is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 39, 30-06-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BENTVELD NIEUWS

Verslag conferentie over: „De geestelijke achtergrond van het maatschappelijk werk” (9-10 Juni)

Het was goed met een groep maatschappelijke werksters en mensen, die belangstelling hebben voor deze arbeid samen te zijn. In een sfeer van begrip en waardering werd over de problemen en mogelijkheden van dit werk nagedacht. Het valt mij iedere keer weer op hoe het zwaartepunt van de weekends te Bentveld niet ligt op de inleidingen, maar op de discussies. Veel aandacht en tijd wordt geschonken aan de onderlinge gedachtenwisseling, waarbij de stof van de inleider als leidraad dient. Ik geloof dat dit met opzet gebeurt en dat het goed is. Hierdoor nemen de aanwezigen actief deel aan de onderwerpen en worden gedwongen zelf door te denken en te formuleren. We hebben genoten van de inleidingen; ze zettgn ons aan het werk. Behalve de vele denkbeelden, die ons denken activeerden, de spontane hartelijkheid, de vrolijk en oprechte ernst, een verfrissing.

Het is ondoenlijk uitgebreid weer te geven wat in deze IK dag allemaal besproken is. In grote trekken zal ik de onderwerpen, die de inleiders behandelden en de discussie die daarvan het gevolg was, trachten weer te geven.

Als eerste spreker mochten we mr dr J. F. de Jongh horen met het onderwerp: Waarom maatschappelijk werk. Hij schetste het grote verschil in opvatting over de wijze waarop het M.W. nu uitgevoerd, althans uitgevoerd behoort te worden en de verouderde opvatting in de vorm van filantropie. Hij deed dit aan de hand van een citaat uit het gedenkboek van de Community Service Society, uitgegeven in het jaar 1948.

„Een eindeloze stroom van verbijsterde, angstige mensen heeft binnen haar deuren een wijkplaats en reservoir van nieuwe moed gevonden.” Hierin ligt al het verschil van opvatting besloten. Er werd niet geschreven over „arme” mensen. Het gaat er niet meer om steun te verlenen maar om de mens te helpen tot erkeiming te komen van de realiteit en daarna om zijn zoekgeraakt evenwicht te helpen terugvinden. Modern maatschappelijk werk wil compenserend werken. De maatschappelijke werker zal in' veel gevallen bemiddelend moeten optreden om die beangste, verbijsterde mens weer wegwijs te maken in de gecompliceerde hedendaagse maatschappij. Pas wanneer die mens in nood zijn houding tegenover en in de maatschappij gevonden heeft zal hij in rust en evenwicht komen.

De ochtendwijding, opgeluisterd door pianospel van dr V. Biemen, waarbij dr Wansink het wijdingswoord uitsprak, bracht ons een moment in aanraking met de stilte. Daarna kwam de heer Ph. H. v. Praag aan het woord met het onderwerp: Gedachten van een humanist over de achtergrond van het maatschappelijk werk. Voordat de spreker tot zijn onderwerp kon overgaan moest hy de mens met zijn humanistische levensbeschouwing belichten. Spreker ging er van uit, dat de mens niet los gedacht kon worden van alles om hem heen o.a. van het goede en schone. Dat hij daarin staat als een scheppend wezen, een geestelijke eenheid. Zijn relatie met de gemeenschap bepaalt het verloop van de strijd om zijn ik te realiseren. Spreker ging wat uitvoeriger in op de verhouding van het ik en het self. Een van de hulpmiddelen, die de maatschappelijke werker ten dienste staat om de mens in nood te kunnen helpen is de menselijke ontmoeting. Wat de maatschappelijke werker zelf is, zijn levensinstelling, zijn geloof, is van beslissende betekenis in de verhouding maatschappelijk werker—cliënt. Een grote mate van invoelingsvermogen is nodig om zijn cliënt te helpen zijn keuze te doen.

Als gevolg hiervan zag Van Praag het als noodzakelijk dat maatschappelijk werker en cliënt een gelijk gerichte levens- en wereldbeschouwing bezitten. Daarom heeft de M.W. op humanistische grondslag in Nederland een taak. Bij de beantwoording van de vragen en opmerkingen over dit punt gesteld, wees spreker er op, dat hij er niet voor was de schotjesgeest in Nederland te versterken, maar dat het humanistisch verbond gedwongen was dit werk op eigen grondslag te verrichten. Anders zou het door andere stromingen overspeeld worden.

Als 2e inleider op de Zondag sprak dr A. v. Biemen over christelijke achtergrond. Spreker wilde zich zeer voorzichtig uitdrukken en niet doen voorkomen alsof hij de christelijke achtergrond zou interpreteren. In aansluiting op de referaten van De Jongh en Van Praag ging v. Biemen in op de oorzaken van de verbijstering en angst. In de eerste plaats zijn er de sociale factoren, daarnaast en niet minder belangrijk geestelijke, zedelijke en persoonlijke factoren. Een mens bewijst geen innerlijk houvast te hebben wanneer hij geen houding in en tegenover het leven kan vinden. Waar dus de oorzaken van verbijstering en angst niet alleen in de sociale factoren gevonden kunnen worden, grenst hier ergens het maatschappelijk werk aan de „zielzorg”, ofschoon dit woord slecht uitdrukt wat gedaan moet worden nl. zorg voor de gehele

mens. Zakelijk-menselijke solidariteit is belangrijker in het genezingsproces dan sentimentele bemoeizucht, dat dikwijls verkapt egoïsme is. Om de mens tot zijn innerlijk evenwicht te helpen brengen moet men zakelijk methodiek toepassen.

Wat de mens tot charitas beweegt moet niet zijn zijn medegevoel tot de individuele mens, maar de nood der wereld, waar deze mens een deel van is. Dit sluit te grote bewogenheid met het persoonlijk lot uit. Maatschappelijk werk eist wetenschappelijke aanpak, bezonnen methodiek, grote kennis en inzicht en dit alles gedragen door een levende persoonlijke inzet, die weet heeft van een eigen geestelijk hou-vast.

Na de maaltijd bespraken we in groepen de opmerkingen en vragen, die door de inleiders waren losgewoeld. Na de thee werden ze aan de sprekers voorgelegd. Uit de discussie bleek, dat er grote belangstelling bestond voor de geestelijke nood van de aan de maatschappelijk werker toevertrouwde mens. Hieruit bleek, dat de grenzen van maatschappelijk werk en zorg voor het geestelijk heil nogal eens in elkaar overlopen. Met nadruk werd er op gewezen, dat de taak van de maatschappelijke werker in de eerste plaats is maatschappelijk werk te verrichten, dus om de sociale omstandigheden te verbeteren en maatschappelijke mogelijkheden te bewerken. Men kon zich echter wel indenken dat bij langer persoonlijk contact het soms onvermijdelijk is, dat een werker uit eigen geloofsrijkdom meedeelt aan wie dat nodig mocht hebben. Dr v. Biemen zag als goede oplossing het teamwerk waarbij psychiater, paedagoog, maatschappelijk werker en geestelijk leider, in nauwe samenwerking de beste methode kunnen vinden.

Het is mij een genoegen als wijkverpleegster-huisbezoekster, die ten nauwste betrokken is met het maatschappelijk werk, het echter niet als geheel beroep zelf uitoefent, dit verslag te mogen opstellen. r. R

LEESTAFEL NIEUWS

J. Gebser: Kentering van het Westelijke wereldbeeld. Toegelicht aan de moderne physica, biologie en psychologie. Ingeleid door dr H. de Groot. Vertaald door Helena C. Pos. Uitgave H. Meulenhoff, A’dam, z.j. (1951). 207 blz. ƒ8,75.

De specialisten in de verschillende wetenschappen werken door en ze zijn in hun vak zo ver gevorderd, dat de resultaten slechts door vakgenoten gewaardeerd kunnen worden. Meestal zijn ze zelf ook niet in staat om verder te zien, dan hun eigen gespecialiseerde wetenschap. Daarmee ligt de Westerse wetenschap verbrokkeld uiteen. Het vraagstuk van dat boek is een poging tot synthese. Voor de ontwikkelde leek zet de schrijver uiteen, dat de leidende ideeën zijn van de moderne physica, van de biologie en de psychologie. Het werd een boeiend boek. De schrijver is een enthousiast man, die op vaak meeslepende wijze de moeilijke stof doorzichtig maakt en zich niet tevreden stelt de lezer een of ander verbluffend nieuwtje mee te delen, maar hem echt vertrouwd poogt te maken met de problematiek der moderne wetenschappen.

Schitterend toont hij aan, dat geheel het wetenschappelijk denken der XX-e eeuw op alle gebieden in een zelfde richting convergeert: een nieuw wereldbeeld breekt door, dat niet materialistisch, niet rationalistisch is. Ik kan de schrijver niet verwijten, dat zijn boek nu en dan wat vaag en verward aandoet, veeleer is het een wonder, dat vele hoofdstukken, waarin hij beknopt samenvat waartoe de grote geleerden op hun onderscheidene gebieden gekomen zijn, zo helder zijn. Weldadig doet ook aan de mentaliteit van dit boek, dat niet een beroep doet op onze nieuwsgierigheid om sterke staaltjes te horen, maar dat aandringt op persoonlijk verwerken van deze nieuwe visie, vanuit het besef, dat we een grootse tijd beleven, waarin een nieuw wereldbeeld opdoemt. Wat me soms wel prikkelde, was de voorbarige conclusie: wij hebben aan de physica te danken de opheffing van de tegenstelling stof—geest” (blz. 161). Zo’n regeltje is mij veel te kras en steunt overigens niet op het voorgaand betoog. 'Voorzichtiger zou zijn, dat de voornoemde tegenstelling in een ander licht is gekomen, dat ze is gerelativeerd, of iets dergelijks. Er komen meer van dergelijke, onvoorzichtige beweringen in voor. Als ik dus dit boek van harte aanbeveel, als lezenswaardig in de hoogste zin, dan past er m.i. de waarschuwing bij, dat men het critisch moet lezen.

Raymond Brulez; Het huis te Borgen. Uitgave J. M. Meulenhoff, A’dam. 157 blz. ƒ

Geen roman, maar een bundel geromantiseerde jeugdherinneringen. Dit boek is het zoveelste bewijs, hoezeer de Zuidnederlandse schrijvers onze landgenoten vóór zijn in de vertelkunst. Het bezit die geheimzinnige charme, eigen aan een goed verhaal, die bij ons in de regel slechts bereikt wordt door populaire auteurs als Piet Bakker en Jan de Hartog, terwijl het tegelijkertijd de distinctie

heeft van het echte litteraire kunstwerk.

Daar en boven bezit het boek nog een andere aantrekkelijkheid, het is erudiet in de gunstige zin van het woord. Het is luchtig in de psychologische benadering van de personen, in de aanduiding van landschap, milieu en conversatie. Het mist de vermoeiende aandacht voor de mooi-schrijverij, terwijl het doorlopend goed geschreven is. En toch werd het geen groot werk, en blijft mijn persoonlijke waardering meer redelijk dan hartelijk. Wat ons in talloze Vlaamse romans als van Walschap, Gijsen en nu weer Brulez vermoeit, in dit opzettelijk protest tegen de Vlaamse maatschappij met haar morele bekrompenheid. Het is net alsof de schrijvers niet helemaal loskomen van een milieu, waaraan ze beweren, ontstegen te zijn. Er is nog een andere grief; dit boek mist deernis: nagenoeg alle figuren die er in voorkomen, en die de ikfiguur vaak zeer nastaan, worden vanuit de hoogte waargenomen met een sterk ontwikkeld, meestal ironisch-gekleurd, superioriteitsgevoel. Kortom, en ondanks alles, een fraai boek (voor niet al te jeugdige lezers!). J. G. B.

Sticusa-Jaarboek 1950. Meulenhoff. 155 blz. Onder redactie van prof. dr G. H. v. d. Kolff.

Dit boek werd uitgegeven in van de Stichting voor Culturele samenwerking tussen Nederland, Indonsië, Suriname en de Nederlandse Antillen, bestemd om aan hen, die eindexamen deden, ten geschenke te geven.

Een voortreffelijke gedachte en een voortreffelijk boek. Het gaat uit van de situatie – nü, zonder over het verleden te polemiseren. „Wij aanvaarden voluit het nieuwe, zegt prof. Logemann in het woord vooraf. Nuchter en wann wordt dan o.a. geschreven over de geschiedenis van de Republiek na 1943, over het Bahasa Indonesia, over de Indonesische vrouw (uitzonderUjk ihteressanti), de botsing tussen Oost en West, zending en missie, en de economische problemen.

De West vraagt slechts 25 blz.

Wij hopen zéér, dat het boek bij de eindexaminandi in goede aarde is gevallen. Het zou een gunstig teken zijn, wanneer ze niet alleen genoten van de stof, maar ook 'beseften welk een streven hierachter staat.

Georges Duhamel „Twee mannen”, vert. J. A. Sè,ndfort. Arbeiderspers 1950. 240 blz. ƒ4,90. In ARBOserie- ƒ 2,45.

Ee geschiedenis van Eduard en Salavin, twee mannen, die vrienden werden om toch weer uiteen te gaan. Salavin is de sombere, egocentrische, griUige man, die het slecht gaat in het leven, want dat is zijn lot en daarom moet hij ook zijn vriend gaan haten; Eduard is eenvoudig, begrensd, menselijkgoed en wil de hand aan Salavin toesteken, steeds weer. Totdat het niet meer gaat.

Het is de geschiedenis van de gemoedsbewegingen van twee mannen en op de aëhtergrond leeft hoorbaar het doorzichtige Parijs, waar een mens zo eenzaam kMi zijn. Niets is spectaculair of pikant in dit boek. Maar alles is helder, voornaam, innig.

Dat de Arbeiderspers dit boek in de AEIBO-serie opnam is er een bewijs voor, dat de vorming in cultureel opzicht in de socialistische beweging zich niet met minder dan het allerbeste behoeft tevreden te stellen. L. H. R.

Verbetering. In de titel van het artikel van M. v. d. V. sloop een storende drukfout; men leze: Het pastoraat en de secte. (T. en T. 23 VI blz. 3.)

M.V. DE AftBEiOER«PER9 A'BAM

KORTEI^EMMEN-NIEUWS

Cursus: Waar staan wij (23—25 Juli.) Programma :

Maandag: Aankomst der deelnemers tussen 15.30 en 17.00 uur. Opening 17.30 uur. Broodmaaltijd 18.15 uur. „Het economisch aspect”, door drs D. Roemers, 20.00 uur.

Dinsdag: Ontbijt 8.15 uur. Ochtendwijding 9.15 uur. „Het cultureel aspect, door N. Stufkens, 10.00 uur. Warme maaltijd 12.30 uur. ’s Middags gelegenheid tot wandelen, fietsen of i.d. Broodmaaltijd 18.00 uur. „Het sociaal aspect”, door J. G. Suurhoff, 20.00 uur. Woensdag: Ontbijt 8.15 uur. Ochtendwijding 9.15 uur. „Het politiek aspect”, door ir S. A. Posthumus, 10.00 uur. Warme maaltijd 12.30 uur. Samenvatting en sluiting 14.00 uur.

Leiding: Mr en mevrouw J. A. de Jong—Gerling. Zakelijke gegevens: Het Woodbrookershuis te Kortehemmen ligt een half uurtje lopen van Beetsterzwaag. Beetsterzwaag is per N.T.M.-bus te bereiken vanuit Heerenveen (in aansluiting op de trein), Groningen, Leeuwarden. Kosten: naar keuze ƒ8,— of ƒ9,— per pei'soon; echtparen ƒ 15, of ƒ 16,50.

Aanmeldingen bij de administratie van de A.G. der Woodbrookers Kortehemmen, post Boombergum. Na opgave volgen t.z.t. nadere mededelingen.