is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 37, 16-06-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Goede Vaderlanders?

Verschenen en aan velen toegezonden is vlugschrift No. 1 van de „Vaderlandse Kring”, getiteld „Het Socialisme in de Nederlands Hervormde Kerk”. Nu „Rijkseenheid” tot zwijgen is gebracht, horen wij in de politieke wereld verwante klanken uit de luidspreker van deze Vaderlandse Kring. Tot deze kring behoren meiisen, wier namen ons dan ook uit ander verband maar al te goed bekend zijn: Lt. Gen. Bajetto, Lt. Adm. Helfrich, Jhr. W. de Savornin Lohman e.a. Het is merkwaardig, dat een bepaalde groep mensen telkens weer in enigszins gewijzigde samenstelling, maar vanuit dezelfde achtergrond en met dezelfde bedoeling optreedt, nu eens onder deze, dan weer onder die naam. Zo ongeveer als spelers in sommige dilettantentoneelgezelschappen, die genoodzaakt zijn om in een zelfde stuk achtereenvolgens verschillende rollen te spelen en dan ook in verschillende gedaanten ten tonele te verschijnen. De Vaderlandse Kring speelt thans de rol van de geharnaste ridder, die de strijd heeft aangebonden tegen de rode draak, namelijk het socialisme, al of niet in kerkelijke gebieden de zielen verslindend. De Vaderlandse Kring is geen partij en geen beweging. Het is een kring, een kleine groep, een selectie. Maar haar vlugschriften zullen hun weg wel vinden onder de grote groep van „Elsevier”-lezers.

In het genoemde vlugschrift wordt gewerkt met de bekende en duizendmaal bestreden verwijten tegen het democratisch socialisme. Het socialisme is wegbereider van het communisme; het socialisme is geworteld in het historisch materialisme van Marx en als zodanig voor Christenen onaanvaardbaar; het socialisme is niets anders dan een streven naar onteigening der bezitters. Enzovoort. Het is niet mijn bedoeling om hier op deze onjuiste verwijten in te gaan. Wie het nog vruchtbaar acht.

moge dit doen. Na alles, wat er over geschreven Is de laatste jaren lijkt het me vrij zinloos. Wel wil ik enkele andere opmerkingen maken, die de figuur van de Vaderlandse Kring zelf betreffen.

Allereerst dan het reeds genoemde feit, dat het nóg mogelijk is om na alles, wat er over geschreven is en wat men dus weten kèin van het socialisme, dit door middel van valse voorstellingen, onjuist citeren en verdachtmakende veronderstellingen te drukken in een hoek, waar het thans niet meer wil zitten. Dit zegt iets over de politieke zeden in bepaalde kringen. Het zegt ook iets over het politieke onbenul bij een maatschappelijke bovenlaag van ons volk. Het merkwaardige echter is, dat het mogelijk is om niet te weten, wat het socialisme thans is .en weten wat het socialisme thans is en wil. Wij leven namelijk in een tijd, waarin niets meer verborgen kan blijven. Zo overvloedig zijn de publicatie- en communicatiemiddelen, dat iedereen van alles alles kan weten. Daar komt bij, dat sedert er een veelzijdige Doorbraak is in ons land, de scheidingen tussen de maatschappelijke groepen niet duidelijk meer te trekken zijn en zeker niet meer samenvallen met verouderde politieke en geestelijke tegenstellingen. Men ontmoet elkander in de kerk, in de partij, in de school, in de vakbeweging, in het gesprekcentrum, in het tijdschrift; gelijk men elkander ontmoette in de gevangeniscel en in het interneringskamp. Onwetendheid is geen verontschuldiging meer. Het wekken van valse voorstellingen kan alleen maar kwaadwilligheid zijn. Men behoeft aan de Heren van de Vaderlandse Kring dan ook niet de vraag te stellen, of zij nooit Het Vrije Volk met zijn vaak mateloze communistenhaat hebben gelezen en of zij nooit „Doorbraak”

met zijn principiële beschouwingen over de grondslagen van het socialisme onder ogen hebben gehad. Dat hebben zij natuurlijk wèl! Wanneer dan toch nog dergelijke dingen gezegd kunnen worden, dan kan dit alleen voortspruiten öf uit kwaadwilligheid öf uit een gebrek aan geestelijke soepelheid en onvermogen om zich op nieuwe verhoudingen in te stellen; öf uit een isolement, waarin men elkander binnen de kring vriendelijk toeknikt, niet wetende, dat er in de wereld buiten de kring de laatste 25 jaar ook nog zo het een en ander is gebeurd.

Opvallend is ook de naam, die dit gezelschap draagt. „Vaderlandse Kring”. De nadruk op het „vaderland” wordt een behoudend en achteruitwijzend gebaar in een tijd van snel groeiende internationale verbindingen, een tijd van Europees denken en leven. Ik hoor echter nog andere klanken in deze woordkeus. Zijn immers niet zij, die tegen het socialisme optrekken, de ware vaderlanders? Zijni de nazaten van Troelstra, die na de eerste wereldoorlog zijn bekende „vergissing” bedreef, niet eindeloos in verdenking te stellen, als het gaat om de „roerende aanhankelijkheid” aan vorstenhuis en vaderland? In de keuze van juist dit woord voor deze groep klinkt de aanmatiging door van hen, die menen, dat uitsluitend de conservatief denkenden in ons land het recht hebben op de naam „goede vaderlander”, een aanmatiging, die door de houding van de vooruitstrevende groepen in ons land ten opzichte van de ontvoogding van Indonesië nog versterkt werd. Dat er in socialistische kringen zoiets is geweest als een strijd om de nationale gedachte, ontgaat hun dan. In deze conservatieve groepen werkt bovendien nog, meestal onbewust, maar daarom niet minder werkelijk, de opvatting na, dat het toch eigenlijk de hogere belastingbetalers, de maatschappelijke bovenlaag is, die verantwoordelijk is voor wat er in het vaderland dient te geschieden en die dan ook het recht heeft om de gang van zaken te bestemmen en de sleutelposities te bezetten.

Anti-democratisch? Ongetwijfeld! Dat bewijst ook de keuze van het woord „kring”. Eigenlijk zou men toch wel van de invloed der massa af willen zijn. Eigenlijk vindt men het toch wel een dwaasheid, dat de eerste de beste onontwikkelde arbeider evenveel macht kan uitoefenen door middel van zijn stembiljet als de aandeelhouder, de intellectueel of de officier. Eigenlijk zou de beslissingsbevoegdheid van het lastige parlement moeten overgedragen worden aan een kleine selecte kring van regenten. Dat zou ons een eind terug zetten. In elk geval terug achter Honger, die reeds voor de oorlog het selecterend vermogen van de democratie verdedigde. Maar ook terug achter het algemeen kiesrecht, ja achter de Franse revolutie. Waarmee ik maar zeggen wil, dat na de vernietiging van het Nationaal Socialisme in Nederland een niet gering aantal neo-fascisten rondkruipt, die zo nu en dan opduiken, zowel in de legerleiding alsook onder de ondernemers, zowel in de Protestantse Unie alsook in de Vaderlandse Kring. Waakzaamheid blijft geboden tegen al diegenen, die geen ogenblik zouden aarzelen, steun te geven aan een of andere dictator, mits meneer maar kans zou zien om op een fatsoenlijke wijze (dat is: zonder concentratiekampen) de vakbeweging en het parlement de nek om te draaien. De vraag blijft dan ten slotte: wat bedoelden wij ini de oorlog toch eigenlijk, toen we het allemaal hadden over „goede vaderlanders”?

H. J. DE WIJS

(Vervolg van pag. 5)

zou de spanningen nog intensiever gemaakt hebben.

De kern der moeilijkheden ligt in de geringe geneigdheid der politieke minderheden om zich als zodanig te gedragen. Men erkent niet het recht van de meerderheid, zo goed als de meerderheid de oppositionele minderheid niet aan haar trekken wil laten komen. Dit is een wisselwerking, die moeilijk tot staan kan worden gebracht. De groepen voelen zich door elkander bedreigd en bedreigen elkander. Dat geeft avonturiers alle kans. Ook communistische, die vaak zonder opzettelijkheid hun door Rusland uitgestippelde taak volbrengen.

Bovendien doet zich de reële vraag voor, of, zoals in Birma, de regeringspartij de meerderheid wel vertegenwoordigt. Er zijn nooit goede verkiezingen gehouden. Bovendien is het politieke beeld te verward om de kiezer een verantwoorde keuze mogelijk te maken. De poging van de Birmaanse regering om door middel van algemene verkiezingen enige orde op zaken te stellen, is dan ook op laatstgenoemde grond gedoemd tot een twijfelachtig resultaat. Dit resultaat wordt nog meer beïnvloed door de duur der verkiezingen, die ten gevolge van de binnen-

landse wanorde ongeveer een half jaar bedragen zal. Er kan dan al weer veel veranderd zijn.

Niettemin zijn deze verkiezingen een moedige poging om uit de huidige impasse te komen. Ook een half resultaat betekent iets. Langzamerhand zou de weg naar rustiger politieke banen geëffend kunnen worden.

Het is echter zeer de vraag, of de communisten zich zullen neerleggen bij een voortzetting van hun oppositionele positie. Hun verzetsgroepen zijn het best georganiseerd. Hun leider werft vrijwilligers in China op het ogenblik. Als China hulp geeft, zal Birma zonder veel moeite in communistische handen kunnen vallen. Met Chinese hulp, waartegen het nationale gevoel zich niet zo sterk verzet, zouden de communisten een voldoende sterk machtsapparaat kunnen opbouwen om de befaamde rust en orde te herstellen. Het is stellig erg verleidelijk voor hen!

En voor China zelf, dat aldus aan de grens van het eveneens woelige India zou komen, en Oostelijk Siam geheel zou kunnen omvatten. Verleidelijk voor Rusland, dat aldus in het hart van Zuidoost-Azië zou kunnen doordringen.

H. VAN VEEN