is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 41, 14-07-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Vervolg van pag. 3)

producten die voor de grondstoffenleveranciers aantrekkelijk zijn.

Om hiermede succes te hebben, moet men een grondige kennis bezitten van de behoeften in die landen, die ten nauwste verband houden met factoren als bodemgesteldheid, geografische ligging en voorts als ontwikkeling en bekwaamheid van het betreffende volk. Gemakkelijk is dat allerminst. Wat het Westen betreft: dit is zelf al dermate verzadigd met eigen industrieproducten, dat de handel tussen de Westerse landen onderling hierdoor in hoge mate wordt belemmerd. Anderzijds wordt ook de vrije handel met andere werelddelen voortdurend moeilijker.

Deze gang van zaken is reeds lang vooraf te voorspellen geweest. Hij is immers het regelrechte gevolg van de industriële revolutie! Een ongebreidelde, liberale economie moest wel leiden tot het opbloeien van allerlei uiteenlopende industrieën in de verschillende landen. En hoewel de aard van deze industrieën natuurlijk wel beïnvloed werd door natuurlijke geaardheid en bodemgesteldheid van het betreffende land en volk, vindt men toch in grote lijnen overal hetzelfde industriële patroon terug. Waar de binnenlandse markt al spoedig verzadigd raakte met nationale producten, moest men wel zijn toevlucht zoeken tot export. En daarbij stootte men al spoedig het hoofd tegen gesloten grenzen. Want wat zich in het eigen land afspeelde, kon natuurlijk ook elders niet achterwege blijven: ook daar waren de markten met binnenlandse producten overvoerd en moest de import worden stopgezet ten einde de eigen industrieën te beschermen. In de practijk kwam er van de liberale economie dus al bitter weinig terecht.

Nu hebben ook de geïndustrialiseerde landen nog heel wat fabrikaten nodig uit het buitenland, maar die wil men gewoonlijk alleen maar betrekken, indien daar tegenover staat dat het land, dat deze fabrikaten levert, voor een gelijkwaardig bedrag aan goederen afneemt. Dit soort handel komt dus neer op het uitwisselen van goederenpakketten.

Wanneer echter steeds meer landen hun industrieën gaan uitbreiden en daardoor in eigen behoeften gaan voorzien, dan kan het niet uitblijven dat men elkander op den duur niet meer voldoende met goederen zal kunnen betalen. Zelfs de meest vernuftige betalingstechniek zal dan niet meer bij machte zijn, de handel te verruimen. Slechts een beter mechanisme voor distributie en consumptie, dat in staat zal zijn meer adequaat de behoeften te dekken, zal de basis kunnen leggen voor een ruimere handel tussen de geïndustrialiseerde landen. E. H. F. VAN DER LELY

De kopersstaking

Na jaren van verkopersstaking is de omkeer dan blijkbaar gekomen. Tot dusverre mocht de koper blij zijn, als het schaarse goed tegen een ver boven zijn kracht gaande prijs in zijn bezit kwam. Er was waren„honger” bij de consumenten, omdat de oorlog hem niet ongemerkt gepasseerd was. De meesten van ons gingen de be vrij ding in, bedekt met lompen en met een lichaam, dat tientallen in kilogrammen verloren had. Wilde men weer in vooroorlogse situatie geraken, dan moest men kopen. Een maar met matig succes werkende prijsbeheersing heeft er voor gezorgd, dat wij niet al te zeer het slachtoffer werden van de schaarste aan goederen.

Ruim een jaar geleden, tegen de zomer van 1950, zag het er naar uit, dat een andere tijd ging komen, nl. een tijd met wat minder schaarste. Er zou een eind komen aan de verkopersstaking en dus aan de prijsstijging. Ja, er zat zelfs duidelijke prijsdaling in de lucht; het Koreaanse conflict verstoorde deze gang van zaken: de wereldgrondstoffenprijzen gingen sterk omhoog.

En al beijvert men zich thans om vooral te bewijzen, dat de grondstofprijs niet zulk een grote invloed heeft op de uiteindelijke prijs, een ieder heeft in het afgelopen jaar gemerkt, dat dit blijkbaar niet mocht hinderen om de prijzen toch maar te verhogen. Door hen, die hoger-wordende prijzen nog niet zo gek vinden (20% winst op ƒ 1,— is minder dan 20% op ƒ 1,50!), werd prijsbeheersing als een ongepaste overheids-inmenging afgewezen. Meer vrijheid, was de leuze van het bedrijfsleven. Vrijheid om grotere winsten te maken! En helaas, het proces der liberalisatie schreed in ons land voort. De prijsbeheersing was een mop met een baard geworden. Gevolg was, dat de lonen naar boven moesten, hetgeen weer nieuwe prijsstijgingen bracht, al beweerde men vaak de loonstijging in de kostprijs niet op te nemen. Alles werd gegooid op de sterk gestegen grondstoffenprijzen, die naar achteraf door dezelfde lieden wordt beweerd meestal slechts' 10—-20% van de koopprijs uitmaken! Wonderlijke gang van zaken, die de stemming

Vennenkamp „Morgenrood”

„Die spruit van mij gaat een week naar het Vennenkamp „Morgenrood”, zeggen deze zomer de ouders van vijftig kinderen uit Amsterdam en de provincie Noord-Holland. „Kost me geen cent. ’n Cadeautje van de Centrale”.

Wij hebben het in dit blad al eens eerder over die „Centrale” gehad. Het is de Centrale Arbeiders Verzekerings- en Depositobank. Tussen 1920 en 1940 schonk deze verzekeringsmaatschappij twee millioen gulden aan doelen, die een belangrijke economische of culturele versterking van de arbeidersbeweging betekenden.

Daarnaast verstrekte zij nog ruim anderhalf millioen in de vorm van en andere leningen voor dit doel. De winst van de Centrale komt de arbeiders ten goede.

Voor het eerst na de bezetting heeft „de Centrale” dit jaar weer een deel van haar winst voor de Arbeidersbeweging kunnen bestemmen. Ook het uitstapje van de Amsterdamse kinderen is er een klein voorbeeld van. 'We vinden het wel de moeite waard deze geste van deze, voor de arbeiders zo belangrijke, instelling te vermelden.

De Hoop

(Fragment)

(...zegt God:)

„ Ik schitter zo geweldig in mijn schepping.

In de zon en in de maan en in de sterren. En in de mens.

Mijn schepsel.

En vooral in de kinderen. Mijn schepselen.

In de blik en in de stem van de kinderen...’'

(HIJ HAALT DE SCHOUDERS OP; HET IS ZO DUIDELIJK) „Ik schitter zo geweldig in mijn schepping.

Dat om mij niet te zien de stakkerds werkelijk wel blind moesten zijn.

De liefde zegt God dat verwondert me niet.

Die arme schepsels zijn zo ongelukkig. Hoe zouden ze, tenzij ze een hart van steen hebben, elkander geen liefde toedragen?

Hoe zouden ze niet het brood uit hun mond nemen, het goede, dagelijkse brood, om het te geven aan de ongelukkige kinderen, die voorbijkomen.

En dan, mijn Zoon heeft hun zo’n grote liefde betoond. Mijn Zoon, hun Broeder.

Zo’n grote liefde.

Maar de hoop zegt God kijk, dat verwondert me. Ja, dat verwondert mij.

Dat die arme kinderen zien hoe alles gaat en dan toch geloven, dat het morgen beter gaat.

Dat ze zien hoe het vandaag gaat, en dat ze toch geloven, dat het morgenochtend beter zal zijn.

Dat is verbazend en het is wel het grootste wonder van onze genade En ik ben er zelf verbaasd over ”

(Vrij naar Charles Pégvy: „Le porche du mystère de

la deuxième vertu”. 1912)