is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 49, 1951, no 49, 15-09-1951

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HUMOR IN SOORTEN

Frankrijk

ONWEZENLIJK EN BOEIEND

In 1949 was Frankrijk voor de Nederlandse toerist bepaald veel goedkoper dan zijn eigen land. In 1950 lag het prijspeil ongeveer op gelijk niveau. Degene, die dit jaar Zuidwaarts gegaan is, zal tot zijn schrik hebben bemerkt, dat het Franse leven reeds aanmerkelijk duurder is, vooral wat de dagelijkse levensbehoeften betreft. Een ruwe schatting leidt bijvoorbeeid tot de conclusie, dat Parijs circa 25% duurder is dan Nederland. Dat is de situatie van thans. Als de herbewapening op toeren komt met haar invloed op de grondstoffen- en productenmarkt wordt de spanning nog weer groter.

Over het algemeen verkeert de Franse arbeider niet in ellende. Maar zijn plaats aan ’slands spijstafel wordt kleiner en kleiner. Hier en daar komt de armoede reeds om de hoek kijken. In de spiraailoop van lonen en prijzen is hij weer eens achtergeraakt. Door de bijzondere economische omstandigheden als gevolg van de herbewapening dreigt deze achterstand ten minste bevestigd te worden. Hoe zal hij hierop reageren?

Opvallend is de betrekkelijke arbeidsvrede, die Frankrijk momenteel kent. In de laatste maanden vrijwel geen grote stakingen en loonacties. Deze rust kan niet lang meer duren. Een nieuwe stakingsgolf, die zeer waarschijnlijk is, zal de loon- en prijswedloop opnieuw versnellen. Volgend jaar zal Frankrijk voor de Nederlandse bezoeker bepaald duur worden.

Het schijnt, dat de Franse politici dit kernprobleem van het landsbestuur bij voorkeur uit den weg gaan. Geen der partijen heeft een af doende remedie. Eigenlijk is het zo, dat de prijsstijgingen in kamer en regering min of meer als een natuurverschijnsel worden beschouwd. Men kan niet veel meer doen, dan de eigen groep zoveel mogelijk beschermen. Het gevolg is dan ook, dat nu eens de boeren, dan weer de arbeiders of de boeren, vervolgens de kleine spaarders of ook de grote bezitters een brokje toegespeeld krijgen. De verdeling der nationale welvaart vindt op zeer grillige wijze plaats.

Is de situatie op de verbruiksgoederenmarkt dus bepaald zorgelijk, de grote slagen vallen op de markt der kapitaalsgoederen. Eén van de opmerkelijkste verschijnselen in Frankrijk is, dat elke stad Parijs vooraan hetzelfde beeld toont als een halve eeuw geleden. De meeste huizen stammen uit die tijd. Een tweede merkwaardig verschijnsel is, dat Parijs bijv. behalve het palais Chaillot vrijwel geen enkel modem nieuw openbaar bouwwerk kent. Ten derde valt het op, dat bijna nergens nieuwe huizen worden gebouwd. Alleen in de door de oorlog getroffen steden en dorpen ziet men huizen in aanbouw.

Deels is dit laatste verklaarbaar uit de stabiliteit van de bevolking. Er zijn niet, zoals bijv. hier in Nederland, grote aantal-

len nieuwe woningen nodig. Maar dat is slechts een gedeeltelijke verklaring. Regelmatige vernieuwing van het oude vindt ook niet plaats. Dit heeft tot gevolg, dat het huizenbezit reeds ontzaglijk vervallen is. Het goedkopere Franse hotelletje bijv., waarmee de Nederlandse toerist gewoonlijk kennis maakt, is meestal uiterst vervallen. Zo is het met de meeste woonhuizen. Wie de kans heeft gehad, hier en daar eens binnenshuis te kijken, zal dit beamen.

Het Frankrijk van thans is niet meer in staat tot grote nationale ondernemingen. De paleizen en grote bouwwerken horen beslist tot een ver verleden. Het is echter ook niet meer in staat tot de aanleg van iets als bijv. de métro, en het lukt minder en minder om het aanwezige kapitaalsbezit goed te conserveren. Frankrijk teert in. Een de Gaulle noch een Thorez kunnen dit verhelpen. Evenmin een krampachtig grootheidsvertoon naar buiten, zoals met het plan-Schuman en het plan-Pleven (ofschoon dit nu en dan zijn grote practische nut heeft).

Enige vermeerderde bevolkingsdruk zou waarschijnlijk een goede stimulans zijn om de motor der welvaart op gang te brengen. Want welvaart is heel goed mogelijk. Frankrijk is rijk gezegend met aardse gaven, en het industriële productieapparaat kan na enige modernisering zeker volkomen mee bij een grotere inspanning. Een intensivering der activiteit zou bepaald sanerend werken op de Franse economie in al haar geledingen.

Toelating van grote aantallen emigranten uit andere landen zou in dit opzicht kunnen helpen. Helaas staat de gemiddelde Fransman zeer afwijzend tegenover de vreemdeling als toekomstige meedingende landgenoot. De Nederlandse boeren bijv., die zich in Frankrijk gevestigd hebben, ontmoeten zeer veel tegenwerking van de bevolking.

Deze Galliërtrots is nogal grillig. Als men eenmaal geassimileerd is, wordt er geen enkele moeilijkheid meer in den weg gelegd. Men behoeft maar naar de namen te kijken van de vele niet-Gallische ministers om dit te beseffen. Ongeveer één derde der Franse bevolking is nl. van Vlaamse of Elsassische origine. De groei van deze groep is evident. Zonder overdrijving kan worden gezegd, dat deze bevolkingsgroep in menig opzicht de motor is van het Franse leven.

Van al deze problemen bemerkt men in de Franse politiek zeer weinig. Een kabinet kan aan het wankelen gebracht worden door een opgeblazen schoolkwestie, maar valt niet, omdat zijn ministers de kernproblemen niet aandurven. Het Franse leven is tegen de achtergrond van bovengeschetste realiteiten onwezenlijk; en daardoor misschien ook wel weer zo boeiend!

H. VAN VEEN

Men zal het misschien bekrompen vinden maar ik heb „Clochemerle” niet kunnen waarderen. De film vervaardigd naar een roman van Gabriel Chevalier is bedoeld als een satyre op de onverkwikkelijke strijd tussen clericaal en anti-clericaal op het Franse platteland. Wij kennen dat kleinsteedse gedoe in eigen land ook en wij vinden het prachtig wanneer het af en toe eens flink op de hak genomen wordt, zonder dat men de dorpspotentaten en hun heilige huisjes al te veel ontziet. Ook de bureaucratie verdient het, telkens opnieuw goed over de hekel gehaald te worden. Dat is nu eenmaal één van de klassieke verweermiddelen van de burger tegen het staatsapparaat. De satyre is uiteraard altijd een gechargeerde weergave van de bespotte toestanden wanneer zij echter de relatie tot de werkelijkheid verliest dan loopt zij het gevaar in zinloze nonsens over te slaan. Dit laatste is verschillende malen in „Clochemerle” het geval. Men kan het belachelijke zozeer op de spits drijven, dat er niets meer te lachen valt en men kan zijn figuren zo caricaturaal maken, dat zij volkomen ongeloofwaardig worden. De meest reële en zodoende ook de geestigste figuur uit deze film is nog de pastoor Ponosse. De minister, de oude vrijsters en de schoolmeester zijn echter zozeer cliché-figuren uit de oude doos, dat zij voor de film met zijn dominerend werkelijkheidskarakter nauwelijks aanvaardbaar kunnen worden geacht. Hetzelfde geldt trouwens van de komische situatie, die de film geeft: de strijd tussen progressief en clericaal speelt zich n.l. af om de stichting en instandhouding van een gemeentelijke urinoir. Zonder op mijn beurt het clericale stokpaard ter bestorming van deze nuttige instelling te willen bestijgen meen ik toch enkele ethische bezwaren tegen deze film te moeten inbrengen. Ongetwijfeld heeft de sexuele grensoverschrijding niet alleen een tragisch maar ook een komisch aspect. De wijze waarop dat echter in deze filmcomedie is uitgebuit doet toch wel heel onzuiver aan. Voor Rooms-Katholieken moet deze film kwetsend zijn, niet minder dan 3 sacramenten worden bespot: het huwelijk, de biecht en het sacrament der stervenden. Ondanks de schijnbare neutraliteit in het conflict tussen progressief en clericaal is de film in wezen toch anti-clericaal. De progressieven worden als dwazen voorgesteld, de clericalen zijn dwazen en huichelaars bovendien.

Een betere proeve van Gallische humor is „Le Passe-Muraille” („Liefde kent geen Muren”) met in de hoofdrol de komiek Bouvril. Deze door Boyer geregisseerde film gaat uit van een buitengewoon origineel gegeven. Bouvril komt n.l. op zekere dag tot de ontdekking, dat hij in staat is zonder enige moeite door een muur heen te dringen. Het duurt een hele tijd voor de schuchtere en doodeerlijke kantoorbediende inziet, welk een gebruik hij zoal van zijn wonderlijke eigenschap zou kunnen maken. Zijn verkenningstochten in de uitgaande wereld van Parijs brengen hem echter in aanraking met een schone hoteldievegge (charmant gespeeld door Joan Greenwood), op wie hij hopeloos verliefd wordt. Om op haar