal verliezen, maar is dat een schande? Hij ook schreef eens een „Brief” aan een leerling, maar de geestelijke verbondenheid van waaruit hij tot „zijn kind” sprak is reddeloos verloren. Daarom is dit gedicht tijdsdocument. Wat geldt tussen leerling leraar vandaag is de haast roekeloze eerlijkheid, waarmee zij samen de wereld bezien. Roekeloos, omdat in een uiterste inspanning om zich de illusie van het lijf te houden en de holle phrase, beiden gedwongen zijn, de nobele zaken waarom het in het leven gaat, aan te duiden in een ontluisterde schorre taal, waarbij de tedere bewogenheid zich slechts raden laat. Dit norse praten, deze brokkelige regels, verraden de kiesheid des gemoeds, ook hierom: de leerling op de achtergrond is geen leerling meer. Hij moge dan nog ’n beetje opzien tegen zijn oude leraar; de leraar zelf weet

dat hij volwassen is en niet meer in de schoolbanken zit, maar naast hem loopt, schouder aan schouder. Het moeilijk herstellen der relaties is begonnen. En nog eens: dit norse praten moge verklaard zijn uit de enige naam, die in dit sonnet opklinkt: Tacitus.““): nog één, die in een rotte tijd leefde en zich geen illusies maakte maar wel idealen had.

Tot slot: ik wou, dat men mij goed begreep; ik matig me geen oordeel aan over een bundel, waarvan ik slechts enkele, verzen las. Maar al lezende deze sonnetten van Ida Gerhardt, verzon ik een artikel, dat tot pendant kon strekken van dat andere van L. H. R. Hij schreef over de lot„gevallen” van dominees.

Waarom ik niet over leraren?

En kon dat niet gecombineerd worden met een ongevraagd commentaar op deze verzen, waarvan ik slechts hoop, dat zij die ze schreef, het niet al te onjuist of te overbodig zal vinden. J. G. B.

‘) Pegasus = het gevleugeld paard der Muzen, omdat het met zijn hoefslag de Hippocrene (hengstenbron, een aan de Muzen gewijde bron op de Helicon in Boeötië) had doen ontstaan. Vandaar Pegasus symbool der dichterlijke bezetenheid.

“) Tacitus, Romeins historieschrijver (55- 120), wiens werk meestal gelezen wordt in de hoogste klas van het Gymnasium. Zijn werken zijn gekenmerkt door een diepe, maar bittere mensenkennis en een nobele zedelijke verontwaardiging over de verwording van zijn tijd.

Hij schreef een uiterst beknopte mannelijke stijl.

Sonnetten van een leraar

ZUEIGNUNG

Dag Pegasus! Wat doe jij hier in het gebouw? Ik ben met Zaterdagse thema’s nagebleven.

Kijk niet: mijn kleren zijn vol krijt, mijn ogen grauw; en rode inkt blijft altijd aan m’n vingers kleven.

Ja, dit is zogezegd de school. Wat wil je nou? Ik heb mezelf al zóveel maanden afgeschreven ....

Of dacht je dat we God, wat is het buiten blauw! door de kapotte tuimelramen konden zweven?

Jij hoort daarbuiten, Pegasus, en hier hoor ik. • O, doe dat niet, kniel niet op deze planken vloer

vol stof en dat voor mij mijn trots, mijn prachtig dier.

Pegasus Idüt mij, dat ik in je manen snik. Wist jij dan hoeveel malen ik mijzelf ontvoer.

nóchtans, om deze kind’ren? Draag mij: ik ben hier.

BRIEF

Beroerd, dat je de groentijd zó heeft aangepakt dat je na jaren zelftucht weer bent ziek geworden. De vlegel, die je van de trappen heeft gesmakt

is, hoor ik, uitgekotst. Dus dat is wel in orde.

„Een schoft die" en van schaamte zeg je ’t nog abstract „niet terug denkt aan de oorlog bij zo’n beestenhorde.” Je meent: een volk, eens tot de hongerdood verzwakt, trapt nu het eten door de scherven van de borden.

Je vroeg een Tacitus. Hier is hij: lees hem goed. Dié heeft wat anders dan een kroegjool aangekeken! Toch ging hij- niet kapot: hij gaf zijn werk, zijn bloed.

Jouw kleine strijd mag met de zijne vergeleken. Als hij heb je de wanhoop om je land ontmoet. Als hij niet om jezelf gejankt. Respect en groet.

WA G. M. GERHARDT