is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 38, 23-06-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NEE DOMINEE, ZO NIET!

De doorhraak in discussie

in het artikel, dat wij naar aanleiding van de Eén-Mei-viering van dit jaar in Tijd en Taak schreven, zochten wij naar de oorzaken van de crisis, waarin het socialisme van West-Europa verkeert. De verburgelijking, waarin velen de verklaring van deze crisis zoeken, moge van grote betekenis zijn, zij is zeker niet de eigenlijke en wezenlijke oorzaak. De wezenlijke oorzaak is naar onze overtuiging, dat het socialisme zijn oude geloof, het Marxisme, verloren heeft, maar het werkelijk bij het socialisme behorende geloof, het geloof in God en zijn Rijk, nog niet gevonden heeft. En onze conclusie luidde: „Eén Mei zal heel dicht in de buurt van Hemeivaartsdag moeten liggen, zal hij voor onze socialistische beweging inderdaad een bron van inspiratie wezen.” Nadat de redactie van „Trouw” ons artikel ten onrechte tot een pleidooi voor christelijke politiek had geproclameerd, komt „De Nieuwe Koers” bij monde van Jan de Leede in een artikel „Nee, dominee, zoniet” onomwonden verklaren, dat wij met een dergeiijke voorstelling van zaken de doorbraak in gevaar brengen.

Daar wij in Het Vrije Volk en Tijd en Taak de doorbraak voortdurend verdedigd e.n gepropageerd hebben en bij het schrijven van ons Eén-Mei-artikel allerminst van plan waren, een mijn onder de doorbraak te leggen, is het voor ons zeker de moeite waard naar Jan de Leede te luisteren en onszelf af te vragen, of hij gelijk heeft en wij zonder het ons zelf bewust te zijn achter de doorbraak een vraagteken hebben gezet. Volgens Jan de Leede gaat de doorbraak er van uit, dat er binnen ons volk verschillende geestelijke stromingen zijn. Zij accepteert dat ook volkomen. De geestelijke verscheidenheid van ons volk valt heel nadrukkelijk buiten de kritiek van de socialist als socialist. En als één van die geestelijke stromingen zich aan komt dienen als de enige ware bron voor het socialisme, dan wordt de basis van samenwerking op politiek terrein daarmede ondermijnd. Voor een humanist zou het niet moeilijk zijn een betoog te leveren, dat het humanisme de enige ware basis is voor het socialisme. Als we die weg opgaan, zitten we weer midden in het politieke moeras van vóór 1940, w'aarvan de Partij van de Arbeid met de doorbraak na de bevrijding een helaas nog maar heel klein stukje heeft drooggelegd. Het artikel van Jan de Leede eindigt met deze woorden: „Daarom zeggen wij op het betoog van ds Buskes: „nee, dominee, zo niet!”

Daar Jan de Leede en wij beiden voorstanders van de doorbraak zijn, kunnen wij zijn reactie .alleen verklaren uit een verkeerd verstaan van wat wij in ons Eén Meiartikel bedoelden te zeggen of uit een verschil van opvatting tussen hem en ons over de doorbraak. Er is ook nog een derde mogelijkheid, deze, dat wij inderdaad verschillen in onze beschouwingen over de doorbraak en dat dit verschil tot gevolg heeft, dat wij elkander niet helemaai verstaan. Naar onze overtuiging is het laatste het geval.

Zij, die voorstanders van de doorbraak zijn gaan er inderdaad van uit, dat er binnen ons volk verschillende geestelijke stromingen zijn en accepteren dat ook volkomen. Dit accepteren draagt voor ons echter geen principieel, maar een feitelijk karakter. Wij accepteren als een feitelijkheid, dat er in

Nederland en in de Partij van de Arbeid Marxisten zijn. Dit kan voor ons echter nooit betekenen, dat wij het Marxisme principieel accepteren. Wij kunnen het verschil tussen de Marxistische levens- en wereldbeschouwing en het christelijke geloof onmogelijk relativeren. Daarom vragen wij ons af, wat Jan de Leede bedoelt, dat de geestelijke verscheidenheid van ons volk heel nadrukkelijk valt buiten de kritiek van de socialist als socialist. Wanneer hij bedoelt, dat wij ’t als een feitelijkheid aanvaarden, dat er in Nederland Marxisten en christenen zijn en dat de Marxisten en chistenen, die voor het socialisme kiezen, in de Partij van de Arbeid samenwerken, zeggen wij van heler harte accoord, maar dat een christen, die socialist is, als socialist geen kritiek op het Marxisme zou mogen oefenen, kunnen wij onmogelijk accepteren. Wij ontkennen de betekenis van het Marxisme allerminst, wij menen zelfs, dat het democratisch socialisme van onze tijd

deze betekenis al te weinig tot haar recht laat komen, maar als socialist, die christen is, meen ik, dat het Marxisme als levensen wereldbeschouwing niet bij het socialisme past en in bepaalde opzichten een belemmering voor wezenlijk socialisme is. Is dit een ondermijning van de doorbraak? Indien Jan de Leede deze vraag bevestigend beantwoordt, verschillen hij en ik inderdaad in onze beschouwingen over de doorbraak. Dan betekent de doorbraak, dat ik als socialist over de verschillen in levens- en wereldbeschouwing moet zwijgen, dat ik als socialist, die christen ben, geen enkel woord van kritiek op het Marxisme mag spreken. Maar dan zitten wij volop in het moeras van voor 1940, toen men in socialistische kring de godsdienst als privaatzaak beschouwde: in de beweging moest de christen over zijn geloof zwijgen, dat geloof was een particuliere aangelegenheid, die met het socialisme en de socialistische beweging niets te maken had.

De doorbraak betekent voor mij, dat ik in de Partij van de Arbeid met socialisten van zeer verschillende levens- en wereldbeschouwingen samenwerk, maar niet, dat het mij onverschillig moet laten welke levens- en wereldbeschouwing een socialist er op na houdt en ook niet, dat voor mij binnen de Partij de verschillen in levens-

HET PASTORAAT EN DE SANCTA

Dezer dagen belde ik ergens in mijn wijk bij mensen aan, die in mijn kaartregister, althans gedeeltelijk, als Hervormd bekend stonden. Moeder de vrouw maakte mij al bij de deur duidelijk, dat haar man, die „van huis uit” tot de kerk „op de Grote Markt” had behoord, mee over was gegaan naar de Rooms-Katholieke Kerk. Zij voegde er een beetje smalend aan toe: „Tot welke kerk behoort u’ eigenlijk, want je hebt er daar zo’n heel zwikkie bij elkaar”. Er klonk in die woorden iets van minachting en leedvermaak. En onlangs schreef een jonge dame uit de „intelligentsia”, die bij mij belijdenis had gedaan: „Ik ben nu overgegaan tot de Una Sancta”.

Wanneer men als pastor zulke dingen ervaart, dan is er een brok protest tegen deze trotse minachting, maar er is niet minder een gevoel van onbehagen en verlegenheid met onze verdeeldheid. De R.K. kerk mag dan al wat Protestant heet onder de normen brengen van sectarisch ketterdom en daar is iets zeer smartelijks in voor hen, die naar de echte una sancta grijpen en er gelovig uit leven; er blijft toch tegen alle onbillijke bejegening in ruimschoots plaats voor Protestants zelfverwijt over zoveel uiterlijke en soms belachelijke verdeeldheid, over dat wonderlijk naast elkaar van persoonlijk geloof, dat de kracht is van de reformatie en individuele willekeur, waarin haar zwakheid zich zo hinderlijk demonstreert. En altijd weer klemt de vraag: wat vormt ons tot een eenheid, tot gemeente, tot kerk? Is er een collectieve binding, waaraan allerlei individuele neigingen toch ondergeschikt zijn? Is ’t dan niet mogelijk om de belijdenis, dat Jezus de Heer is, tot een samenbindende macht te maken in woord en wandel, gemeentelijk, kerkelijk, oecumenisch? Die vraag schreeuwt om een antwoord en dit duidelijk demonstreerbare antwoord is van beslissende betekenis in deze tijd van geestelijke verwarring, kerkelijke devaluatie en toennemende saecularisatie. Waarlijk, die kerkelijke atomisering en sectarische verbrokkeling onder Protestanten moeten wel wat potsierlijk aandoen, zowel onder rooms-katholieken als voor hen, die van de kerk vervreemd zijn.

Wanneer Protestanten (ook ai weer zo’n negatief verzamelwoord, wat het niet behoéft te zijn, omdat pro-testare juist positief getuigen beduidt) ais sectarisch-ketterdom op een hoop geveegd worden ais lieden, die toch eigenlijk buiten De Kerk staan als heilbrengend instituut, dan zou ik toch dadelijk een scherp onderscheid tussen sectariërs en ketters willen maken. Beiden staan critisch tegenover de kerk, maar de eersten vormen al gauw groepjes buiten de lijn, de tweeden spelen meestal zo lang mee totdat zij gedwongen worden het veld te verlaten. Beiden leggen vaak een verrassende, maar ook een eenzijdige nadruk op een door de kerk verwaarloosd waarheidselement in geloof en leven, maar de ketter is daarbij dikwerf de eenzame, die toch zo lang mogelijk aan de kerk vasthoudt, terwijl de sectariër er haast een sport van maakt nieuwe groepsverbanden te zoeken en te stichten; en hij doet het zonder pijn en zonder oecumenisch heimwee. De ketter is het bovenal om de waarheid te doen en deinst daarbij voor vervolging en druk niet terug. De sectariër, die dikwerf in zijn kerk niet tot zijn recht kwam öf als waarlijk zoekende ziel, óf omdat hij opgemerkt wilde worden, zoekt dan een toevluchtsoord in het kringetje, waar dan de lievigheid het soms toch weer wint van de Liefde. M.a.w.: bij de ketter overweegt het persoonlijke, bij de sectariër het individuele. Als ik niets meer van de ketter in mij had, dan voelde ik mij gelijkgeschakeld met kerkelijke middelmatigheid. Zonder de zegen van de ketterij werd het met de kerk een steriel geval. De ketterij kan een stuk opbouwende critiek bevatten. De sectariër, die er een zeker behagen in heeft om het verband met het geheel los te laten, doet niet zelden aan afbrekende critiek. Voor menige ketter heb ik eerbied, dankbare bewondering, hij vormt een onmisbaar levenselement in de geestelijk-kerlijke samenleving. De sectariër is vaakt de lastpost zonder meer en in zijn uitgesproken afkeer van de kerk nog wel eens ongemanierd op de koop toe.

In onze pastorale ontmoetingen hebben wij met de ketter vaak vruchtbare gesprekken.